proces-verbaal RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH Sector Strafrecht Parketnummers: 01/825245-09 en 01/821564-09 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01/839189-08 en 01/825660-07 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op 18 januari 2010. Tegenwoordig zijn: mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter, mr. C.B.M. Bruens en mr. J.D. Streefkerk, leden, mr. C.T. Tjauw-Foe, officier van justitie en mr. A.W.A. Kap-Knippels, griffier. De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte/veroordeelde uitroepen. De verdachte/veroordeelde, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de rechtbank te zijn genaamd: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, wonende te [woonplaats], [adres], thans gedetineerd te: PI Vught, Vosseveld 2 HvB Regulier. Als raadsman is ter terechtzitting verschenen mr. P.H.P. van Vugt, advocaat te Eindhoven. Enkele benadeelde partijen zijn verschenen. De voorzitter vermaant verdachte/veroordeelde oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is. De rechtbank beveelt in het belang van het onderzoek de voeging van de tegen verdachte/veroordeelde bij afzonderlijke dagvaardingen onder de hiervoor genoemde parketnummers aanhangig gemaakte zaken. De zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken met parketnummer 01/825246-09 tegen medeverdachte [medeverdachte 1] en parketnummer 01/839234-09 tegen medeverdachte [medeverdachte 2]. De rechtbank hervat, met instemming van de officier van justitie, de verdachte/veroordeelde en diens raadsman het onderzoek van de zaak in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 28 oktober 2009 bevond nu de rechtbank in een andere samenstelling zitting houdt dan op laatstgenoemde terechtzitting. De officier van justitie vordert wijziging van de tenlastelegging. De rechtbank hoort verdachte en de raadsman over deze vordering. De rechtbank wijst de vordering toe en beveelt dat de tenlastelegging zal worden gewijzigd zoals in die vordering staat omschreven. Een kopie van die vordering, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, is aan dit proces-verbaal gehecht. De rechtbank beslist dat kan worden volstaan met de uitreiking van een door de griffier gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen. De griffier overhandigt een door haar gewaarmerkt afschrift van de wijziging aan verdachte. Met toestemming van verdachte en de raadsman wordt het onderzoek aanstonds voortgezet. De raadsman bevestigt desgevraagd dat hij in het bezit is van: - het einddossier onderzoek 22TG09002 Oranjebaars d.d. 16 november 2009, - het proces-verbaal van de forensisch technische ondersteuning d.d. 7 januari 2010 met betrekking tot de overval in Bakel, - het proces-verbaal van de forensisch technische ondersteuning d.d. 8 januari 2010 met betrekking tot de overval op taxicentrale (naam), - de processen-verbaal van de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris, - het rapport van het NFI d.d. 11 januari 2010 met betrekking tot het haar- en mitochondriaal DNA-onderzoek (mt-DNA) naar aanleiding van de overval in Bakel - alle ingediende vorderingen van benadeelde partijen. Namens de benadeelde partij [benadeelde partij] worden door de deurwaarder schriftelijke stukken ter nadere onderbouwing van de door hem ingediende vordering overgelegd. Deze stukken worden verstrekt aan de verdediging en de officier van justitie en aan het dossier toegevoegd. De officier van justitie voert het woord overeenkomstig de aan dit proces-verbaal aangehechte stukken met de titels "MK 18 jan 2010 Inleiding" en "MK 18 jan 2010 Verzoek toetsing RR-dossier door RC". De raadsman: Het openbaar ministerie heeft eerder aangekondigd splitsing te zullen vragen. De rechtbank is hiervan kennelijk op de hoogte gesteld en de verdediging heeft zich hierop voorbereid. De verdediging vraagt zich af of er overleg is geweest tussen het openbaar ministerie en de rechtbank over deze koerswijziging. Ik vraag me af of er overleg is geweest tussen het openbaar ministerie en de rechtbank en of dit overleg heeft geleid tot deze koerswijziging. De officier van justitie: Ik heb de rechtbank gelijktijdig met de verdediging geïnformeerd en met dezelfde informatie. Uit de vragen die ik voor de rechter-commissaris heb geformuleerd volgt dat ik op mijn verzoek tot splitsing moet terugkomen. De voorzitter: Het antwoord op de vraag van de raadsman is dus nee. De rechtbank schorst het onderzoek voor korte tijd teneinde de verdediging in de gelegenheid te stellen haar standpunten naar