RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK AWB 03/747 Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschi[eiseres]], statutair gevestigd te Gemert-Bakel, eiseres, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 6 april 1999 heeft verweerder eiseres, in het kader van het Stimulus Programma Zuidoost Brabant 1997-1999, een eenmalige subsidie verleend voor het project "[eiseres] en zijn werkomgeving". Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van 22 mei 2002 heeft verweerder de subsidie voorlopig definitief vastgesteld op een lager bedrag dan de verleende subsidie. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 24 juni 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 4 februari 2003 heeft verweerder, onder verbetering van de motivering, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en zijn besluit van 22 mei 2002 onverkort gehandhaafd. Eiseres heeft tegen dit besluit bij brief van 14 maart 2003, ontvangen ter griffie op 17 maart 2003, beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaak is behandeld ter zitting van 12 maart 2004, waar eiseres is vertegenwoordigd door [gemach[gemachtigde], lid van het college van bestuur, vergezeld van [gemachtigde] [gemachtigde]. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], [gemachtigde] en [gemachtigde]. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is de vraag of verweerders besluit van 4 februari 2003, waarbij verweerder zijn besluit van 22 mei 2002 tot vaststelling van de subsidie ten behoeve van het project "[eiseres] en zijn Werkomgeving" op een lager bedrag dan de verleende subsidie onverkort heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden. De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten. Bij beschikking van 26 mei 1997 heeft de Europese Commissie het "enig programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de in Nederland onder doelstelling 2 vallende regio Zuidoost-Brabant" (EPD II) voor de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999 goedgekeurd. Eiseres heeft, op basis van dit programmeringsdocument, in het kader van het Stimulus Programma Zuidoost-Brabant 1997-1999, verzocht om een (communautaire) subsidie voor het project "[eiseres] en zijn werkomgeving". Doel van dit project was "het verbeteren van de kennis- en opleidingsinfrastructuur in het VBO, met name in de bouw-, electro- en mechanische techniek". Verweerder heeft bij zijn besluit van 6 april 1999 voor het project een subsidie verleend van maximaal ( 508.000,-- (? 226.890,11). Verweerder heeft aan dit besluit onder meer de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: - het project dient uiterlijk 31 december 2001 te zijn afgerond; - iedere 6 maanden dient een bondige voortgangsrapportage te worden verschaft, waartoe een inzichtelijke projectadministratie moet worden gevoerd; - uiterlijk op 15 december 1998 moet het project starten; voorgenomen wijzigingen in aanpak, doelstelling, omvang, looptijd, en/of financiering behoeven schriftelijke goedkeuring vooraf van het Stimulus programmamanagement; - uiterlijk 31 maart 2002 dient een einddeclaratie te zijn ingediend; - het niet naleven van de bijzondere en/of algemene voorwaarden kan, behoudens in geval van vooraf verkregen schriftelijke toestemming van het Stimulus Programma-management, leiden tot onder meer een vaststelling van de subsidie op nihil. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de nieuwbouw, die in het kader van de uitvoering van het project was voorzien, op 31 december 2001 nog niet was voltooid. Eiseres heeft er, in de verwachting dat zij daarmee aan de gestelde voorwaarden zou voldoen, voor gezorgd dat zij de door haar aangeschafte machines vóór 31 december 2001 in eigendom had verkregen en had betaald. De machines zijn bij de leverancier in opslag gebleven. Eiseres heeft in maart 2002 een eindafrekening ingediend, waarop een bedrag van ( 808.223,38 aan totale projectkosten is vermeld. Door [betrokkene] is deze eindafrekening op 3 april 2002 voorzien van een accountantsverklaring. In deze verklaring is vermeld dat een bedrag van ( 300.283,41 voor machines is opgenomen, die eiseres weliswaar voor de einddatum in eigendom heeft verkregen en heeft betaald, maar dat niet kon worden vastgesteld dat de betreffende machines vóór 31 december 2001 in gebruik zijn genomen. Wel zijn de machines volgens de verklaring in het kader van het project aangeschaft. Bij besluit van 22 mei 2002 heeft verweerder vervolgens besloten de aan eiseres toe te kennen subsidie voorlopig definitief vast te stellen op ( 253.970,-- (inclusief BTW). Bij deze vaststelling is geen rekening gehouden met de uitgaven voor de op afroep te plaatsen machines. Voor de reeds gerealiseerde onderdelen heeft wel subsidievaststelling plaatsgevonden op grond van het beginsel van proportionele subsidiëring. Verweerder is derhalve niet tot nihilstelling overgegaan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het vaststellingsbesluit van 22 mei 2002 gehandhaafd. Volgens verweerder zijn de kosten van de machines, ook al zijn zij eigendom van eiseres geworden vóór 31 december 2001, niet subsidiabel, omdat zij op dat tijdstip niet daadwerkelijk in gebruik waren genomen. Verweerder heeft in dat verband verwezen naar de notities 2 en 4 van de Beschikking van de Europese Commissie van 23 april 1997 (Beschikking 97/320/EG) betreffende de uitgaven die in aanmerking komen voor de financiering in het kader van de Structuurfondsen. Eiseres voert in essentie aan dat onduidelijkheid bestaat over de toetsingscriteria, in het bijzonder over het criterium "in gebruik genomen". Verweerder had in verband hiermee niet zonder nader onderzoek overeenkomstig de accountantsverklaring mogen beslissen, temeer daar het programmamanagement van Stimulus van mening was dat ook het op het terrein aanwezig zijn van machines als "in gebruik genomen" dient te worden beschouwd. Bovendien is bij een identiek project, het [betrokkene] te Eindhoven, de subsidie wel overeenkomstig de einddeclaratie vastgesteld, ondanks dat het museum in september 2002 nog steeds niet was geopend. De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep als volgt. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb kan de subsidie lager worden vastgesteld dan de subsidie vermeld in de beschikking tot subsidieverlening, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Verweerders opvatting omtrent de afronding van het project is, voor zover hier van belang, gebaseerd op notitie 4 van de bijlage bij Beschikking 97/320/EG van 23 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.