vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 165496 / HA ZA 07-1993 Vonnis van 18 juni 2008 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, procureur mr. P.C.M. van der Ven, tegen de stichting STICHTING BINNENDIEZE, gevestigd te 's-Hertogenbosch, gedaagde, procureur mr. J.E. Lenglet. Partijen zullen hierna [eiseres] en Stichting Binnendieze genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 2 januari 2008, - het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2008, - de brief van mr. Bosch namens Stichting Binnendieze d.d. 6 maart 2008, - de brief van mr. Van der Ven namens [eiseres] d.d. 14 maart 2008. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Stichting Binnendieze heeft een concessie van de gemeente ’s Hertogenbosch om rondvaarten te verzorgen op de “Binnendieze”. Daarbij maakt zij gebruik van zogeheten fluisterbootjes die door vrijwilligers worden bestuurd. [eiseres] en haar echtgenoot hebben op 22 september 2005 aan de balie van het kaartverkooppunt van Stichting Binnendieze vervoersbewijzen gekocht à EUR 5,00 per stuk voor een rondvaart die dag om 15.30 uur. 2.2. Zij zijn ingestapt vanaf de door Stichting Binnendieze gebruikte vaste aanlegsteiger (de “koninginnesteiger”) aan de Uilenburg in ’s Hertogenbosch. De boten bieden plaats aan maximaal twaalf passagiers. Deze kunnen plaatsnemen op twee banken, die evenwijdig aan de zijkanten van de boten zijn bevestigd. De rugleuning van die banken loopt parallel aan de zijkanten van de boot. Direct op de rugleuning bevindt zich een witte reling die de buitenrand van de boot vormt. De schipper zit achterin. Tijdens de boottocht passeert men smalle doorgangen, waarbij de schipper waarschuwt om de handen binnen boord te houden. 2.3. Bij het aanmeren wordt de boot met een zijkant tegen de steiger gevaren, waarbij de voorsteven in een soort metalen standaard wordt gefixeerd. Vervolgens maakt de schipper de boot aan de achterzijde vast door een touw te bevestigen aan een op de steiger bevestigde kikker of hek. Daarna kunnen de passagiers, desgewenst met hulp van de schipper, via een soort opstapje aan de achterzijde van de boot op de steiger stappen. Hoewel de boten worden vastgemaakt, schommelen deze als gevolg van de gewichtsverplaatsing van de uitstappende passagiers. 2.4. In de zomer van 2005 werd door Stichting Binnendieze niet alleen gebruik gemaakt van de vaste steiger, maar ook van een in het verlengde van die vaste steiger bevestigde drijvende steiger. Afhankelijk van de hoogte van het waterpeil en de gewichtsbelasting op die steiger, kon deze omhoog en omlaag bewegen door middel van een constructie met U-balken die langs palen konden bewegen. Deze drijvende steiger lag hoger in het water dan de vaste steiger. Op de (als foto 3) in het geding gebrachte afbeelding van de zijkant van die drijvende steiger is te zien dat boven de drijvers een enigszins uitstekend houten framewerk aanwezig is, waarboven zich een brede houten balk bevindt. Daarop is een aluminium rand bevestigd, waaraan een hekwerk is verankerd. 2.5. Na afloop van de boottocht die [eiseres] maakte, werd de boot waarin zij werd vervoerd aangelegd aan de drijvende steiger. Zij zat op de bank die met de rugleuning aan de steiger grensde. Vanwege de bewegingen van de uitstappende passagiers schommelde niet alleen de boot, maar bewoog ook de drijvende steiger van boven naar beneden. [eiseres] en haar echtgenoot waren één van de laatste passagiers die uitstapten. Terwijl haar echtgenoot al was opgestaan, zat zij nog op de bank met haar rug naar de steiger. Haar tas stond voor haar in het midden van boot. Toen zij naar voren wilde reiken om met haar rechterhand deze tas te pakken, moest zij zich een beetje oprichten waarbij zij zich met haar linkerhand heeft afgezet tegen de bovenkant van de leuning van de bank. Op dat moment is haar linker middelvinger bekneld geraakt als gevolg waarvan zij letsel heeft opgelopen aan het topje van die vinger. 2.6. Zij is die dag behandeld in het Jeroen Bosch Ziekenhuis, waar crushletsel van de betreffende vinger werd geconstateerd. Het laatste kootje bleek gebroken en het topletsel is verzorgd met twee hechtingen. Omdat de vingertop erg gevoelig bleef, is zij op 17 oktober 2005 gezien door plastisch chirurg Metsers in genoemd ziekenhuis, die een echografie heeft aangevraagd omdat hij doorsnijding van de digitaalzenuw vermoedde, alsmede het ontstaan van een neuroom (zenuwgezwel). 2.7. Bij brief van 2 november 2005 heeft [eiseres] Stichting Binnendieze aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van het letsel en de daaruit voortvloeiende schade, zoals schade door verlies van arbeidsvermogen, reiskosten, medische kosten en smartengeld. 2.8. Bij brief van 25 november 2005 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van Stichting Binnendieze elke aansprakelijkheid afgewezen. 2.9. De drijvende steiger is inmiddels verwijderd. 2.10.In verband met het letsel aan haar vinger heeft [eiseres] sinds het ongeval beperkingen ondervonden bij het uitvoeren van haar werkzaamheden als zelfstandig gevestigd schoonheidsspecialiste. Op 23 maart 2007 is de vinger operatief behandeld. Volgens [eiseres] heeft zij haar werkzaamheden pas vanaf mei 2007 stapsgewijs kunnen hervatten. 