RECHTBANK ‘s-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht Zaaknummer: 177489 / FA RK 08-3508 Uitspraak: 04 mei 2009 Beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] wonende te [woonplaats], advocaat mr. T.C. ten Rouwelaar te Amsterdam tegen: [de man] wonende te [woonplaats], advocaat mr. E. Geerings, partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man. De procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van: - het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 juni 2008; - het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de man; - het verweerschrift van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man; - de correspondentie, waaronder met name: -de brief met bijlagen van mr. Geerings, gedateerd 20 februari 2009; -de brief met bijlagen van mr. Ten Rouwelaar, gedateerd 25 februari 2009; -de brief met bijlagen van mr. Ten Rouwelaar, gedateerd 29 maart 2009. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen. De man verzoekt nevenvoorzieningen. De zaak is behandeld ter zitting van 06 maart 2009. Verschenen zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. De griffier heeft de minderjarige kinderen in de gelegenheid gesteld om hun mening omtrent de gevolgen van de echtscheiding aan de rechter kenbaar te maken De minderjarigen hebben daarvan gebruik gemaakt. De beoordeling Bewijsstukken Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt de nationaliteit en de woonplaats van partijen, alsmede waar en wanneer zij met elkaar zijn gehuwd. Tevens blijkt daaruit de geboorte van hun thans nog minderjarige kinderen: -[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats]op [datum]; -[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats]op [datum]; Echtscheiding Het verzoek tot echtscheiding is gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is door de man niet betwist, zodat deze vaststaat. Het verzoek kan derhalve worden toegewezen. Hoofdverblijf, omgangsregeling en kinderalimentatie De verzoeken inzake het hoofdverblijf, de omgangsregeling en de kinderalimentatie zijn ter zitting ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist. Voortgezet gebruik echtelijke woning De vrouw verzoekt te bepalen, naar de rechtbank begrijpt, dat zij gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning tot aan de dag waarop die woning zal zijn verkocht en waarbij de man de lasten van de woning voldoet. De man voert verweer. Hij is van mening dat het voortgezet gebruik gelimiteerd dient te worden tot maximaal zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man is voorts van mening dat de gebruikslasten van de woning volledig voor rekening dienen te komen van de vrouw en de eigenaarslasten van de woning voor de helft. Daarbij merkt de man op dat hetgeen de vrouw uit dien hoofde verschuldigd is kan worden verrekend met de vrijkomende overwaarde bij verkoop van de woning. De rechtbank overweegt als volgt. Door de man is het verzoek van de vrouw tot voortgezet gebruik van de woning niet betwist, anders dan dat dit op grond van de wet gelimiteerd is tot zes maanden. Om die reden zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen in die zin dat de vrouw conform de wettelijke regeling gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende een periode van zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Partijen verschillen voorts van mening omtrent de vraag wie gedurende deze periode de kosten van de woning dient te dragen. Met de man is de rechtbank van oordeel dat de normale gebruikslasten van de woning door de vrouw moeten worden gedragen. Ten aanzien van de eigenaarslasten is de bij beschikking voorlopige voorzieningen bepaald dat deze ten laste van de man komen. De man is thans van mening dat deze lasten moeten worden gedeeld. In beginsel zijn beide partijen gerechtigd tot de vruchten van een gemeenschappelijk goed en dienen zij in beginsel naar evenredigheid van hun aandeel bij te dragen in de lasten van dat goed. De redelijkheid en billijkheid kunnen met zich brengen dat daarvan wordt afgeweken. Indien de man de volledige eigenaarslasten van de woning draagt komen deze ten laste van zijn draagkracht in het kader van de alimentatie. In dat geval brengt de redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de eigenaarslasten waarmee bij het bepalen van de onderhoudsbijdrage ten volle rekening wordt gehouden, nadien niet meer tussen partijen verrekend kunnen worden. De rechtbank zal mede gelet op de aanwezige draagkracht bij de man, zoals hierna zal blijken, bepalen dat de man de volledige eigenaarslasten van de woning voor zijn rekening dient te nemen zonder nadere verrekening tussen partijen. Partneralimentatie De vrouw verzoekt te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen, alsmede