ECLI:NL:RBSHE:2006:AX9129
vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 128296 / HA ZA 05-1427 Vonnis in incident van 1 maart 2006 in de zaak van [P] Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de statutair te Eindhoven gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ARMADA IMAGEMENT B.V., wonende te 's-Hertogenbosch, eiser in conventie in de hoofdzaak, verweerder in reconventie in de hoofdzaak, verweerder in het incident, procureur mr. J.W. Hoentjen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HESTA STANDBOUW B.V., gevestigd te Apeldoorn, gedaagde in conventie in de hoofdzaak, eiseres in reconventie in de hoofdzaak, eiseres in het incident, procureur mr. M.J.C. Zuurbier, advocaat mr. M.J. Ellenbroek te .
Partijen zullen hierna [P] en Hesta genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.2. [P] heeft hiertegen verweer gevoerd. [P] houdt vast aan zijn eerder ingenomen standpunt en stelt dat ook de personeelsleden van de zustermaatschappijen meegeteld dienen te worden. Ook deze werknemers behoren immers tot het "geheel". Voorts betwist [P] dat Hesta aan haar - volgens [P] op Hesta rustende - verzwaarde stelplicht heeft voldaan.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat het in artikel 6:235 lid 1 sub b BW bedoelde getalscriterium zo uitgelegd dient te worden dat voor de beoordeling van het aantal medewerkers van een bedrijf gekeken dient te worden naar het bedrijf zelf, haar moederbedrijf en naar haar dochterbedrijven, dus in de recht lijn. Voor het meetellen van de werknemers van zusterbedrijven vindt de rechtbank geen aanknopingspunten in wet of parlementaire geschiedenis. [P] heeft niet betwist dat bij een telling van de medewerkers van Hesta en haar moeder het totaalaantal medewerkers onder de 50 ligt. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat niet aan het getalscriterium is voldaan en verwerpt het beroep van [P] op artikel 6:235 lid 1 sub b BW.
2.4. Nu het door [P] gevoerde verweer met betrekking tot de uitsluiting van Hesta van een beroep op artikel 6:233 BW wordt verworpen en [P] om proceseconomische redenen afziet van het leveren van bewijs terzake het ter hand stellen van de algemene voorwaarden door Armda aan Hesta, is de rechtbank van oordeel dat het beroep van Hesta op artikel 6:223 BW slaagt. Door Hesta worden de algemene voorwaarden vernietigd zodat er geen grond bestaat voor een procedure bij de rechtbank 's-Hertogenbosch. Om deze reden zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren en de zaak, in de stand waarin zij zich bevindt, doorverwijzen naar de bevoegde rechtbank.
2.5. [P] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2006.