Kantonrechter te Helmond* Zaaknummer : 425077 Rolnummer : 4271/05 Uitspraak : 26 maart 2008 In de zaak van: X, wonende te ….., eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: aanvankelijk mr. F.J.M. Raaijmakers, thans mr. T.M. ten Velde, Postbus 297, 5000 AG Tilburg, t e g e n : de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V,, rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., tevens h.o.d.n. Legio, en op haar beurt rechtsopvolgster van Legio Lease B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigden: P.J. van Gompel en G.J.F. van Ooijen, Postbus 2174, 5600 CD Eindhoven, 1. De procedure. Eiser (verder te noemen: "X") heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde (verder te noemen: "Dexia") is in rechte verschenen en heeft een akte genomen, waarop de procedure is geschorst op gronden als vermeld in die akte. Bij akte d.d. 25 juli 2007 heeft X om hervatting van de procedure gevraagd. Daarna heeft Dexia een conclusie van antwoord genomen, waarbij een eis in reconventie is ingesteld. Vervolgens werden de conclusie van repliek in conventie, tevens akte wijziging van eis en conclusie van antwoord in reconventie, de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie en de conclusie van dupliek in reconventie gewisseld. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevonden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties. In conventie en in reconventie: 2. Het geschil. 1.1 X vordert in conventie, onder aanvulling van de gronden bij repliek, een verklaring voor recht dat de door hem met Dexia gesloten overeenkomsten nietig zijn, althans ontbonden op grond van wanprestatie zijdens Dexia, althans dat Dexia jegens hem schadeplichtig is wegens onrechtmatig handelen. Voorts verlangt X een verklaring voor recht dat de restschulden die hij aan Dexia heeft, vermeerderd met de kosten, niet verschuldigd zijn. Ten slotte vordert X van Dexia betaling van een bedrag van € 7.500,=, vermeerderd met de wettelijke rente en een vergoeding wegens buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. 1.2 X legt aan zijn vordering het navolgende ten grondslag. Hij is met een rechtsvoorgangster van Dexia, de naamloze vennootschap Bank Labouchere N.V., welke eveneens handelde onder de naam Legio Lease, een tweetal overeenkomsten aangegaan. De eerste is van 9 juli 1999 en had betrekking op het product “WinstVerDriedubbelaar” onder contractnummer 74215315. De looptijd van deze overeenkomst bedroeg 36 maanden. De tweede overeenkomst is van 4 oktober 1999 en had betrekking op het product "Korting Kado" onder contractnummer 59181806. De looptijd van deze overeenkomst bedroeg 120 maanden, met een bevoegdheid zijdens X om de overeenkomst na 36 maanden te beëindigen. Tot aan de datum der dagvaarding heeft X aan Dexia op grond van deze overeenkomsten € 7.500,= betaald. 1.3 De onderhavige overeenkomsten betreffen een vorm van huurkoop. Primair is X van mening dat de overeenkomsten nietig zijn, omdat Dexia voor het aangaan daarvan had moeten beschikken over een vergunning op grond van de Wet op het Consumentenkrediet (Wck). Daarnaast zijn de overeenkomsten vernietigbaar wegens dwaling. Ten slotte verwijt X dat Dexia bij tijdens en na de totstandkoming van de overeen-komsten in onvoldoende mate aan haar zorgplicht tegenover X heeft voldaan. Daardoor heeft zij gehandeld in strijd met bepalingen van de Nadere Regeling Toezicht Effectenverkeer (Nrte). Op grond daarvan zijn de overeenkomsten vernietigbaar. In elk geval levert dat een onrechtmatig handelen van Dexia jegens X op. 1.4 X heeft zijn vordering ter incasso uit handen gegeven, hetgeen kosten tot gevolg heeft gehad. Dexia is (de kantonrechter begrijpt: op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW) gehouden de redelijke kosten tot verkrijging van betaling buiten rechte overeenkomstig de staffel bij het Rapport Voorwerk II te voldoen. 