RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH Parketnummer: 01/870055-05 Uitspraakdatum: 27 april 2005 VERKORT VONNIS Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1954, wonende te (woonplaats), (adres). Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 april, 5 april, 7 april en 13 april 2005. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 maart 2005. Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij in of omstreeks de periode vanaf 1 september 1998 tot en met 31 december 2001 te Ulicoten in de gemeente Baarle-Nassau en/of in de gemeente Helmond en/of te Numansdorp in de gemeente Cromstrijen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, op een bedrijf, gelegen aan (adres) te Ulicoten in de gemeente Baarle-Nassau, voorzien van het mestnummer 096507055, althans op een of meer bedrijven, - gemiddeld gedurende het jaar 1998 (over de periode vanaf september 1998 tot en met december 1998), 305 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 c van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 4 vleesvarkens of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 7 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of - gemiddeld gedurende het jaar 1999, 218 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 109 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of - gemiddeld gedurende het jaar 2000, 322 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 99 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij of daaromtrent en/of - gemiddeld gedurende het jaar 2001, 444 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 48 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij of daaromtrent, in elk geval (telkens) een groter aantal varkens heeft gehouden dan het op die/dat bedrijven/bedrijf rustende varkensrecht en/of fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht en/of fokzeugenrecht; (de terminologie is gebruikt in de zin van de Wet herstructurering varkenshouderij) artikel 15 lid 1 Wet herstructurering varkenshouderij Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: (bedrijf) in of omstreeks de periode vanaf 1 september 1998 tot en met 31 december 2001 te Ulicoten in de gemeente Baarle-Nassau en/of in de gemeente Helmond en/of te Numansdorp in de gemeente Cromstrijen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, op een bedrijf, gelegen aan (adres) te Ulicoten in de gemeente Baarle-Nassau, voorzien van het mestnummer 096507055, althans op een of meer bedrijven, - gemiddeld gedurende het jaar 1998 (over de periode vanaf september 1998 tot en met december 1998), 305 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 c van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 4 vleesvarkens of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 7 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of - gemiddeld gedurende het jaar 1999, 218 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 109 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of - gemiddeld gedurende het jaar 2000, 322 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 99 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij of daaromtrent en/of - gemiddeld gedurende het jaar 2001, 444 opfokzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 2 a van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij en/of 48 slachtzeugen of daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 6 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering varkenshouderij of daaromtrent, in elk geval (telkens) een groter aantal varkens heeft gehouden dan het op die/dat bedrijven/bedrijf rustende varkensrecht en/of fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht en/of fokzeugenrecht, hebbende hij, verdachte, (telkens) opdracht gegeven tot dat strafbare feit en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging; (de terminologie is gebruikt in de zin van de Wet herstructurering varkenshouderij) artikel 15 lid 1 Wet herstructurering varkenshouderij De geldigheid van de dagvaarding. De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen. De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. Bewijsoverwegingen. Ten aanzien van de varkensrechten. Verdachte heeft erkend na de inwerkingtreding van de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv) varkens te hebben gehouden. Verdachte betwist echter dat een groter aantal varkens is gehouden dan het op het bedrijf rustende varkensrecht, als bedoeld in artikel 15 van de Whv. In dit kader is door de verdediging - onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de Whv en de Meststoffenwet alsmede jurisprudentie van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) terzake - aangevoerd dat de hoogte van het varkensrecht rechtstreeks voortvloeit uit het bepaalde in de Whv en het daarop berustende Besluit hardheidsgevallen herstructurering varkenshouderij (Bhv). Een individuele voor bezwaar en beroep vatbare beslissing van een bestuursorgaan is niet nodig voor de vaststelling van het recht. De strafrechter dient mitsdien zelfstandig de omvang van het aan verdachte toekomende varkensrecht vast te stellen. Verdachte is van mening dat hem ingevolge de hardheidsclausule van artikel 25 Whv juncto het Bhv wel degelijk varkensrechten toekomen en dat van overschrijding van deze rechten geen sprake is. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. In navolging van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie HR 24 september 2002, NJ 2003/80) stelt de rechtbank voorop dat, indien de verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd en de bestuursrechter een onherroepelijk oordeel heeft gegeven, in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, geldt dat de strafrechter in beginsel van dit oordeel dient uit te gaan. Slechts in bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken. De rechtbank overweegt voorts dat uit de jurisprudentie van het CBB (uitspraak van 19 juni 2001, LJN: AB2221) blijkt dat het bij een besluit van (het Bureau Heffingen van) de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij omtrent het al dan niet indelen in enige categorie van het Bhv als in de onderhavige procedure aan de orde, gaat om een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen ingevolge artikel 34 van de Whv beroep open staat bij het CBB. Bij uitspraak van 15 juli 2003 heeft het CBB het beroep van verdachte tegen het besluit tot weigering van (extra) varkensrechten ingevolge artikel 19 van het Bhv gegrond verklaard vanwege aan dat besluit klevende motiveringsgebreken, en aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. In december 2004 is door het Bureau Heffingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een nieuw afwijzend besluit genomen. Vastgesteld moet in ieder geval worden dat verdachte in de betrokken periode niet beschikte en ook thans niet beschikt over hem door het daartoe bevoegde bestuursorgaan toegekende dan wel ingevolge een uitspraak van het CBB toekomende (extra) varkensrechten in de zin van de Whv. Ten aanzien van het medeplegen. De raadslieden hebben aangevoerd - op de gronden zoals weergegeven in de overgelegde pleitnotities - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. De rechtbank deelt het standpunt van de verdediging niet. Uit de processtukken en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken van een volledige, nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (in ieder geval) medeverdachte (naam medeverdachte). De rechtbank leidt dit (onder meer) af uit de volgende feiten en omstandigheden: - (medeverdachte) was (middellijk of onmiddellijk) eigenaar van de door verdachte gepachte stal en de daarin aanwezige varkens; - (medeverdachte) heeft kennis van het houden van varkens, was regelmatig in de stallen aanwezig en gaf opdrachten aan het personeel; - (medeverdachte) was bij alle besluitvorming rondom de exploitatie van de stallen betrokken; - de varkens werden onder het/de mestnummer(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.