RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH sector bestuursrecht enkelvoudige kamer UITSPRAAK AWB 03/2566 Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen: [eiser], eiser, en de Raad voor Rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch, verweerder. Derde-belanghebbende partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb: [belanghebbende], wonende te Venlo. I. PROCESVERLOOP Het Bureau Rechtsbijstandvoorziening te 's-Hertogenbosch (hierna: het Bureau) heeft bij besluiten van 28 en 29 april 2003 een tweetal aan derde-belanghebbende verleende voorwaardelijke toevoegingen (nrs. 1BG1045 en 1BS0345) met terugwerkende kracht ingetrokken, omdat haar vermogen, na beëindiging van de rechtsbijstand, de bij de wet gestelde grenzen overschreed. Derde-belanghebbende heeft bij brief van 3 juni 2003 tegen deze besluiten bij verweerder administratief beroep ingesteld. Bij besluit van 4 augustus 2003, verzonden op 5 augustus 2003, heeft verweerder eisers administratief beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2003 (lees: de besluiten van 28 en 29 april 2003) vernietigd en definitieve toevoegingen verleend. Eiser heeft, bij fax van 15 september 2003, op dezelfde dag ter griffie ontvangen, beroep ingesteld bij de rechtbank. De zaak is behandeld ter zitting van 19 mei 2004, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door [gemachtigde]. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest. De rechtbank heeft daarbij derde-belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen. Derde-belanghebbende heeft de rechtbank bij brief van 5 oktober 2003 doen weten dat zijn van deze gelegenheid gebruik wenst te maken en heeft daarbij haar standpunt uiteengezet. Het onderzoek is vervolgens voortgezet ter zitting van 7 januari 2005, waar eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen. Derde-belanghebbende is niet in persoon of bij gemachtigde verschenen. II. OVERWEGINGEN Aan de orde is of verweerders besluit van 4 augustus 2003, waarbij verweerder de besluiten van het Bureau van 28 en 29 april 2003 tot intrekking van een tweetal aan derde-belanghebbende verleende voorwaardelijke toevoegingen heeft vernietigd en definitieve toevoegingen heeft verstrekt, in rechte stand kan houden. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het vermogen van derde-belanghebbende na beëindiging van de rechtsbijstand is toegenomen met de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. Na aftrek van de hypothecaire schuld en rekening houdende met een vrijstelling van ? 65.344,-- resteert volgens verweerder een vermogen van ? 38.406,--. Van dit bedrag moet volgens verweerder nog een verhaalschuld van de gemeente in de vorm van een krediethypotheek ten bedrage van ? 41.000,-- worden afgetrokken. Aldus wordt de vermogensgrens volgens verweerder niet overschreden. Eiser voert aan dat verweerder bij de berekening van de draagkracht in het vermogen ten onrechte is uitgegaan van een vrijstelling van ? 65.344,--. Op grond van artikel 9, derde lid, onder a, van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand (Bdr) wordt voor de vaststelling van het vermogen immers niet in aanmerking genomen de waarde, in vrij opgeleverde staat, van de eigen woning voorzover deze waarde, na aftrek van het nog niet afgeloste bedrag van de daarop gevestigde hypotheek of hypotheken, minder dan ? 34.500,-- (lees: ƒ 75.000,-- (? 34.034,--)) bedraagt. Voorts betwist eiser dat uit de door derde-belanghebbende overgelegde stukken zou zijn gebleken dat de verhaalschuld van de gemeente van ? 41.000,-- een hypothecaire schuld met betrekking tot de aan haar in eigendom behorende woning is, omdat de gemeente een krediethypotheek zou vestigen. Volgens eiser heeft de gemeente nog steeds geen verhaal jegens derde-belanghebbende uitgeoefend. De rechtbank overweegt met betrekking tot het beroep als volgt. Vast staat dat artikel 9, derde lid, van het Bdr ten tijde van het bestreden besluit een bedrag van ( 75.000,-- aan restwaarde in de woning vermeldde als niet in aanmerking te nemen bedrag bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen. Verweerder heeft bij het nemen van zijn besluit niettemin, in overeenstemming met de Circulaires van de Minister van Justitie van 21 maart 2001 en 11 september 2001 aan de Raden voor Rechtsbijstand een bedrag van ? 65.344,-- niet in aanmerking genomen. De Circulaires bevatten het verzoek van de Minister om, vooruitlopende op de wijziging van het Bdr, met ingang van 1 maart 2001 bij de bepaling van de draagkracht in het vermogen, rekening te houden met een overeenkomstig artikel 9, derde lid, van het Bdr niet in aanmerking te nemen bedrag van ? 65.344,--. De voorgenomen wijziging van het Bdr is gepubliceerd in de Staatscourant van 8 augustus 2003, nr.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.