RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH Sector Kanton, locatie Eindhoven Zaaknummer : 584972 Rolnummer : 08/8848 Uitspraak : 14 mei 2009 In de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] (Frankrijk), eiser, gemachtigde: mw. mr. L. van Luipen, advocaat te Rotterdam ( [postbusnummer] ), t e g e n : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Internationaal Transportbedrijf] B.V., statutair gevestigd te Eindhoven, gedaagde, gemachtigde: mr. H. Nieuwenhuizen, advocaat te Eindhoven ( [postbusnummer] ), heeft de kantonrechter te Eindhoven in vervolg op het tussenvonnis van 19 februari 2009 het navolgende vonnis gewezen. 1De verdere procedure 1.
- Naar aanleiding van het vonnis van 19 februari 2009 heeft [eiser] op 19 maart 2009 een conclusie na comparitie genomen. Op 16 april 2009 heeft vervolgens [Internationaal Transportbedrijf] een conclusie van antwoord na comparitie genomen. 1.
- Partijen zullen hierna worden aangeduid met “ [eiser] ” en “ [Internationaal Transportbedrijf] ”. 1.
- De uitspraak is bepaald op heden. 2De verdere beoordeling 2.
- De kantonrechter volhardt bij het tussenvonnis van 19 februari 2009 (behoudens de daarin helaas opgenomen storende typefouten en lay-outfouten). 2.
- In onderdeel 4.
- van het tussenvonnis heeft de kantonrechter aangegeven dat hij om redenen van proceseconomie er aanleiding toe ziet [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn stellingen ter zake de – voorshands aldus begrepen – gestelde arbeidsongeschiktheid en situatieve arbeidsongeschiktheid, voorzien van relevante bescheiden, in een conclusie na comparitie nader uit te werken. 2.
- Door [eiser] is, onder overlegging van verklaringen van zijn echtgenote, zijn buurman de heer [B.] , zijn eigen (huis)arts dr. Martin en een uitgebreide verklaring van zichzelf (producties 10 tot en met 13 zijdens [eiser] ), zijn standpunt ten aanzien van de gestelde arbeidsongeschiktheid gedurende de periode 29 juni 2007 tot en met eind maart 2008 nader toegelicht en uitgewerkt. 2.
- [Internationaal Transportbedrijf] heeft dit vervolgens gemotiveerd weersproken, onder overlegging van twee producties, waaronder een ‘avis d’arrêt de travail’ op naam van [eiser] en gedateerd 30 juni 2006 (productie 9 zijdens [Internationaal Transportbedrijf] ), alsook een formulier, samenhangend met een formulier E301 als klaarblijkelijk door [eiser] ingediend bij het toenmalige UWV, gedateerd 23 juli 2007 (productie 10 zijdens [Internationaal Transportbedrijf] ). [eiser] heeft op deze stukken nog niet kunnen reageren, zodat zij bij de beoordeling op dit moment niet worden betrokken. 2.
- De kantonrechter begrijpt voorshands dat [eiser] zich thans op het standpunt stelt dat hij tot eind maart 2008 arbeidsongeschikt was, en dus niet – zoals de kantonrechter blijkens rechtsoverweging 4.
- van het tussenvonnis voorshands had begrepen – arbeidsongeschikt tot en met oktober 2007, en vervolgens situatief arbeidsongeschikt van november 2007 tot 1 maart
- Ter onderbouwing van dit aangepaste standpunt verwijst [eiser] naar de verklaring van zijn arts van 4 maart 2009 (productie 12 zijdens [eiser] ). Voor de kantonrechter is voorshands onduidelijk waarom genoemde arts geen gebruik heeft gemaakt van het door [Internationaal Transportbedrijf] overgelegde formulier (productie 9 zijdens [Internationaal Transportbedrijf] ), maar die onduidelijkheid kan op zich mogelijk door [eiser] eenvoudig worden opgeheven. In ieder geval is duidelijk dat in de stellingen van [eiser] het standpunt wordt betrokken dat het bepalende moment zich op 29 juni 2007 heeft afgespeeld, het moment waarop – aldus [eiser] – het door hem gestelde arbeidsconflict is ontstaan door de opstelling van de heer [Van E.] , – aldus [eiser] – door [eiser] met stemverheffing aan te spreken, [eiser] onder druk te zetten, hem ‘een ontslagdocument’ in de Nederlandse taal voor te houden en te weigeren voor een vertaling te zorgen. Volgens [eiser] was sprake van een uit de hand gelopen ruzie. 2.