3. De vordering 3.1. [eiseres] vordert een verklaring voor recht dat Stichting Binnendieze aansprakelijk is voor alle schade, zowel materieel als immaterieel, die voor haar is voortgevloeid en zal voortvloeien uit het letsel dat zij heeft opgelopen als gevolg van het ongeval op 22 september 2005, met veroordeling van Stichting Binnendieze in de kosten van de procedure. 3.2. Stichting Binnendieze heeft op na te noemen gronden gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vordering. 4. De beoordeling 4.1. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat zij een overeenkomst met elkaar hebben gesloten betreffende personenvervoer over binnenwateren en dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens het vervoer. Kern van hun geschil betreft de vraag of Stichting Binnendieze al dan niet aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het letsel dat [eiseres] heeft opgelopen. 4.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat Stichting Binnendieze jegens haar aansprakelijk is op grond van art. 8:974 BW. De tekst van dit artikel luidt (voor zover relevant): “1. De vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien een voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. (…) 3. Gebrekkigheid of slecht functioneren van het schip of van het materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient, wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen heeft kunnen verhinderen.“ 4.3. [eiseres] stelt dat de rand van de boot onder de drijvende aanlegsteiger is gekomen op het moment dat haar hand op de rugleuning van de bank rustte omdat zij zich wilde afzetten. Zij stelt zich op het standpunt dat het ongeluk niet had kunnen gebeuren als Stichting Binnendieze gebruik had gemaakt van de vaste steiger, omdat deze zoveel lager is dat de rand van de boten daar ruimschoots bovenuit komt, óók als de passagiers uitstappen. Zij stelt dus dat het materiaal waarvan Stichting Binnendieze zich heeft bediend gebrekkig was in de zin van het derde lid van laatstgenoemd artikel. 4.4. Bovendien stelt zij dat Stichting Binnendieze de boot bij het uitstappen van de passagiers niet goed had aangemeerd, althans onvoldoende om de schommelingen op te kunnen vangen. Zij is van mening dat Stichting Binnendieze de gevolgen had kunnen verhinderen door de boot bij het afmeren zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde zodanig aan de steiger te bevestigen dat deze veel minder had kunnen bewegen dan in de situatie dat de boot met de voorzijde enkel tegen een beugel aan werd gevaren. Nu Stichting Binnendieze dit niet heeft gedaan, stelt [eiseres] dat eveneens is gehandeld in strijd met het bepaalde bij het eerste lid van genoemd artikel. 4.5. Stichting Binnendieze betwist dat de boot onder de aanlegsteiger is geschoten op het moment dat [eiseres] opstond. Zij betwist uitdrukkelijk dat de hand van [eiseres] bekneld is geraakt tussen de bovenkant van de reling op de rugleuning van de boot en de onderkant van de drijvende steiger, zoals door [eiseres] betoogd. Daarbij wijst zij erop dat de drijvers van de steiger zich direct onder de steiger bevinden, zodat de boot niet onder de steiger kon komen. Evenmin is het mogelijk dat de rand van de boot onder het houten framewerk van de drijvende steiger is gekomen, aldus Stichting Binnendieze. Zij stelt dat zij de drijvende steiger juist heeft gebruikt omdat deze betere faciliteiten bood dan de vaste steiger. Zo benadrukt zij dat zich op de drijvende steiger een metalen standaard bevond, waarmee de boot aan de voorzijde kon worden vastgelegd, terwijl op de drijvende steiger verder hekken waren bevestigd, waaraan de passagiers zich bij het in- en uitstappen konden vasthouden. Bovendien wijst Stichting Binnendieze erop dat de drijvende steiger aanmerkelijk langer was dan de vaste steiger, zodat de passagiers meer ruimte hadden voor het in- en uitstappen. Volgens Stichting Binnendieze was het gebruik van de drijvende steiger dan ook veiliger dan het gebruik van de vaste steiger. 4.6. Ten aanzien van het verwijt van [eiseres] dat de boot onvoldoende vast lag om schommelingen te voorkomen, heeft Stichting Binnendieze naar voren gebracht dat het inherent is aan het varen met een boot dat deze kan schommelen. Nu dit een feit van algemene bekendheid is, waarop [eiseres] bedacht had moeten zijn, stelt Stichting Binnendieze dat haar geen verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop zij de boot heeft aangemeerd. Zij stelt dan ook dat zij niet in strijd heeft gehandeld met hetgeen van een zorgvuldig vervoerder mocht worden verwacht. 4.7. Subsidiair stelt de Stichting Binnendieze zich op het standpunt dat er geen conditio sine qua non verband bestaat tussen het gebruik van de drijvende steiger en het letsel van [eiseres]. Zij stelt dat de hand van [eiseres] ook bij gebruik van de vaste steiger beklemd had kunnen raken tussen de rand van de boot en de rand van de steiger. 4.8. Gelet op het vorenstaande spitst het geschil zich toe op de toedracht van het ongeval. Voordat de rechtbank aan de beoordeling daar van toekomt, is eerst de vraag aan de orde of Stichting Binnendieze de aansprakelijkheid voor het betreffende ongeval al dan niet rechtsgeldig heeft uitgesloten dan wel beperkt. 4.9. Stichting Binnendieze stelt dat op de vervoersovereenkomst met [eiseres] haar algemene deelnemersvoorwaarden (haar prod.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.