en bijdrage in haar levensonderhoud. Zij acht de man in staat totaal een bedrag van € 1.403,-- per maand aan kinder- en partneralimentatie te voldoen, zodra de echtelijke woning is verkocht. Tot die tijd wenst zij een bedrag van € 367,-- per maand te ontvangen. De man voert verweer. De man betwist de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in haar levensonderhoud. In dat verband stelt de man dat hij niet gehouden is om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen. Aan die stelling legt de man ten grondslag dat de vrouw samenwoont met een ander als ware zijn gehuwd. Voorts legt de man aan die stelling ten grondslag dat er gronden zijn de bijdrage in levensonderhoud te matigen, omdat de vrouw zich jegens hem zodanig heeft gedragen dat in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd dat hij bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw en dat door dat gedrag de lotsverbondenheid tussen partijen is komen te vervallen. Ten slotte betwist de man dat hij draagkracht heeft om de verzochte onderhoudsbijdrage te voldoen. Behoefte Matiging De rechtbank zal vooreerst beoordelen of sprake is van zodanige omstandigheden die moeten leiden tot een matiging van de onderhoudsbijdrage. Door de man is in dit verband aangevoerd dat de vrouw geen medewerking heeft verleend om de gevolgen van de echtscheiding in goede harmonie te regelen, dat de vrouw de kinderen de deur heeft gewezen en dat de vrouw hem heeft beschuldigd van sexueel misbruik van de kinderen en andere jeugdigen. De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de verplichting van de ene echtgenoot om bij te dragen in het levensonderhoud van de andere echtgenoot op grond van het gedrag van de tot onderhoud gerechtigde moet komen te vervallen of moet worden gematigd, grote terughoudendheid geboden is. De door de man gestelde gedragingen van de vrouw hebben allen plaatsgehad nadat tussen partijen huwelijksproblemen waren gerezen en deels nadat door de rechtbank voorlopige voorzieningen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat de afwikkeling van een huwelijk gepaard gaat met emoties. Deze emoties kunnen partijen er toe brengen, vanwege het verbreken van de relatie, elkaar over en weer van alles te verwijten en toe te voegen, hetgeen zij onder normale omstandigheden zouden nalaten. De vraag die de rechter alsdan dient te beantwoorden is of het gedrag, in casu van de vrouw, grensoverschrijdend is geweest in die zin dat daaraan het gevolg moet worden verbonden dat de lotsverbondenheid, als grond voor de alimentatieplicht, komt te vervallen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat uit de overgelegde stukken voldoende blijkt van een sterk verstoorde verhouding tussen partijen, die is terug te voeren op de echtscheidingsproblematiek. Ten aanzien van het feit dat de vrouw niet mee wilde werken aan een regeling in harmonie overweegt de rechtbank dat zulks geen reden kan zijn om een onderhoudsplicht te matigen. Beide partijen kunnen gegronde redenen hebben om niet in te gaan op voorstellen van de ander. Hetgeen de één ten opzichte van de ander daaromtrent ervaart is puur van subjectieve aard. Partijen kunnen zich in een vroeg stadium laten bijstaan door een advocaat, zo één van hen meent dat de ander zich onredelijk opstelt. Ten aanzien van het feit dat de vrouw de kinderen de deur heeft gewezen, blijkt dat zulks niet het direct gevolg is van de huwelijksproblematiek van partijen, maar zijn oorzaak vindt in het feit dat de kinderen problemen hebben met de wijze waarop de vrouw haar leven is gaan inrichten na vertrek van de man. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat zulks voor de man moeilijk is, is deze omstandigheid mede gelet op de leeftijd van de kinderen niet zodanig uitzonderlijk dat om die reden de onderhoudsplicht komt te vervallen of moet worden gematigd. Ten aanzien van het vermeende sexueel misbruik overweegt de rechtbank dat door de vrouw weliswaar beschuldigingen zijn geuit, doch enkel in het kader van de onderhavige procedures. Als zodanig zijn deze beschuldigingen te rangschikken onder de voormelde emotionele omstandigheden waarmee het verbreken van een huwelijk gepaard gaat. Van structurele beschuldigingen en negatieve strafrechtelijke gevolgen voor de man is de rechtbank niet gebleken. De relatie tussen de man en de kinderen is nog steeds goed te noemen. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de lotsverbondenheid tussen partijen in casu tevens zijn grond vindt in een langdurig huwelijk, waaruit vier kinderen zijn geboren en waarbinnen de vrouw, als onbetwist gesteld, de zorg heeft gehad voor de kinderen en de man voor de inkomsten zorgde. Al het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat aan de lotsverbondenheid tussen partijen een eind is gekomen door gedragingen van de vrouw, noch dat sprake is van zodanige gedragingen dat de onderhoudsverplichting van de man moet worden gematigd. Samenwoning De stelling van de man dat de vrouw samenwoont met een ander als ware zij gehuwd is door haar gemotiveerd betwist. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vrouw aantoont dat zij een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand heeft naar de norm voor een alleenstaande. Namens de man zijn verder geen onderbouwende stukken van zijn stelling overgelegd, noch is een aanbod gedaan tot bewijs van zijn stelling. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze stelling van de man moet worden gepasseerd. Omvang behoefte De rechtbank stelt voorop dat de vrouw haar behoefte niet nader becijfert. Zij stelt behoefte te hebben aan een totale onderhoudsbijdrage van de man van € 1.403,-- bruto per maand, zonder onderscheid te maken tussen kinder- en partneralimentatie. De rechtbank dient derhalve de behoefte van de vrouw te begroten. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt het fiscaal loon van de man over 2007 van € 67.965,--. Partijen zijn begin 2008 gescheiden gaan wonen en gesteld noch gebleken is dat de vrouw in 2007 inkomsten had. Indien rekening wordt gehouden met een fiscaal loon van € 67.975,--, zonder fiscale aftrekposten en na correctie inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, begroot de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man over 2007 op € 3.409,-- per maand. Indien voorts rekening wordt gehouden met de aanwezigheid in 2007 van twee minderjarige kinderen en twee jong-meerderjarige kinderen in het gezin begroot de rechtbank het aandeel van de ouders in de kosten van de minderjarige kinderen op totaal € 780,-- per maand. Gelet op de door de vrouw gestelde totale bruto behoefte van € 1.403,-- resteert voor de vrouw na aftrek van de kosten kinderen een bedrag van € 623,-- bruto per maand. Voorts is tussen partijen in geschil of de vrouw volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand heeft. Met goedkeuring van de gemeente tracht de vrouw een eigen bedrijf op te starten. Daaruit genereert zij thans nog geen inkomsten. De rechtbank is aldus van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij thans behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage. Van de vrouw kan evenwel worden verwacht dat zij alles in het werk stelt om met haar eigen bedrijf zodanige inkomsten te genereren dat zij geen behoefte meer heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man. Draagkracht van de man Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover die gegevens tussen partijen niet vaststaan zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan. Inkomen Door de man is ter zitting een draagkrachtberekening overgelegd, uitgaande van een netto inkomen van € 4.017,-- per maand, gebaseerd op de overgelegde salary-sheets. Door de vrouw is dit inkomen betwist. Zij is van mening dat het Nederlands fiscaal loon over 2008 tot uitgangspunt moet worden genomen. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de man sinds [datum]werkzaam is in Taiwan, aldaar ook woont en dat zijn huidig inkomen onderhevig is aan de Taiwanese belastingheffing. Namens de man is ontbetwist gesteld dat de verhuizing naar Taiwan reeds onderwerp van gesprek was ten tijde van de samenwoning van partijen, zodat de rechtbank het huidige inkomen van de man in Taiwan tot uitgangspunt neemt. Indien sprake is van een buitenlands inkomen dient in afwijking van wat gebruikelijk is een netto draagkrachtberekening te worden gemaakt. In relatie tot het Nederlandse fiscaal loon van de man over 2008 is naar het oordeel van de rechtbank het huidige netto inkomen van € 4.017,-- per maand daarmee vergelijkbaar en wordt daarmee rekening gehouden. Normbedrag De man is van mening dat rekening moet worden gehouden met het WWB-normbedrag voor een echtpaar verhoogd met een opslag vanwege de hogere levensstandaard in Taiwan. De vrouw is van mening dat rekening moet worden gehouden met het WWB-normbedrag voor een alleenstaande, aangezien de nieuwe partner van de man in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud te voorzien. De rechtbank overweegt als volgt. Dat het leven in Taiwan duurder is dan het leven in Nederland is niet aannemelijk gemaakt. Uit de toelichting bij de overgelegde salary-sheets blijkt dat de “allowances” die aan de man worden verstrekt geen verband houden met een specifiek hogere levensstandaard in Taiwan, doch aan elke “expat” worden verstrekt ongeacht het land van tewerkstelling. Daarbij wordt weliswaar rekening gehouden met bepaalde “inconveniences” die gepaard gaan met het werk als expat, doch deze inconveniences dienen voor rekening en risico van de man te komen, omdat het uiteindelijk zijn keuze is geweest om in Taiwan te gaan werken en wonen. Derhalve wordt geen rekening gehouden met een opslag voor duurdere kosten voor levensonderhoud. Voorts is de rechtbank niet geïnformeerd over het inkomen van de partner van de man, noch is de rechtbank gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de partner van de man geen inkomsten kan verwerven. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het Wwb-normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, doch inclusief de maximale toeslag, ter voorziening in de noodzakelijke kosten voor levensonderhoud. Maandelijkse lasten Woonlasten Door de man zijn de navolgende woonlasten gesteld: -een huurlast van de woning in Taiwan: € 891,-- per maand; -de lasten van de voormalige echtelijke woning in Nederland, te weten: -een hypotheekrente van € 1.183,-- per maand; -een eigenaarslastenforfait van € 95,-- per maand; -de huurlast van een woning in Nederland: € 763,-- per maand. De vrouw is van mening dat geen rekening kan worden gehouden met de huurlast van de woning in Nederland, omdat de man deze woning op vrijwillige basis aanhoudt en inmiddels de huur daarvan heeft opgezegd. Voorts is de vrouw van mening dat de huurlasten van de woning in Taiwan door de nieuwe partner van de man worden betaald. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de toelichting bij de salary sheet blijkt dat de man een “location allowance” ontvangt, waarin tevens een bedrag voor huisvesting is opgenomen. Dit bedrag wordt aldus bij het inkomen van de man opgeteld en is derhalve verwerkt in voormeld netto inkomen. Dat de partner van de man de huur van de woning betaald is de rechtbank niet gebleken. Aldus wordt rekening gehouden met de gestelde huurlast van de woning in Taiwan van € 891,-- per maand. Met verwijzing naar hetgeen hiervoor is vermeld over de gebruiksvergoeding van de echtelijke woning wordt eveneens rekening gehouden de woonlasten van die woning, tot op het moment dat de woning wordt geleverd aan een derde dan wel dat de man anderszins zijn betalingen staakt. Geen rekening wordt gehouden met de huurlast van de woning in Nederland. Van een noodzaak voor de man om deze woning aan te houden is niet gebleken. Bovendien is door de vrouw gemotiveerd gesteld dat de huur van de woning is opgezegd en is namens de man hiertegen onvoldoende verweer gevoerd. Ziektekosten De door de man gestelde ziektekosten zijn niet betwist. De rechtbank houdt rekening met: -premie basisverzekering : € 221,53 -eigen risico : € 13,00 -af: in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel : € 43,-- € 191,53 Kosten omgangsregeling De man stelt een bedrag van € 150,-- wegens kosten omgangsregeling. Uit het debat ter zitting volgt dat dit bedrag gebaseerd is op het feit dat de man tweemaal per jaar naar Nederland wil komen om de kinderen te zien, dan wel de kinderen naar Taiwan wil laten komen. De vrouw is van mening dat er geen omgang plaats heeft en ook in de toekomst niet zal plaatsvinden, omdat de vriendin van de man zijn kinderen niet accepteert. De rechtbank overweegt dat niet aannemelijk is dat de man tweemaal per jaar naar Nederland komt enkel en alleen om de kinderen te zien, waardoor niet vast staat dat de reiskosten enkel betrekking hebben op de omgang met de kinderen. Aannemelijk is wel dat de man indien hij in Nederland is de kinderen zal bezoeken. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de man ook vanuit Taiwan nog contacten onderhoud met de kinderen, zoals via de telefoon en hun zakgeld betaald en dat sprake is van koersverlies wegens het omwisselen van geld. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een bedrag van € 75,-- kosten omgang ten behoeve van de twee minderjarige kinderen. Bijzondere kosten De man stelt een bedrag van € 250,-- per maand wegens bijzondere kosten. Volgens de man zijn deze kosten noodzakelijk vanwege de telefonische contacten met de kinderen, woonlasten en kosten voor socialisatie. De vrouw betwist dat met deze kosten rekening kan worden gehouden, aangezien deze kosten uit de toepasselijke bijstandsnorm of vrij te laten draagkrachtruimte moeten worden voldaan. De rechtbank overweegt dat voor zover deze kosten zien op telefoonkosten en woonlasten, daarmee hiervoor al rekening is gehouden bij de kosten omgangsregeling en de woonlasten. Ten aanzien van de kosten voor socialisatie – namens de man ter zitting nader omschreven als de kosten voor een Nederlandse krant en het lidmaatschap van een vereniging ten behoeve van expats – overweegt de rechtbank dat deze kosten niet nader gespecificeerd zijn. Zoals hiervoor reeds is overwogen wordt de man een algemene allowance toegekend vanwege het feit dat hij als expat werkzaam is, zonder