aanleiding van hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht te bepalen. Het onderzoek wordt hervat. De raadsman: Allereerst maak ik het openbaar ministerie een compliment. Kennelijk bestaat daar voldoende zelfreinigend vermogen om daar waar blijkt van twijfelachtige opsporingsmethoden zelf stappen te ondernemen en diepgravend onderzoek te laten doen. Ik voel me vandaag wel overvallen door de gewijzigde opstelling van het openbaar ministerie. Vastgesteld kan worden dat het openbaar ministerie al open kaart speelt over wat er hierna moet gaan gebeuren terwijl de uitkomsten van het onderzoek door de Rijksrecherche nog niet bekend zijn. Het is fijn dat we hierover een beslissing van de rechtbank kunnen verwachten die niet is bezwaard door de inhoud. Ik heb enige kritische kanttekeningen richting de rechtbank. De officier van justitie vraagt de rechtbank om op de achterbank plaats te nemen en bevoegdheden over te dragen aan de rechter-commissaris. De enige onderbouwing die daarvoor wordt gegeven is dat schade kan worden berokkend aan zwaarwegende opsporingsbelangen. De rechtbank dient aan de officier van justitie te vragen wat dit zwaarwegende opsporingsbelang inhoudt, zonder in te gaan op de inhoud van het Rijksrecherche-onderzoek. Het moet gaan om strafbare feiten begaan door opsporingsambtenaren. De officier van justitie verwijst naar het einddossier en het BOB-dossier. Ik heb daarin geen redelijk vermoeden van een strafbaar feit door een opsporingsambtenaar kunnen vinden. Ik leid hieruit af dat het niet gaat om een opsporingsmethodiek die valt onder de BOB-wetgeving. Ik verwijs naar de commissie Van Traa. Opsporingsmethodieken dienen een wettelijke basis te hebben. Er is niets gerelateerd in een proces-verbaal waarop het Rijksrecherche-onderzoek is gebaseerd. De enkele stelling dat zwaarwegende belangen zich verzetten tegen toevoeging aan het dossier van het Rijksrecherche-onderzoek vind ik te mager. Ik kan me voorstellen dat er andere mogelijkheden zijn om te voorkomen dat alles volledig openbaar wordt. Bijvoorbeeld geanonimiseerde versies van het Rijksrecherche-onderzoek ter beschikking stellen waarna de verdediging bij de rechter-commissaris vragen kan stellen. Ik kan me ook voorstellen dat bij de inhoudelijke behandeling op basis van de opsporingsbelangen ervoor wordt gekozen om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Kortom, er zijn alternatieven voor de route die de officier van justitie voorstelt. De beantwoording van de door de officier van justitie gestelde vragen hoort bij de rechtbank en niet bij de rechter-commissaris. De officier van justitie geeft in haar stuk aan in welke gevallen de aangehaalde wetsartikelen van toepassing zijn. Deze gevallen passen niet bij deze zaak. Ik verwijs in dit kader naar de zaak Van Mechelen die bij het Europees Hof heeft gespeeld. De officier van justitie heeft het in dit verband over het opsporingsbelang. Welk opsporingsbelang? Het belang dat de zaak niet stuk gaat lijkt me juist een reden om wel de normale gang van zaken te volgen. Het belang van de staatsveiligheid komt niet terug in het dossier. De verwijzing naar de artikelen 187d en 226g en verder van het Wetboek van Strafvordering geeft voeding aan de geruchten die al langere tijd circuleren over deze zaak. De gedachte dat het onderzoek getuige [getuige 1] opzichtig buiten beeld houdt, behalve wanneer de verdediging met hem wil praten. Ook dan hoeft hij niet het achterste van zijn tong te laten zien. Deze getuige is een centrale factor, met name in de eerste twee zaken. Hij geeft gedetailleerde informatie, die is aan te merken als daderinformatie. Hij zegt dat hij deze informatie van verdachten heeft gekregen. Deze ontkennen dit. [getuige 2] heeft steeds aangegeven dat hij nimmer met [getuige 1] hierover heeft gesproken. De auto van deze [getuige 1] is gebruikt bij de overval in Bakel en hij wist wat er mogelijk in Bakel te halen zou zijn. Is het toevallig dat de tas met de bivakmuts op de oprit is achtergebleven? Wat mij betreft is deze [getuige 1] de belangrijkste verdachte. Hij heeft het handig aangepakt. Advocaten hebben soms een informatiepositie. Ik weet dat [getuige 1] is gehoord in het Rijksrecherche-onderzoek. Hij heeft dus kennelijk iets te zeggen over de wijze van opsporing. Het kan niet zijn dat er een deal is gesloten, want hiervoor bestaat een wettelijke regeling. Er moet wel iets aan de hand zijn met [getuige 1], want de Rijksrecherche gaat niet zomaar iemand horen. Ik verzet me tegen de door de officier van justitie voorgestelde route. Ik denk