1.5 X heeft niet ingestemd met de zogenaamde "Duisenberg-regeling". De verklaring dienaangaande is bij akte d.d. 25 juli 2007 door X in het geding gebracht. 2.1 Dexia heeft hiertegen vervolgens in conventie verweer gevoerd. Primair voert zij aan dat de onderhavige overeenkomsten niet als (vormen van) huurkoop kunnen worden gekwalificeerd, zodat de kantonrechter geen bevoegdheid tot oordelen toekomt. Voorts voert zij als preliminair verweer dat X niet in zijn vordering kan worden ontvangen, omdat de dagvaarding niet zou voldoen aan de wettelijke vereisten. 2.2 De eerste overeenkomst is na rustig en kalm beraad door X met Dexia aangegaan op of omstreeks 6 juli 1999. Deze overeenkomst had een looptijd van drie jaar, met een optie om de looptijd met 36 maanden te verlengen. X heeft van die optie gebruik gemaakt, waardoor de overeenkomst op 1 juli 2005 is beëindigd. Op dat moment bleek de opbrengst van de aandelen niet voldoende om de voor de aankoop daarvan aangegane lening af te lossen. Bij de eindafrekening is gebleken dat X ten aanzien van deze overeenkomst aan Dexia nog een bedrag verschuldigd is van € 6.314,81. X heeft dat bedrag onbetaald gelaten. De tweede overeenkomst is op initiatief van X tot stand gekomen, nadat hij zelf telefonisch contact had opgenomen met Dexia. In dat contact gaf X aan geïnteresseerd te zijn in het product Korting Kado. Dexia heeft hem daarop de overeenkomst, bijbehorende fiscale opinie en een rekenvoorbeeld toegezonden. X heeft deze bescheiden in alle rust kunnen bekijken. Op grond van deze overeenkomst dient X maandelijks € 44,87 aan Dexia te voldoen wegens rente over de aankoopsom van aandelen. Aan het eind van de looptijd dient X de koopsom te voldoen ad € 4.297,07. Deze overeenkomst loopt nog. 2.3 Dexia betwist op de in de conclusie van antwoord aangevoerde gronden dat de overeen-komsten in kwestie zouden vallen onder het regime van de Wck. Zij verwijst daarbij naar arresten van het Hof Amsterdam (16 augustus 2007) en het Hof 's-Hertogenbosch (26 juni 2007). Mocht de kantonrechter desondanks de nietigheid van de overeenkomsten aannemen, dan beroept Dexia zich op het bepaalde in artikel 6:278, lid 2 BW. Daaruit volgt een bijbetalingsverplichting voor X, die Dexia met de vordering tot ongedaanmaking in geval van nietigheid mag verre-kenen. 2.4 Dexia voert voorts aan dat de bepalingen van de Nrte niet van toepassing zijn op de onder-havige overeenkomsten. Zij betwist jegens X onrechtmatig te hebben gehandeld of wanprestatie te hebben gepleegd. Het causaal verband tussen het handelen van Dexia en de door X gestelde schade ontbreekt. Mocht er al sprake zijn van een schending van de zorgplicht, dan kan dat hoogstens leiden tot een schade in de vorm van een bestaande restschuld, het negatief beleggingsresultaat. Het beleggingsnadeel in de vorm van betaalde rente staat niet in een zodanig verband met de zorgplicht van Dexia, dat de schade in de vorm van betaalde rente de bank kan worden toegerekend. Mocht Dexia al gehouden zijn enige schade aan X te vergoeden, dan dient een deel daarvan op grond van het bepaalde in artikel 6:101 BW voor rekening van X te blijven. Het nadeel dat hij heeft geleden is immers mede het gevolg van de omstandigheid dat hij onvoldoende acht heeft geslagen op de inhoud van de hem toegezonden overeenkomsten. 