RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 05/4067 Uitspraak van de meervoudige kamer van 22 februari 2007 inzake [eiser 1 t/m 4] allen wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde mr. K.L.M. Corstiaans, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best, verweerder, gemachtigden M.C.W. Walta en W. van Herk. Aan het geding heeft als partij deelgenomen [derde], wonende te [woonplaats], gemachtigde mr. O.V. Wilkens Procesverloop Bij besluit van 7 december 2004 heeft verweerder de aanvraag van [derde] te [woonplaats] om een reguliere bouwvergunning voor het plaatsen van een tweede antennemast op zijn perceel [adres] te [woonplaats] afgewezen. Bij besluit van 22 april 2005 heeft verweerder het hiertegen door [derde] ingediende bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2004 herroepen en alsnog bouwvergunning verleend. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 1 augustus 2005 het hiertegen door eisers ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 22 april 2005 vernietigd, en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar van [derde] (wederom) gegrond verklaard, het besluit van 7 december 2004 herroepen en alsnog bouwvergunning verleend. Eisers hebben op 23 november 2005 tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld. Deze zaak is behandeld ter zitting van 12 januari 2007, waar [eiser 1, 2 en 3] zijn verschenen in persoon, en [echtgenote eiser 4] namens [eiser 4], allen bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Feiten Op 29 juli 2004 heeft de heer [derde] een aanvraag ingediend om een bouwvergunning voor het plaatsen van een antennemast. De telescopische mast heeft een hoogte van 9 m in “normale” toestand en een hoogte van circa 22 m in “uitgeschoven” toestand. Op het perceel is reeds een antennemast van 15 m aanwezig. Aanvrager is zendamateur en houder van een radiozendamateurmachtiging. Na de aanvankelijke weigering van de aangevraagde vergunning heeft verweerder deze bij besluit van 19 april 2005 alsnog verleend. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2005, strekkende tot vernietiging van dit besluit, is overwogen dat het bouwplan zich niet verdraagt met het geldende bestemmingsplan en dat de bouwvergunning daarom , gelet op artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet, in beginsel geweigerd diende te worden. Gelet op het in artikel 10, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of te verstrekken dient toepassing van artikel 44, voornoemd, evenwel achterwege te blijven, indien geoordeeld moet worden dat de daarmee gediende belangen niet zodanig zwaarwegend zijn, dat die toepassing noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. De voorzieningenrechter heeft in dit verband overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of zich in casu een dergelijk geval voordoet aspecten een rol spelen die voor een belangrijk deel te begrijpen zijn onder de toetsing van de welstand van het bouwwerk. Dit heeft de voorzieningenrechter tot de conclusie geleid dat verweerder de onderhavige bouwaanvraag ten onrechte niet heeft voorgelegd aan de welstandscommissie of een andere ter zake deskundige. Het besluit van 19 april 2005 is derhalve in strijd geoordeeld met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Standpunten van partijen Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de conclusie van de welstandscommissie op het standpunt dat de vormgeving van de antennemast op zichzelf voldoet aan redelijke eisen van welstand. Verweerder heeft de suggestie van de welstandscommissie, om nader advies in te winnen over de vraag of de plaatsing van de mast “onevenredig bezwarend” is voor de omgeving, niet overgenomen. Volgens verweerder is dit niet zinvol omdat het bestemmingsplan de stedenbouwkundige kaders aangeeft. Verweerder heeft, gehoord de bezwarencommissie, (opnieuw) een afweging gemaakt, en wijst erop dat louter uitzichtbelemmering onvoldoende is voor een onevenredige benadeling. Volgens verweerder komt de mast in normale (ingeschoven) toestand nauwelijks boven de woning van [derde] uit en wordt deze (uitgeschoven) vooral in de avonduren gebruikt. Vanaf de openbare weg is de mast overdag vrijwel niet zichtbaar. De aard van de omgeving (vrijstaande woningen op ruime percelen) is niet zodanig dat bouwvergunning zou moeten worden geweigerd. Eisers hebben naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter, na de hernieuwde beslissing op bezwaar, een second opinion gevraagd aan Welstandszorg Noord-Brabant (hierna: Welstandszorg). Op 24 november 2005 heeft Welstandszorg geconcludeerd dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, en dat van een onopvallend silhouet geen sprake zal zijn. Volgens Welstandszorg is de mast een wezensvreemd element in deze woonomgeving en dient als maatstaf de uitgeschoven toestand van 22 m te worden gehanteerd. Eisers wijzen erop dat de welstandscommissie is uitgegaan van de beoordelingscriteria uit de Welstandsnota en daarbij van mening is dat de plaatsing van de mast bezwarend is voor de omgeving. Omdat de criteria daarvoor ontbreken kon de welstandscommissie niet aangeven of de mast voor omwonenden onevenredig bezwarend was. Hierover diende nader stedenbouwkundig advies te worden ingewonnen, hetgeen verweerder ten onrechte heeft nagelaten. Verweerder refereert aan de afweging van de bezwarencommissie, doch daarvan heeft de voorzieningenrechter al gezegd dat deze de op dit gebied benodigde expertise ontbreekt. Verweerder heeft zichzelf - mede gelet op de uitspraak van de voorzieningenrechter op dit punt - ten onrechte voldoende deskundig geacht om te beslissen of de mast “onevenredig bezwarend is”. Tot slot merken eisers op dat er al een mast van 15 m staat, zodat de uitoefening van de hobby van vergunninghouder is gewaarborgd. Wettelijk kader Op grond van artikel 40, eerste lid van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning). Ingevolge artikel 44 van de Ww mag de reguliere bouwvergunning alleen en moet deze worden geweigerd, indien: a. (…); b. (…); c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld; d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, (…). e. (…). Op grond van artikel 10 van het vigerende bestemmingsplan “Wilhelminapark” is verweerder bevoegd vrijstelling te verlenen voor het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen en zenden van radio- en televisiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 m voor antennes voor privégebruik en maximaal 30 m voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat - voor zover hier van belang - het recht om inlichtingen en denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, zij kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de territoriale integriteit op openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Oordeel van de rechtbank [eiser 3] heeft bezwaar noch beroep ingesteld in de hieraan voorafgaande procedure over deze antennemast. Dit kan hem redelijkerwijs worden verweten, nu hij desgevraagd als reden voor het niet instellen van rechtsmiddelen heeft aangegeven dat hij toen vermoedelijk met vakantie was. Nu niet is gebleken van sinds de voorafgaande procedure gewijzigde relevante feiten en omstandigheden volgt hieruit met analoge toepassing van artikel 6:13 van de Awb dat het beroep van [eiser 3] niet ontvankelijk is. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Aan de orde is vervolgens de vraag of verweerder op juiste wijze gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.