ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ9862
RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 06/4548 Uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2007 inzake 1. de vereniging “Natuur- en milieuvereniging Teteringen”, gevestigd te Teteringen, 2. de vereniging “Milieuvereniging Oosterhout”, gevestigd te Oosterhout, 3. de stichting “Stichting Brabantse Milieufederatie”, gevestigd te Tilburg, 4. [eisers 4], wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde mr. B.J. Meruma, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, verweerder, gemachtigden mr. J.A.M. van der Velden en A.J.J. Neele Aan het geding hebben als partij deelgenomen:
Procesverloop Bij besluit van 11 september 2006 heeft verweerder de bezwaren van onder anderen eisers tegen de bij besluit van 4 juni 2003 aan [derde partij] verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de aanleg van een golfbaan in Teteringen deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de vrijstelling met een gewijzigde motivering gehandhaafd.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 26 september 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank Breda.
Het beroep is met toepassing van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank ’s-Hertogenbosch.
Het beroep is versneld en gevoegd met het beroep inzake nr. AWB 06/4619 behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 2 februari 2007. Namens eisers zijn aldaar verschenen hun gemachtigde alsmede [eiser 4 en naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voorts zijn verschenen de gemachtigden van [derde partij], van Golfclub De Suykerberg en van GS.
Overwegingen 1. In deze zaak is aan de orde de vraag of verweerders besluit van 11 september 2006 in rechte kan standhouden.
Feiten 2. De bij het bestreden besluit gehandhaafde vrijstelling strekt ertoe de door [derde partij] voorgenomen aanleg mogelijk te maken van een een golfbaan op een perceel nabij de Landzichtweg te Teteringen in het gebied dat plaatselijk bekend staat als “Om den Haenen”. Dit voornemen zal hierna ook wel worden aangeduid als “het project”. Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1983”. Om deze reden heeft [derde partij] gevraagd om verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Deze vrijstelling is bij besluit van 4 juni 2003 verleend. Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder de tegen dit besluit gemaakte bezwaren deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van vrijstelling in gewijzigde vorm gehandhaafd.
Standpunten partijen 4. Aan het bestreden besluit heeft verweerder een nieuwe ruimtelijke onderbouwing ten grondslag gelegd, die mede is gebaseerd op de partiële herzieningen van het streekplan van 3 december 2004 en 20 januari 2006. Op grond van die herzieningen dient volgens verweerder bos dat jonger is dan 10 jaar en niet geplant op basis van een compensatieverplichting niet meer tot de GHS te worden gerekend. Hierdoor is de inbreuk die de aanleg van de golfbaan vormt op de GHS aanzienlijk minder vergaand dan voordien op grond van het streekplan moest worden aangenomen. Verder is verweerder van mening dat als gevolg van de partiële herziening van het streekplan van 20 januari 2006 GS een ruimere bevoegdheid hebben gekregen tot afwijking van het streekplan als bedoeld in artikel 4a, achtste lid, van de WRO. Anders dan ten tijde van het nemen van het vernietigde besluit van 18 december 2003 hebben GS thans wel de mogelijkheid om een (geringe) inbreuk op de GHS-natuur ten behoeve van de aanleg van de golfbaan mogelijk te maken. De aan laatstgenoemd besluit klevende gebreken zijn aldus hersteld, aldus verweerder.
Oordeel van de rechtbank 10. De rechtbank zal allereerst ingaan op eisers grief met betrekking tot de betekenis van de partiële herziening van het streekplan van 3 december 2004 voor de beantwoording van de vraag in hoeverre het project een inbreuk vormt op de GHS-natuur.
