RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH sector bestuursrecht meervoudige kamer UITSPRAAK AWB 03/3119 Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], eiser en gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. Derde-belanghebbende ingevolge artikel 8:26 van de Awb: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats]. I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 2 september 2002 heeft verweerder de verrekening als bedoeld in artikel 50, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene regels herindeling (hierna: de Wet arhi) vastgesteld tussen de gemeenten [woonplaats] en [woonplaats] met betrekking tot de voormalige gemeente [woonplaats], als gevolg van de op 17 september 1993 (Stb. 1993, 477) in werking getreden Wet van 9 september 1993 tot gemeentelijke herindeling in het noordoostelijke deel van de provincie Noord-Brabant (Stb. 1993, 476) (hierna: de Herindelingswet). Hiertegen heeft eiser bij schrijven van 14 oktober 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 1 november 2002 zijn de gronden van het bezwaar ingediend. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid ter zake van het bezwaar van 14 oktober 2002 hun standpunt toe te lichten tijdens een op 25 november 2002 te houden hoorzitting van de Commissie als bedoeld in artikel 1, sub c, van de "Beleidsregels behandeling bezwaarschriften door Gedeputeerde Staten 1993" (hierna: de Commissie). Bij besluit van 30 september 2003, verzonden op 6 oktober 2003, heeft verweerder overeenkomstig het advies van de Commissie van 15 september 2003, het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2002 ongegrond verklaard, en dit besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 november 2003, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 14 november 2003, beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij brief van 10 februari 2004 heeft eiser een nadere toelichting gegeven op het ingestelde beroep. Verweerder heeft bij brieven van 22 januari 2004 een verweerschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Desverzocht heeft verweerder bij brief van 21 januari 2003 nog nadere stukken toegezonden. Het beroep is op 28 januari 2005, gevoegd met de zaak AWB 03/3118, behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank. Namens eiser heeft [gemachtigde], juridisch adviseur te Geffen, het woord gevoerd. Verder zijn namens eiser verschenen [gemachtigde], wethouder, alsmede [gemachtigde] en [gemachtigde], werkzaam bij de gemeente [woonplaats]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. [gemachtigde] en [gemachtigde], werkzaam in dienst van verweerder. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats] heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] en [gemachtigde], werkzaam bij de gemeente [woonplaats]. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is de vraag of het in beroep voorliggende besluit van 30 september 2003 in rechte kan worden gehandhaafd. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Ingevolge de Herindelingswet is onder meer met ingang van de datum van herindeling - 1 januari 1994 - aan de gemeente [woonplaats] enig grondgebied van de gemeente [woonplaats] toegevoegd. De gemeenten [woonplaats] en [woonplaats], als rechtsopvolger van de gemeente [woonplaats] per 1 januari 1998, hebben over de onderlinge verrekening als gevolg van de overgang van rechten en verplichtingen overleg gevoerd, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen. Verweerder is daarop verzocht om het bedrag van de verrekening naar eigen inzicht vast te stellen. Bij besluit van 2 september 2002 heeft verweerder het met betrekking tot de voormalige gemeente [woonplaats] tussen de gemeenten [woonplaats] en [woonplaats] te verrekenen bedrag vastgesteld op ? 198.279,-- (exclusief rentevergoeding), zijnde het bedrag dat de gemeente [woonplaats] verschuldigd is aan de gemeente [woonplaats] als rechtsopvolger van de gemeente [woonplaats]. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag van ? 199.163,-- aan publiekrechtelijke eigendommen en een bedrag van ? 14.366,-- aan privaatrechtelijke eigendommen, te betalen door de gemeente [woonplaats] aan de gemeente [woonplaats]. Daarop is vervolgens in mindering gebracht een bedrag van ? 1.173,-- voor het aandeel in voorzieningen en een bedrag van ? 14.077,-- voor het aandeel in bestemmingsreserves. In tegenstelling tot de verrekening betreffende het gebied Rijkevoort (zaaknummer AWB 03/3118) zijn bij de hier gebruikte verrekeningsmethodiek de algemene reserve en de niet-gebiedsgebonden bestemmingsreserves van de voormalige gemeente [woonplaats] naar de stand per 1 januari 1994, niet in de verrekening betrokken. Bij het ter beoordeling voorliggende besluit van 30 september 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 september 2002 ongegrond verklaard. Verwezen wordt naar het besluit van eveneens 30 september 2003 inzake Rijkevoort (zaaknummer AWB 03/3118) voor wat betreft verweerders beleid ten aanzien van verrekeningen in het kader van artikel 50 van de Wet arhi. Verweerder ziet geen aanleiding om, nu het bezwaar inzake Rijkevoort ongegrond is verklaard, de algemene reserves en niet-gebiedsgebonden reserves van de voormalige gemeente [woonplaats] alsnog in de verrekening te betrekken. Daartoe wordt opgemerkt dat de verrekening inzake Rijkevoort een dorpskern betrof dat voor circa een derde deel (voor zowel wat betreft oppervlakte als boekwaarde van investeringen als het aantal woonruimten) deel uitmaakte van de toemalige gemeente Wanroij, zodat niet van een kleine grenscorrectie kan worden gesproken. Onderhavig gebied is juist beperkt van oppervlakte, er zijn geringe boekwaarden van investeringen bij betrokken (minder dan 1 procent) en het betreft een beperkt aantal woningen. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens verweerder de opvatting dat hier sprake is van een kleine grenscorrectie, waar volstaan kan worden met de waardering van de overgaande gebieden. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat, nu in tegenstelling tot het besluit inzake Rijkevoort de algemene reserves en de niet-gebiedsgebonden bestemmingsreserves van de voormalige gemeente [woonplaats] niet in de verrekening zijn betrokken terwijl de uitgangspositie voor wat betreft de verrekeningsmethoden niet anders is, één van deze besluiten niet juist is. Eiser neemt daarbij het standpunt in dat, gelet op hetgeen in artikel 50 van de Wet Ahri omtrent billijkheid is bepaald, het besluit aangaande Rijkevoort niet en het besluit aangaande de voormalige gemeente [woonplaats] wel op juiste gronden berust. Mocht eerstbedoeld besluit in rechte in stand blijven, dan dient daaruit te volgen dat in de verrekening inzake [woonplaats] alsnog de algemene reserves en de niet-gebiedsgebonden bestemmingsreserves dienen te worden betrokken. Dit resulteert dan volgens eiser in een van de gemeente [woonplaats] te ontvangen bedrag van ? 16.979,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.