2.5 Dexia merkt op dat het haar – bij gebreke aan feitelijke onderbouwing – niet duidelijk is in welk opzicht zij toerekenbaar tekort zou zijn geschoten jegens X. Zij is haar verplich-tingen uit de overeenkomsten nagekomen. De aandelenpakketten zijn voor X gekocht en aan hem geleast. Zij heeft X ook in voldoende mate geïnformeerd. 2.6 De schadeberekening van X klopt niet. Bij de berekening dient in aanmerking genomen te worden dat hij voordeel heeft genoten in de vorm van fiscaal voordeel en dividend op de aangekochte aandelen. Deze posten heeft X niet bij zijn schadeberekening betrokken. 2.7 De wettelijke rente kan slechts verschuldigd zijn vanaf de datum waarop Dexia in verzuim zou zijn geraakt. Dat is in elk geval niet eerder geweest dan 1 november 2005. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet worden afgewezen, omdat die helemaal niet zijn gespecificeerd. Pogingen om buiten rechte tot een regeling te komen zijn ook niet ondernomen, in elk geval niet in die mate dat deze toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten rechtvaardigen. 2.8 Dexia vordert in reconventie, onder verwijzing naar hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, betaling van de restschuld die na afloop van de eerste overeenkomst is blijven bestaan, zijnde € 6.314,81. Uit de brief van 29 juli 2005 mocht Dexia afleiden dat X zijn verplichting tot betaling van dat bedrag niet zou nakomen, zodat X vanaf die datum in verzuim verkeert en vanaf die datum dan ook de wettelijke rente verschuldigd is. 3.1 X heeft daarop aangevoerd dat hij uit de aan hem toegezonden stukken niet heeft begrepen dat hij geld aan het lenen was om te gaan beleggen. Hij is de overeenkomsten aangegaan met de bedoeling te gaan sparen. Zou Dexia hem van meet af aan op de hoogte hebben gesteld van de risico's die aan de overeenkomsten kleefden, dan zou hij deze niet zijn aangegaan. Omdat Dexia in de gegeven informatie de overeenkomsten te rooskleurig voorspiegelt, heeft X zich tot het aangaan daarvan laten bewegen. Op die grond beroept hij zich ook op de vernietigbaarheid van de overeenkomsten wegens dwaling X heeft verder zijn persoonlijke omstandigheden nader geschetst ter onderbouwing van zijn stellingname dat hij op financieel gebied als een leek moet worden beschouwd. 3.2 X heeft volhardt in zijn standpunt dat de overeenkomst vanwege de toepas-selijkheid van de Wck nietig of vernietigbaar is. Voorts heeft X betwist dat het bepaalde in artikel 6:278 BW van toepassing is. In elk geval verzetten de eisen van redelijkheid en billijkheid zich tegen toepassing van deze bepaling 3.3 X heeft voorts gewezen op de beschikking van het Hof Amsterdam d.d. 25 januari 2007, waarin is bepaald dat Dexia haar zorgplicht tegenover particuliere beleggers heeft geschonden. X merkt op dat hij, als leek, niet in staat was de overeenkomsten dus-danig te doorgronden dat hij het bestaan en de omvang van de daarmee samenhangende risico's kon beoordelen. Ook na het lezen van de brochure kon hij niet vermoeden dat hij bij dalende koersen met een restschuld zou worden geconfronteerd. Het had op de weg van Dexia gelegen om daarom-trent helderheid te verschaffen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dexia was bekend met de financiële situatie van X. Gelet op die situatie had Dexia moeten afzien van het aangaan van de onderhavige overeenkomsten. Nu zij dat niet heeft gedaan, bestaat er een causaal verband tussen het handelen en de gevolgen die het aangaan van de over-eenkomsten voor X heeft gehad, daaronder inbegrepen de betaalde termijnbedragen. Er is geen sprake van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. Voor wat betreft de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verwijst X naar de bij repliek/antwoord overgelegde correspondentie. 