dat deze vergoeding moet worden besteed aan genoemde kosten. Voorts zijn deze kosten naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig bijzonder dat deze niet uit de vrij te laten draagkrachtruimte kunnen worden voldaan en ten laste van de onderhoudsplicht jegens de vrouw moeten worden gebracht. Met de post bijzondere kosten wordt verder geen rekening gehouden. Herinrichtingskosten De man stelt een bedrag van € 125,-- per maand wegens herinrichtingskosten. De vrouw betwist dat met dit bedrag rekening moet worden gehouden, omdat de inboedel verdeeld is. De rechtbank overweegt dat door de vrouw onbetwist is gesteld dat de inboedel, op enkele spullen na, is verdeeld en zich bevindt in de huurwoning van de man in [woonplaats]. Dat de man deze goederen niet meer wenst te verschepen naar Taiwan is zijn keuze en kan aan de feitelijke verdeling niet afdoen. Voorts wordt door de man niet aangetoond, of en in welke mate hij goederen heeft gekocht. Met herinrichtingskosten kan derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen rekening worden gehouden. Overige kosten De man stelt een bedrag van € 385,-- per maand aan overige kosten. Ter zitting is dit bedrag namens de man onderbouwd als zijnde zak- en leefgeld voor de kinderen en kosten voor omwisseling van geld. Door de vrouw is betwist dat met deze kosten rekening kan worden gehouden. De rechtbank overweegt dat voor zover deze kosten zien op de kinderen hiermee reeds rekening is gehouden bij de kosten omgangsregeling. Indien de man zak- en leefgeld betaalt aan de kinderen geschiedt dat voorts op vrijwillige basis. Voor het overige is door de man niet inzichtelijk gemaakt waar het bedrag van € 385,-- per maand betrekking op heeft, zodat daarmee geen rekening wordt gehouden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man in staat moet worden geacht om – zowel in de situatie dat hij de woonlasten van de echtelijke woning draagt als de situatie dat hij deze niet meer voldoet – een bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw te voldoen gelijk aan de hiervoor begrote behoefte. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap Beide partijen verzoeken te bepalen dat de huwelijksgoederengemeenschap wordt gescheiden en gedeeld op de wijze zoals door hen aangegeven. Zij verschillen echter van mening omtrent de wijze van scheiding en deling. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting omvat de huwelijksgoederengemeenschap van partijen de navolgende activa en passiva: activa: -de woning staande en gelegen aan de [adres]te [woonplaats]; -een Rabobank premiedepot, gekoppeld aan de hypotheek, met nummer [nummer] -de inboedel en andere roerende zaken in en om gemelde woning; -een bankrekening bij de Rabobank, nummer [nummer], ten name van beide partijen; -een effectenrekening bij de ABN AMRO-bank, nummer [nummer]ten name van beide partijen; -een riant rekening bij de ABN AMRO-bank, nummer [nummer], ten name van beide partijen; -een riant rekening bij de ABN AMRO-bank, nummer [nummer]name van beide partijen; -een rekening Spaarbeleg Aegon, nummer [nummer], ten name van beide partijen; -een rekening Spaarbeleg Aegon, nummer [nummer], ten name van beide partijen; -een spaarverzekering bij RVS, nummer [nummer], ten name van beide partijen; -een hand-in-hand verzekering bij Interpolis, nummer[nummer], ten name van beide partijen; -aandelen en opties [bedrijf]: -een auto, Chrysler Voyager; -een auto, Peugot 106; -een motor, Honda Magna. passiva -een hypothecaire geldlening bij de Rabobank, nummer [nummer]; -een vermeende schuld aan de heer [naam]. Peildatum Partijen zijn ter zitting akkoord gegaan om wat de betreft de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en de waardering van de onderscheiden boedelbestanddelen als peildatum 01 april 2008 te hanteren, tenzij uit de aard van een te verdelen goed anders voortvloeit. De woning, de hypotheek en het premiedepot De woning staande en gelegen aan de [adres]te [woonplaats] staat te koop. Partijen zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van deze woning. De woning is bezwaard met een hypotheek bij de Rabobank met nummer [nummer]. Voorts is sprake van een premiedepot bij de Rabobank met nummer[nummer]. Aangezien omtrent de hoogte van de verkoopopbrengst van de woning nog geen duidelijkheid bestaat zal de rechtbank de wijze van verdeling vaststellen wat betreft voormelde boedelbestanddelen. De bruto verkoopopbrengst van de woning, verminderd met de restant hypotheek Rabobank met nummer[nummer]per datum van notariële levering van de woning aan de koper(s), vermeerderd met de waarde van het premiedepot Rabobank met nummer [nummer]per datum van notariële levering van de woning aan de koper(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.