dat we de resultaten van het onderzoek door de Rijksrecherche moeten afwachten. Die moeten dan ter kennis worden gebracht ook van de verdediging en de verdediging moet onderzoekswensen kunnen formuleren. De rechter-commissaris kan eventueel beantwoording van vragen beletten. Zo moet het gaan. Het mag geen geheim proces worden dat in strijd is met alle regels en verdragen. We kunnen vandaag niets. Ten aanzien van de voorlopige hechtenis wijs ik op de duur van het reeds ondergane voorarrest. De ernstige bezwaren worden fors gerelativeerd. Er zijn grote twijfels aan de verklaringen van [getuige 1]. De complicatie van het Rijksrecherche-onderzoek kan niet voor rekening van mijn cliënt komen. Aan schorsing van de voorlopige hechtenis kunnen voorwaarden worden verbonden en een schorsing zou eventueel ook beperkt kunnen blijven tot de volgende inhoudelijke behandeling van deze zaak. De officier van justitie: Ik kan geen uitlatingen doen over het Rijksrecherche-onderzoek. Ik wil de toetsing overlaten aan een rechter, maar niet in het openbaar. Het is niet de bedoeling om de zittingsrechter buiten spel te zetten. Het verstrekken van een geanonimiseerde versie is geen optie. Dan wordt het een soort raadspelletje en dat wil ik voorkomen. Er is nagedacht over de mogelijkheid om de zaak achter gesloten deuren te behandelen, maar het openbaar ministerie acht het niet wenselijk dat de verdachten kennisnemen van de inhoud van het proces-verbaal van de Rijksrecherche. Het is niet de bedoeling om alles geheim te houden met het oog op de bewijspositie of om het onderzoek in de lucht te houden. [getuige 1] is zelf als verdachte aangemerkt toen dat naar het oordeel van het openbaar ministerie aan de orde was. Hij is inmiddels voor andere feiten veroordeeld. De door het openbaar ministerie voorgestelde route beoogt de transparantie te dienen. Naar mijn mening zijn er voldoende ernstige bezwaren ten aanzien van alle hier aanwezige verdachten. Ik heb deze bij gelegenheid van de eerdere terechtzittingen al op papier gezet. Ten aanzien van feit 1 zijn er aangiftes en belastende verklaringen van [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4]. [getuige 5] heeft belastend verklaard. Een medegedetineerde van [medeverdachte 1] heeft belastend verklaard. Er is DNA aangetroffen van verdachte [medeverdachte 2] in de bivakmuts die op de plaats delict is gevonden. Ten aanzien van feit 2 is er de verklaring van [getuige 1] en een schoenspoor op de plaats delict die afkomstig is van een schoen van verdachte [verdachte]. Er zijn overeenkomsten in de modus operandi van feit 1 en feit 2. De signalementen die de aangevers opgeven wijken niet ernstig af van het uiterlijk van de verdachten. Ik wijs naar de lengtes die worden genoemd op de pagina's 1748 en 1756. Ten aanzien van verdachte [verdachte] gelden de 12-jaarsgrond en de recidivegrond. Voor het overige verwijs ik naar wat ik al eerder op papier heb gezet. Tot slot verzoek ik de rechtbank om alvast een datum voor de nadere terechtzitting vast te stellen indien dit mogelijk is. De raadsman: De officier van justitie miskent artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering: strafvordering geschiedt op de wijze als bij de wet voorzien. Wat hier is aangegeven aan speciale regelingen voor delen van onderzoeken ter bescherming van genoemde en gespecificeerde belangen doet hieraan niet af. Het is niet deze officier van justitie die de zaaksofficier is in het Rijksrecherche-onderzoek. Het ligt op de weg van de Rijksrecherche om de officier van justitie te bevelen om de uitkomsten van het onderzoek aan het dossier toe te voegen. Het openbaar ministerie stelt het dossier samen, behalve als de rechtbank het toevoegen van stukken beveelt. Ten aanzien van de ernstige bezwaren blijft de officier van justitie maar verwijzen naar de schoenen. Ze verzwijgt dat de schoenen zijn aangetroffen in de woning van de broer van mijn cliënt en dat aan de hand van de zooltjes wordt vastgesteld dat de schoenen zijn gedragen door drie personen. De rechtbank onderbreekt het onderzoek teneinde zich in raadkamer te beraden. Na de hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het navolgende mede. Ten aanzien van het voorstel van de officier van justitie overweegt de rechtbank als volgt. Tegenover het belang van de (interne) openbaarheid staat het gestelde strafvorderlijke belang: volgens de officier van justitie zal/zullen als gevolg van (onverkorte) verstrekking van het proces-verbaal van de Rijksrecherche (een) perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.