- [Internationaal Transportbedrijf] heeft – wederom – ontkend dat op 29 juni 2007 sprake is geweest van ruzie, gesteld dat sprake was van een redelijk kalm gesprek, waarbij niet aan [eiser] een ontslagdocument is voorgehouden en waarna [eiser] niet in zwaar overspannen toestand het gebouw heeft verlaten. [Internationaal Transportbedrijf] heeft wederom bewijs aangeboden van haar standpunt dat [eiser] zelf ontslag heeft genomen, en de in dat kader te horen getuigen nader genoemd. 2.
- In het licht van de nader betrokken stellingen en de centrale rol die door [eiser] aan de gang van zaken op 29 juni 2007 wordt toegedicht, ligt het in de rede dat de kantonrechter eerst [Internationaal Transportbedrijf] in de gelegenheid zal stellen te bewijzen dat [eiser] zelf ontslag heeft genomen op 29 juni 2007, een en ander om de redenen als in onderdeel 4.7.
- van het tussenvonnis reeds aangegeven. 2.
- Eerst zodra duidelijk is geworden of [eiser] daadwerkelijk zelf ontslag heeft genomen, kan vervolgens verder worden geoordeeld over de stellingen van [eiser] . Voorshands ligt thans, indien eigen ontslagname niet blijkt, nader getuigenbewijs niet in de rede maar veeleer een deskundigenonderzoek naar de arbeids(on)geschiktheid van [eiser] in de relevante periode. De kantonrechter stelt zich hierbij voor dat alsdan een onafhankelijke deskundige, voorshands op kosten van [eiser] als eiser, hierover zal rapporteren na onder meer consultatie van de huisarts van [eiser] . De kantonrechter verwacht dat alsdan meer informatie beschikbaar zal komen dan de enigszins summiere verklaring van de huisarts als thans overgelegd, met bijvoorbeeld een duidelijke indicatie van consultmomenten, medicatie etc. 2.
- Overigens zal dan wel eerst duidelijk moeten worden of, gezien het door [Internationaal Transportbedrijf] alsnog gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van [eiser] vanwege het ontbreken van een verklaring ex artikel 7:629a BW en het vervolgens door [eiser] gedane beroep op de tweede uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW, [Internationaal Transportbedrijf] vóór de procedure op enig moment de ziekte respectievelijk arbeidsongeschiktheid van [eiser] heeft betwist, zoals het geval werd geacht in de reeds in het tussenvonnis genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 15 juni
- Dit klemt temeer nu de kantonrechter uit het gewijzigde standpunt van [eiser] begrijpt dat [eiser] zich voorshands voor de hele relevante periode beroept op artikel 7:629 BW. 2.
- Het lijkt praktisch dat [Internationaal Transportbedrijf] zich ter onderbouwing van haar niet-ontvankelijkheidberoep hierover eerst zal uitlaten, zo nodig onder overlegging van reeds genoemde confraternele correspondentie, bij nadere akte. [eiser] zal vervolgens mogen reageren bij nadere antwoordakte. 2.
- Ter bespoediging van het eventuele vervolg van de procedure lijkt het wel praktisch dat [Internationaal Transportbedrijf] volledigheidshalve in haar akte ook alvast haar verhinderdata noemt voor de maanden juli en september 2009, en dat [eiser] in zijn antwoordakte hetzelfde doet, zulks voor een eventueel getuigenverhoor aan de zijde van [Internationaal Transportbedrijf] als hierboven genoemd. 2.
- Nu het met name gaat over het overleggen van stukken waarover partijen reeds beschikken, zal een korte termijn worden gehanteerd voor zowel [Internationaal Transportbedrijf] als [eiser] . 2.
- De zaak zal worden verwezen naar de rol voor de in onderdeel 2.
- bedoelde akte zijdens [Internationaal Transportbedrijf] . 2.
- Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 3.
- De beslissing De kantonrechter: verwijst de zaak naar de rol van donderdag 28 mei 2009 voor nadere akte overlegging producties en opgave verhinderdata zijdens [Internationaal Transportbedrijf] als bedoeld in onderdeel 2.10.; bepaalt dat vervolgens [eiser] twee weken later zal mogen reageren bij nadere antwoordakte; houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus gewezen door mr. R.R.M. de Moor, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.