RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH sector bestuursrecht enkelvoudige kamer UITSPRAAK AWB 04/1552 Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen: [eiser], eiser, en [eiseres], wonende te Hardinxveld-Giessendam, tezamen: eisers, [gemachtigde], juridisch en bestuurlijk adviseur te Hapert, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel, verweerder. I. PROCESVERLOOP Verweerder heeft eiser bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 november 2003, gelast om het - met het bestemmingsplan strijdige - gebruik van de recreatiewoning op het perceel [adres], kadastraal bekend gemeente Bladel, [adres] ten behoeve van permanente bewoning binnen 8 weken na verzending van het besluit te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ? 2.000,-- per week, met een maximum van ? 40.000,--. Tegen dit besluit hebben eisers op 28 december 2003 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 april 2004, verzonden op 26 april 2004, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 26 november 2003 gehandhaafd, zij het dat de last is gewijzigd in die zin dat wordt gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Tegen dit besluit hebben eisers per faxbericht van 7 juni 2004 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Dit beroep is op dezelfde dag ter griffie van de rechtbank ontvangen. De zaak is op 4 februari 2005 behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [gemachtigde], werkzaam bij verweerders gemeente. II. OVERWEGINGEN In deze zaak is aan de orde of verweerders besluit van 20 april 2004, waarbij verweerder zijn besluit van 26 november 2003 tot oplegging van een last onder dwangsom in essentie heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden. De rechtbank ziet aanleiding om, alvorens aan de behandeling van de zaak toe te kunnen komen, te bezien of eisers nog wel belang hebben bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Ingevolge artikel 5:35, eerste lid, van de Awb verjaart de bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd. De rechtbank stelt vast dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom op 26 november 2003 is verzonden. Gelet op de formulering van de last, diende eiser uiterlijk op 22 januari 2004 de permanente bewoning van de recreatiewoning te hebben beëindigd en deze permanente bewoning vervolgens beëindigd te houden. Naar het oordeel van de rechtbank duiden de bewoordingen "Het maximum van deze dwangsom komt overeen met een nog voortdurend strijdig gebruik van ongeveer 20 weken", in de overwegingen van het besluit erop dat verweerder het oog heeft gehad op het beëindigd houden van de overtreding gedurende een aan de begunstigingstermijn aansluitende periode van twintig weken. In aanmerking nemende dat geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend en bij het bestreden besluit geen nieuwe begunstigingstermijn is gesteld, liep de laatste termijn van een week waarbinnen een dwangsom kon worden verbeurd derhalve af op 10 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.