3.4 X betwist de vordering van Dexia in reconventie onder verwijzing naar hetgeen hij in conventie heeft aangevoerd. Voorts betwist X dat hij contractuele of wettelijke rente verschuldigd zou zijn. 4.1 Dexia heeft hierop aangevoerd dat het beroep op dwaling, gedaan bij repliek in conventie, tardief is aangevoerd. Om die reden verzet zij zich tegen de vermeerdering van eis c.q. aanvulling van gronden. Dexia heeft de stellingen van X weersproken, meer in het bijzonder ook dat sprake zou zijn van dwaling aan zijn zijde. Aan de voorwaarden voor een beroep op dwaling is, aldus Dexia, niet voldaan. De essentie van de overeenkomsten is eenvoudig te doorgronden: de klant leent geld om daarmee in aandelen te beleggen. Over de lening is rente verschuldigd en bij de verkoop van de aandelen wordt de opbrengst verrekend met de nog openstaande hoofdsom van de lening. Dit blijkt in voldoende mate uit de overeenkomsten zelf, hetgeen zowel door het Hof Amsterdam in de door X aangehaalde beschikking van 25 januari 2007 als ook door de Klachtencommissie DSI (uitspraak van 12 juli 2002, JOR 2002/164) wordt erkend. Bovendien blijkt dat voldoende uit de brochures die Dexia aan de belangstellenden voor de verschillende aandelenlease producten heeft toegezonden. X heeft een brochure ontvangen waarin de informatie stond vermeld als door Dexia in productie 13 bij dupliek/repliek in het geding is gebracht. X had derhalve moeten, althans kunnen begrijpen dat hij een overeenkomst sloot waarbij sprake is van beleggingen in aandelen met geleend geld en waarbij de mogelijkheid niet was uitgesloten dat een restschuld zou blijven bestaan. Dat sprake zou zijn van een spaarproduct, blijkt op geen enkele wijze uit mededelingen of informatie die door Dexia is verspreid. 4.2 Ten aanzien van de schending van een zorgplicht heeft Dexia eveneens volhard in haar stellingname. Van een schending van een informatieplicht kan, gelet op hetgeen ten aanzien van de gestelde dwaling is aangevoerd, geen sprake zijn. In reconventie heeft Dexia vervolgens haar vordering gehandhaafd. 3. De beoordeling: 5.1 Gelet op de samenhang van conventie en reconventie zal de kantonrechter deze verder tezamen behandelen. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in het geding gebrachte producties, voor zover de inhoud daarvan niet is weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast. X is met Dexia op 2 juli 1999 een overeenkomst aangegaan onder nummer 74215315 en op 4 oktober 1999 onder nummer 59181806. De eerste overeenkomst betrof een product onder de naam "WinstVerDriedubbelaar", de tweede een product onder de naam "Korting Kado". De looptijd van de eerste overeenkomst bedroeg drie jaar. Deze overeenkomst is – overeenkomstig het daartoe in artikel 8 gegeven recht – na drie jaar verlengd met een looptijd van drie jaar. Omstreeks 1 juli 2005 is de overeenkomst beëindigd en is een eindafrekening opgemaakt, op grond waarvan X aan Dexia nog een bedrag van € 6.314,81 verschuldigd was en is. De looptijd van de tweede overeenkomst bedraagt tien jaar, zodat deze thans nog loopt. 5.2 Op grond van de eerste overeenkomst heeft Dexia zich verplicht om ten bate van X gefaseerd met name in het contract genoemde aandelen te kopen voor een aankoop-bedrag van in totaal € 19.324,86. De overeenkomst vermeldt voorts dat X aan Dexia daarenboven een rente verschuldigd is van € 4.054,75. In totaal bedraagt de betalingsverplichting van X aan Dexia € 23.379,61. De overeenkomst behelst een verhouding die door Dexia is aangeduid als "lease". X heeft zich verplicht om gedurende 36 maanden een bedrag van € 112,63 te voldoen. In totaal is dat een bedrag van € 4.054,75, welk bedrag overeenkomt met de door Dexia berekende rente. In de 35e maand diende X een bedrag van € 45,38 te voldoen. Aan het eind van de looptijd diende het restant van € 19.279,48 te worden voldaan, welk bedrag in principe zou worden verrekend met de verkoopopbrengst van de aangekochte aandelen. Ingevolge artikel 5 van de overeenkomst wordt X automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden op het moment hij al datgene aan Dexia heeft betaald wat hij op grond van de overeenkomst aan Dexia verschuldigd is geworden. 