Paragraaf 3.4.5. van het streekplan luidt na deze herziening als volgt (waarbij AHS staat voor Agrarische Hoofdstructuur; de aangebrachte wijzigingen zijn cursief weergegeven): “Bescherming van natuur- en landschapswaarden in de AHS-landbouw In de AHS-landbouw bevinden zich geen natuurwaarden en daarmee samenhangende landschapswaarden die van belang zijn voor het provinciale schaalniveau. Op de plankaarten 1 en 2 zijn deze waarden dan ook niet aangegeven. Gebieden in de AHS-landbouw met de hoofdfunctie bos en natuur moeten echter op dezelfde wijze worden beschermd als de GHS en de AHS-landschap. Wat de bescherming van de overige gebieden met natuur- en landschapswaarden in de AHS-landbouw betreft, volgt de provincie in beginsel de gemeentelijke besluitvorming. Ingeval er op gronden die volgens het geldend bestemmingsplan niet als zodanig zijn bestemd, bos of natuur spontaan is ontstaan of anders dan als compensatie respectievelijk met toepassing van het rood-voor-groen-beleid is aangelegd, is een afweging inzake de planologische bescherming daarvan eerst na tien jaar na dat ontstaan of die aanleg vereist.”
De rechtbank onderschrijft het standpunt van eisers dat dit streekplanonderdeel, gelet op de formulering ervan alsmede zijn plaats in de systematiek van het streekplan, slechts betrekking heeft op gronden, gelegen binnen de AHS-landbouw, zoals deze is vastgelegd in het streekplan. De betekenis van dit voorschrift is dat, voor zover op dergelijke gronden natuur- en landschapswaarden (in casu: bos) aanwezig zijn, zij in beginsel dezelfde bescherming genieten als gronden opgenomen in de GHS of de AHS-landschap, ook al zijn zij daarin niet gelegen. Hierop wordt, voor zover hier van belang, sedert de partiële herziening van 3 december 2004 een uitzondering gemaakt voor bos, jonger dan 10 jaar. Deze uitzondering betekent derhalve niet dat gronden die in het streekplan blijkens de desbetreffende plankaart als GHS (of AHS-landschap) zijn aangeduid, de daaraan gekoppelde bescherming niet hebben, indien blijkt dat zich daarop bos of natuur bevindt met een leeftijd jonger dan 10 jaar.
Anders dan eisers menen komt aan de meer gedetailleerde kaarten van de provinciale natuurgebiedsplannen in dit kader geen betekenis toe, nu daarin geen beslissing is vervat ter zake van de planologische bescherming van natuurgebieden. Hiervan uitgaande moet worden vastgesteld dat de golfbaan geheel binnen de AHS-landbouw is geprojecteerd, met dien verstande dat de uitlopers van het bos in dit gebied niettemin een met die van GHS-natuur vergelijkbare bescherming genieten vanwege het feit dat deze ouder zijn dan tien jaar. Voor een perceel met houtopstand van - naar niet in geschil is - jonger dan tien jaar (het zogenoemde “jonge bos” bij het kerkhof) geldt die bescherming als gevolg van de herziening van het streekplan echter niet.
Het behoefde dan ook niet langer als beschermenswaardig bij de besluitvorming te worden betrokken.
Het effect van deze aantasting van de GHS dient voorts mede te worden beoordeeld in relatie tot de omvang van het aansluitende bosgebied en niet uitsluitend tot die van het gebied van 53 ha waar de golfbaan is geprojecteerd. Gelet op het feit dat het aansluitende bosgebied een oppervlakte beslaat van - naar door eisers niet is weersproken - ongeveer 1000 ha heeft verweerder de aantasting van de GHS van in totaal 0,5114 marginaal kunnen noemen. De grief van eisers op dit punt, erop neerkomende dat verweerder de mate waarin het project een inbreuk op de GHS vormt niet juist heeft beoordeeld, faalt derhalve.
Uit de toelichting op het herzieningsbesluit komt naar voren dat deze wijziging is ingegeven door de in de uitspraak van de ABRS van 16 februari 2005 neergelegde uitleg van de voor 20 janurai 2006 vigerende tekst. Die uitleg, waarbij op grond van met name de woorden “wegens bijzondere omstandigheden” werd aangesloten bij de interpretatie van artikel 4:84 van de Awb, achtte de planwetgever te beperkend. Blijkens die toelichting strekt het schrappen van deze woorden ertoe om tot uitdrukking te brengen dat ook in gevallen waarin een beleidsregel zonder enig voorbehoud is geformuleerd, afwijking daarvan in beginsel mogelijk is, ook indien er geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die reeds in de beleidsregel geacht moeten worden te zijn verdisconteerd. Met verweerder - en GS - is de rechtbank van oordeel dat op grond van het aldus gewijzigde streekplan GS in beginsel bevoegd waren om uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening af te wijken van de in het streekplan neergelegde beleidsregel dat binnen de GHS-natuur geen golfbanen mogen worden aangelegd. Daarbij is in aanmerking genomen dat artikel 4a van de WRO zich ook niet verzet tegen een dergelijke ruimere afwijkingsbevoegdheid.
