RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 09/5559 en AWB 09/5[verzoekers]ng[verzoeker]22 [verzoeker] in[verzoeker]] allen te Riethoven, verzoekers, [gemachtigde] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk, verw[gemachtigde]] Aan het geding heeft als partij deelgenomen [vergunninghouder] (vergunninghouder), te Riethoven, [gemachtigde] Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2009 heeft verweerder een bouwvergunning verleend aan vergunninghouder voor het oprichten van een drietal varkensstallen op het perceel, kadastraal bekend gemeente Riethoven, sectie E, nummer 1325, plaatselijk bekend [adres] te Riethoven. Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en [verzoeker] bij brief van 24 april [verzoekers]rder[verzoeker] hebben bij brief van 23 april 2009 tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 9 september 2009 hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake van het besluit van 13 maart 2009 een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij uitspraak van 11 september 2009 (AWB 09/3154) heeft de voorzieningenrechter het besluit van verweerder van 13 maart 2009 geschorst en daarbij bepaald dat partijen worden uitgenodigd om op een nader te bepalen datum en tijdstip ter zitting te verschijnen teneinde te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb. Op de zitting van 7 oktober 2009 heeft ter beoordeling gestaan of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb. Bij uitspraak van 21 oktober 2009 (AWB 09/3154 OPHEFFING) heeft de voorzieningenrechter de bij uitspraak van 11 september 2009 getroffen voorlopige voorziening opgeheven. Verweerder heeft bij besluit van 22 oktober 2009 het bezwaar van verzoekers ten aanzien van de noodzakelijke ontheffing gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Bij dit besluit is tevens ontheffing verleend op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro), welk besluit onderdeel uitmaakt van het besluit op bezwaar. Tegen dit besluit hebben verzoeker bij brief van 23 november 2009 beroep ingesteld. Bij brief van 23 november 2009 hebben verzoekers tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari 2010, waar [verzoekers], [verzoeker] en [verzoeker] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De heer [verzoeker] is niet verschenen. Als gemachtigde van verweerder is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door haar collega [gemachtigde] Voorts is verschenen vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, onder meer indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien de voorzieningenrechter in een dergelijk geval van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan worden gedaan in de hoofdzaak. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen op deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter gewezen. 3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bedoelde situatie zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de aanhangige hoofdzaak. 4. Het bouwplan voorziet in de oprichting van drie varkensstallen op een perceel aan de [adres] te Riethoven. Tussen partijen is niet in geschil dat een deel van één van de stallen op minder dan vijf meter van de perceelsgrens is gesitueerd. 5. Het wettelijk kader ten tijde hier van belang, luidt als volgt. 6. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet (Ww) is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning. 7. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ww, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld dan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wro of met een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet. 8. Ingevolge artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Ww wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. 9. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels, van bij het plan aan te geven regels ontheffing verlenen. 10. Op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” rust op de gronden waarop het bouwplan wordt gerealiseerd de bestemming “Agrarische bedrijven”. 11. Artikel 0.2 van de planvoorschriften luidt als volgt: Waar een bestemming en een of meer differentiaties, zoals aangegeven op plankaart 1 (hoofdstructuur) samenvallen met een bestemming, zoals aangegeven op plankaart 2 (detailfuncties) geldt het bepaalde ten aanzien van de bestemming op plankaart 2. 12. Ingevolge artikel 2.1 lid A, aanhef en onder 1, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen als “Agrarische bedrijven” (plankaart 2) bestemd voor agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen zoals een mestopslagsilo op bedrijfsniveau en bedrijfs- of teeltondersteunende voorzieningen met uitzondering van een glastuinbouwbedrijf. 13. Ingevolge artikel 2.1 lid B, aanhef en onder 1, sub e, van de planvoorschriften mag de tot “Agrarische bedrijven”(plankaart 2) bestemde grond uitsluitend worden bebouwd met inachtneming van een afstand tot de perceelsgrens van niet minder dan 5 meter. 14. Ingevolge artikel 0.6 aanhef en vierde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in de voorschriften ten behoeve van het overschrijden van de minimale afstanden tot de bestemmings- of perceelsgrens, met dien verstande dat de noodzaak voor een korte afstand is aangetoond en de stedenbouwkundige structuur niet onevenredig wordt aangetast. 15. Ingevolge artikel 9.1.7 van de Invoeringswet Wro wordt een vrijstelling als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro. 16. Aan de orde is de vraag of verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan en of verweerder de bouwvergunning terecht heeft verleend. 17. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ontheffing is verleend in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied 1996”, het reconstructieplan Boven-Dommel en het provinciaal beleid en de vraag of de ontheffing door verweerder voldoende is gemotiveerd. 18. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat het (agrarisch) bouwblok volgens het bestemmingsplan weliswaar maximaal 1,5 ha mag omvatten, maar dat het bouwblok volgens de plankaart groter is, namelijk 1,8 ha. Volgens verzoekers hebben gedeputeerde staten op de plankaart met een handgeschreven aantekening aangegeven dat het bouwblok maximaal 1,5 ha mag bedragen. Van deze aantekening heeft de gemachtigde van verzoekers ter zitting een kopie laten zien. 19. De voorzieningenrechter overweegt dat de plankaart de grootte van het bouwblok weergeeft waarvan dient te worden uitgegaan. De beweerdelijk gedane aantekening op de plankaart doet hieraan niet af, immers uit niets blijkt dat aan de plankaart door gedeputeerde staten goedkeuring is onthouden. Bovendien ontbreekt de aantekening op de plankaart zoals die door verweerder bij de stukken is overgelegd en welke deel uitmaakt van het dossier. 20. Dat het bouwplan volgens verzoekers de bouwblokgrenzen overschrijdt en derhalve in strijd is met het bestemmingsplan, volgt de voorzieningenrechter niet. Ter zitting is aan de hand van een door verweerder overgelegd doordrukvel waarop het bouwblok op het bouwplan is ingetekend, geconstateerd dat het bouwplan past binnen het bouwblok. Verzoekers hebben hun betoog, dat verharding buiten het bouwblok noodzakelijk zal zijn voor het bereiken van de bouwwerken (zoals de silo’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.