5.3 De tweede overeenkomst betreft een soortgelijke constructie, met dien verstande dat de looptijd aanzienlijk langer is (120 maanden). De totale aankoopsom bedraagt € 4.342,45 en de totaal te betalen rente (behoudens eventuele korting) € 5.384,52. Gedurende de eerste 36 maanden is X een maandtermijn van € 44,87 verschuldigd (in totaal € 1.614,24). Daarna zal voor de resterende 84 maanden de rente opnieuw worden vastgesteld, waarbij als uitgangspunt een percentage van 12,4% per jaar is vermeld (13,1% effectief), te verminderen met een korting die bepaald wordt door de mate van waardestijging van de gekochte aandelen gedurende de eerste 36 maanden. Ook in deze overeenkomst is bepaald dat in de voorlaatste maand van de looptijd een bedrag van € 45,38 moet worden betaald en dat aan het eind van de looptijd het restant van € 4.297,07 moet worden voldaan, welk bedrag in principe zou worden verrekend met de verkoopopbrengst van de aangekochte aandelen. Ook in artikel 5 van deze overeenkomst is bepaald dat X automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden geworden op het moment hij al datgene aan Dexia heeft betaald wat hij op grond van de overeenkomst aan Dexia verschuldigd is geworden. 5.4 Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van X moet in rechte als vaststaand worden aangenomen dat hij in 1999 financieel aan het opkrabbelen was na in staat van faillissement te hebben verkeerd. In juli 1999 was hij 57 jaar oud. X heeft de Hogere Landbouwschool doorlopen en zijn echtgenote in Brazilië een lerarenopleiding. Hij was gehuwd en had drie minderjarige kinderen. Met zijn echtgenote had hij een belastbaar inkomen van € 31.412 per jaar. Zijn echtgenote verdiende op dat moment € 7.301,77 bruto per jaar. Per ultimo 1999 had hij een schuldenlast open staan bij de RABO Bank en de gemeente Laarbeek van in totaal fl. 352.237,06 (€ 159.838,20, renteloos en vooralsnog aflossingsvrij). 5.5 Vóór het aangaan van de overeenkomsten heeft Dexia X de informatie (of soortgelijke informatie) doen toekomen die zij als productie 3 bij antwoord/eis en als productie 13 bij dupliek in conventie/repliek in reconventie (in samengevatte vorm) in het geding heeft gebracht. Ten aanzien van de formaliteiten. 6. De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding in voldoende mate voldoet aan de wettelijke eisen. Eis en gronden daarvoor zijn in de dagvaarding opgenomen. De feitelijke onderbouwing daarvan kan in de loop van het geding worden aangevuld. De omstandigheid dat wellicht niet (volledig) is voldaan aan het vereiste dat het verweer van de gedaagde partij dient te worden opgenomen in de dagvaarding kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de eisende partij, zeker niet in een zaak waarin een dermate complex verweer valt te verwachten als in een kwestie als de onderhavige. Het beroep op niet-ontvankelijkheid wordt daarom verworpen. 7.1 Zijdens Dexia is ook aangevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn, omdat de onderhavige overeenkomst een belang heeft dat groter is dan € 5.000,= en niet behoort tot de kring van bijzondere overeenkomsten waarin de wetgever de kantonrechter bevoegdheid tot oordelen heeft toegekend. 7.2 De kantonrechter verwerpt dit verweer. Vrijwel algemeen wordt thans in de rechtspraak aangenomen dat de onderhavige overeenkomsten (allebei) huurkoopovereenkomsten zijn. Inmiddels is dit door meerdere gerechtshoven in Nederland uitgesproken en heeft de A-G bij de Hoge Raad in diens conclusie d.d. 25 januari 2008 in de daar onder rolnummer C07/155HR aanhangige zaak dienovereenkomstig geconcludeerd (LJN: BC2837). De kantonrechter verwijst naar de inhoud van die conclusie en de daarin genoemde jurisprudentie, meer in het bijzonder Hof 's-Hertogenbosch 27 november 2007 (LJN: BC1140) en Hof Amsterdam 6 december 2007 (LJN: BB9552). 8. De kantonrechter oordeelt derhalve dat de onderhavige overeenkomsten dienen te worden gekwalificeerd als huurkoopovereenkomsten. De kantonrechter is bevoegd om over geschillen inzake dit type overeenkomsten te oordelen. Ten aanzien van de Wet op het Consumentenkrediet (Wck). 9. X heeft uitvoerig bepleit dat en waarom de overeenkomsten nietig zouden zijn, omdat Dexia niet beschikte over een daartoe benodigde vergunning op grond van de Wck. Deze stellingname zijdens X wordt verworpen. 10. Terecht merkt Dexia op dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een krediettransactie in de zin van de Wet op het Consumentenkrediet onderscheid moet worden gemaakt tussen geldkrediet (simpel gezegd: de geldlening, in welke vorm dan ook) en goederenkrediet (even simpel gezegd: de koop op afbetaling, in welke vorm dan ook). De kantonrechter zal achtereenvolgens bezien of van dergelijke vormen van krediet in de zin van de Wck sprake is. Wet op het Consumentenkrediet, geldkrediet. 11. Hiervoor is vastgesteld dat de onderhavige overeenkomst er in de kern op neerkomt dat Dexia aan X een bedrag ter beschikking stelt, waarmee zij ten bate van Van Nistel-rooij aandelen of waarden aankoopt die zij voor X houdt en, aan het eind van de looptijd van de overeenkomst en na betaling van al hetgeen X aan Dexia verschuldigd is, aan X overdraagt, dan wel ten bate van X verkoopt. Met Dexia - en anders dan de rechtbank Arnhem in haar uitspraak d.d. 14 juli 2004, LJN AQ1551 - deelt de kantonrechter de opvatting dat van een geldkrediet in de zin van artikel 1, aanhef en onder a.1 Wck geen sprake is. X ontvangt geen vrij te besteden geldsom van Dexia. Kern van de overeenkomst bestaat uit het verkrijgen van voordeel uit een aan te schaffen aandelenpakket. Vast staat dat Dexia X daartoe een bedrag voorschiet om aandelen van te kopen. Uit de aard van de kwalificatie van de overeenkomst volgt dat in dat geval hoogstens sprake is van goederenkrediet (huurkoop is immers een species van de koop op afbetaling). Wet op het Consumentenkrediet, goederenkrediet. 12. De vraag is vervolgens, of de aandelenleaseovereenkomst kan worden gekwalificeerd als een goederenkrediet in de zin van artikel 1, aanhef en sub 1, b e/of c van de Wck. De kantonrechter neemt hierbij tot uitgangspunt dat het belang van de rechtszekerheid met zich meebrengt dat partijen zich bij hun optreden in het economisch verkeer in beginsel mogen en moeten verlaten op de tekst van de wet, zoals deze op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd. 13. Hiervoor is vastgesteld dat het complex aan afspraken dient te worden gekwalificeerd als een huurkoopovereenkomst. De overeenkomst van huurkoop is, historisch gezien, altijd beschouwd als een bijzondere vorm van koop op afbetaling en wordt in artikel 7A:1576h BW ook omschreven als een vorm van koop op afbetaling. De kantonrechter acht dit van belang, omdat in artikel 1, aanhef, onder 1 b en c het begrip “krediettransactie” juist zo ruim is geformuleerd om de koop op afbetaling onder het regime van de Wck te brengen. Uitgangspunt dient derhalve te zijn dat de Nederlandse wetgever bij invoering van de Wck heeft beoogd bescherming te bieden aan consumenten bij het afsluiten van kredieten of het aangaan van koopovereenkomsten op afbetaling. De onderhavige overeenkomst behoort, uit de aard van zijn kwalificatie, tot die laatste categorie. De kern van het probleem zit hem nu in het feit dat de ratio van de wetgeving afwijkt van de daaraan gegeven uitvoering. De ratio is weliswaar om alle krediettransacties onder de werking van de wet te laten vallen, maar uit de definitie van die krediettransacties vloeit voort dat een aantal (met name: financiële) constructies niet als goederenkrediet kunnen worden aangemerkt. 14. Ondanks genoemde ratio (waaronder: de koop op afbetaling brengen onder de werking van de Wck) heeft de wetgever gemeend het goederenkrediet te moeten beperken tot het (direct of indirect, via een derde-leverancier) verschaffen van genot van een roerende zaak of het verlenen van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen dienst. Vast staat dat Dexia aan X niet het genot van een roerende zaak heeft geleverd, omdat aandelen niet als zodanig kunnen worden beschouwd, terwijl uit de overeenkomst zelf voortvloeit dat ook het fysieke bewijs van een aandeel (het papier zelf, voor zover aandelen nog gedrukt worden) niet zou worden geleverd, omdat de overdracht van de waarden slechts administratief plaatsvindt (door bijschrijving in de administratie van Legio-lease overeenkomstig artikel 17 van de Wge, zie art. 1 van de Bijzondere Voorwaarden). 15. Binnen het systeem van de wet is wel uitdrukkelijk de ruimte ingebouwd om op relatief eenvoudige wijze (via een AMvB) diensten aan te wijzen waarvoor de Wck van toepassing is. Van die mogelijkheid is in het Besluit aanwijzing diensten Wet op het consumentenkrediet (Stb. 1991, nr. 515) tot op heden slechts gebruik gemaakt ten aanzien van de dienstverlening in de reisbranche. De financiële dienstverlening in de vorm van het voorschieten van de aankoopsom van aandelen is niet aangewezen als dienst die onder de werking van de Wck valt, ondanks het feit dat reeds in 1998 bekend was dat de constructie van effectenlease bestond, dat het de vraag was of deze onder de werking van de Wck viel of niet en door de minister van Financiën op vragen over de effectenlease en de Wck dienaangaande het navolgende is opgemerkt (Aanhangsel TK 1997-1998, nr. 1470, p. 3015-3016): “Daarnaast werd overwogen dat hier sprake is van transacties die meer in de vermogenssfeer liggen dan in de consumptieve sfeer. Het laatstgenoemde argument is ook nu van toepassing. Ik acht dan ook geen reden aanwezig om de effectenlease onder de WCK te brengen, te meer daar de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) van toepassing is.” Overigens was op dat moment aan de wetgever in Richtlijn 87/102/EEG al opgedragen zorg te dragen voor bescherming van de consument die betrokken was bij krediettransacties. 16. Het voorgaande kan tot geen andere conclusie leiden dan ook al gedaan door de kanton-rechter te Utrecht in de uitspraak van 16 maart 2005 (LJN AT2469, zie ook Prg. 2005, nr. 17, p. 548 e.v.): noch uit de bewoordingen van de wet, noch uit de parlementaire geschiedenis valt op te maken dat de wetgever de effectenleaseconstructie expliciet onder de werking van de wet heeft willen brengen. Veeleer volgt uit het voorgaande dat de wetgever altijd heeft aangenomen dat de constructie daar niet onder valt, ook op een moment waarop (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.