Bovendien zal de bosbodem bij de doorbraken ongeroerd blijven en zal per saldo meer natuur ontstaan doordat inclusief compensatie ruim 0,75 ha planologisch beschermde natuur terug zal komen. Gelet op het vorenstaande en de marginale omvang van de aantasting kan naar het oordeel van de rechtbank niet met vrucht staande worden gehouden dat sprake is van een zodanige onevenwichtige afweging van de betrokken belangen, dat GS niet van het streekplan hadden mogen afwijken. Daarbij merkt de rechtbank op dat het betoog van eisers dat niet is gebleken van een zwaarwegend maatschappelijk belang dat afwijking van het beleid rechtvaardigt, faalt. De aanwezigheid van een dergelijk belang wordt in het streekplan noch elders gesteld als voorwaarde voor de toepassing van de onderhavige afwijkingsbevoegdheid.
Nu voorts uit de tot “herbevestiging” strekkende brief van 20 juni 2006 van GS blijkt dat zij zich expliciet rekenschap hebben gegeven van het gewijzigde provinciale planologische regime, staat in voldoende mate vast dat GS nog immer bereid zijn medewerking te verlenen aan het project. In dit verband is voorts van belang dat de Provinciale Planologische Commissie (PPC) en de commissie Ruimte van de provincie ter zake wederom positieve adviezen hebben uitgebracht. De omstandigheid dat eisers voor het nemen van het besluit door GS niet opnieuw in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen, maakt het vorenstaande niet anders. Wat daarvan ook zij, geconstateerd moet worden dat eisers hun standpunten op verschillende momenten gedurende de procedure naar voren hebben kunnen brengen, zodat niet valt in te zien dat zij door de handelwijze van verweerder en GS in hun belangen zijn geschaad.
Vastgesteld wordt dat de ruimtelijke onderbouwing van het project na de uitspraak van 16 februari 2005 van de ABRS ingrijpend is gewijzigd en geactualiseerd. In de ruimtelijke onderbouwing zijn voorts de voor een goede beoordeling van de vrijstelling relevante onderwerpen opgenomen, waarbij ook aandacht is gegeven aan de milieu- en natuuraspecten van het project. In voormelde uitspraak van de ABRS is geoordeeld dat vanwege het feit dat het project in strijd was met de in het streekplan neergelegde beleidslijnen, reeds volgt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de afwijking van het streekplan doet deze omstandigheid zich thans niet meer voor. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat sprake is van een ondeugdelijke of onvoldoende draagkrachtige ruimtelijke onderbouwing voor het project.
Gelet op deze, door eisers niet gemotiveerd betwiste, omstandigheden kan niet met vrucht worden staande gehouden dat met de belangen van eisers sub 4 onvoldoende rekening is gehouden. Het betoog dat ter voorkoming van overlast een gelijke afstand in acht genomen zou moeten worden als tussen de golfbaan en een nabij gelegen paardenhouderij, wordt niet gevolgd. Een honden- en kattenpension is naar zijn aard niet vergelijkbaar met een paardenhouderij. Verweerder heeft na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot verlening van de vrijstelling kunnen besluiten.
Conclusie 19. Op grond van vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding zijn voor vernietiging van het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
Beslissing De rechtbank, verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. L.C. Michon, voorzitter, en mrs. W.C.E. Winfield en J.H.G. van den Broek, leden, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van A.J.H. van der Donk, griffier, op 2 maart 2007.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Afschriften verzonden: