← Nederland

ECLI:NL:RBSHE:2010:BO4539

vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector Strafrecht Parketnummer: 01/889002-07 Datum uitspraak: 22 november 2010 Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats], [adres]. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 april 2008, 5 en 30 juni 2008, 11 september 2008, 19 januari 2009, 6 april 2009, 26 juni 2009, 14 juli 2009 (samenstelling mrs. Kooijmans-Dunnewijk-Damen), 21, 24, 28 en 29 september 2009, 2, 5, 6 en 9 oktober 2009, 30 maart 2010, 13, 14, 15, 17, 20, 21 en 23 september 2010, 1, 7, 8, 11 en 15 oktober 2010 en 8 november 2010 (samenstelling mrs. Kooijmans-Damen-Raeijmaekers). De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 april 2008. In de dagvaarding zijn feiten omschreven overeenkomstig artikel 261, derde lid, Sv. Op 16 mei 2008 is een concept tenlastelegging aan de verdediging verzonden. De tenlastelegging is na vordering van de officier van justitie op de zitting van 5 juni 2008 overeenkomstig artikel 314a Sv. aangepast en op de zittingen van 24 september 2009 en 13 en 21 september 2010 op vordering van de officier van justitie vervolgens gewijzigd. Aan dit vonnis is gehecht een [investeerder 2]age waarop de tekst van de tenlastelegging, met inbegrip van die wijzigingen, integraal is weergegeven. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. De tenlastelegging, die bestaat uit 8 feiten waarvan enkele in cumulatieve vorm, komt er kort gezegd op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 1998 tot en met 7 januari 2008 al dan niet tezamen en in vereniging met medeverdachten 38 investeerders heeft opgelicht. Die oplichting zou hebben plaatsgevonden met betrekking tot een achttal beleggingsprojecten/ investeringsprojecten, te weten: P.I.M. Associates Ltd./[Hong Kong holding], Brand Names, [BEDRIJFSNAAM], Radiant Pictures B.V., Bioblue, Bucephalus, TTS B.V. en EOS. Verder heeft verdachte zich volgens de officier van justitie schuldig gemaakt aan meineed, poging tot oplichting, (een gewoonte maken van) witwassen, bedrieglijke bankbreuk in het kader van faillissement, valsheid in geschrift en deelnemen aan een criminele organisatie. Voor zover in de tenlastelegging kennelijke omissies en/of taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad. In het vonnis zullen allereerst de geldigheid van de dagvaarding en de niet-ontvankelijkheidverweren worden besproken. Vervolgens zal de rechtbank de verweten feiten 2 tot en met 8 beoordelen en ten slotte feit 1, de deelname aan de criminele organisatie. De formele voorvragen. Geldigheid van de dagvaarding. Namens verdachte is met betrekking tot feit 2 aangevoerd dat de algemene opmerkingen die in alle ten laste gelegde oplichtingen in deze vorm voorkomen, leiden tot een nietige dagvaarding. Het gaat daarbij om o.m. het nalaten belangen te melden, het geven van een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de risico's en het maken van misbruik van vertrouwen. De rechtbank verwerpt het verweer. Naar haar oordeel zijn de gedragingen, mede gelet op de inhoud van het dossier, voldoende feitelijk beschreven en voldoet de tenlastelegging op voornoemde punten aan de eisen van artikel 261 Sv. De rechtbank heeft in haar oordeel daarnaast rekening gehouden met de wijze waarop de ten laste gelegde oplichting ter terechtzitting zijn besproken. Ten aanzien van feit 1 zal de rechtbank de geldigheid van de dagvaarding bespreken in haar overige overwegingen over feit 1 (de criminele organisatie). De dagvaarding is geldig wat betreft feiten 2 tot en met 8. Bevoegdheid van de rechtbank. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Verjaring De verdediging acht de officier van justitie niet-ontvankelijk voor alle feiten gepleegd voor 19 mei 2002. De verdediging gaat daarbij uit van een verjaringstermijn van 6 jaar en aanvang van de vervolging op 19 mei 2008, de dag waarop de definitieve tenlastelegging bekend is gemaakt. De rechtbank overweegt als volgt. Het delict oplichting kende tot 1 februari 2006 een maximale strafbedreiging van 3 jaar, vanaf die datum is de maximum straf 4 jaar. Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de verjaringstermijn zes jaar voor misdrijven met een maximum strafbedreiging van ten hoogste drie jaar en twaalf jaar bij een maximum strafbedreiging hoger dan drie en niet meer dan tien jaar. Na een wetswijziging die tot gevolg heeft dat de verjaringstermijnen worden verlengd (i.c.) doordat het wettelijk strafmaximum wordt verhoogd, worden lopende verjaringen verlengd met de extra termijn die het gevolg daarvan is. Feiten die eenmaal zijn verjaard, blijven verjaard. (zie o.a. HR 29 januari 2010, LJN BK1998) Toegepast op deze strafzaak betekent dit het volgende. Omdat het delict oplichting voor 1 februari 2006 een verjaringstermijn kende van zes jaar zijn feiten gepleegd vóór 1 februari 2000 verjaard. De rechtbank zal het openbaar ministerie ten aanzien van die feiten niet-ontvankelijk verklaren. Vanaf 1 februari 2000 geldt een verjaringstermijn van twaalf jaar. Voor de feiten gepleegd na 1 februari 2000 is de officier van justitie ontvankelijk in zijn vervolging. Vormverzuimen De verdediging heeft een aantal vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek genoemd die afzonderlijk dan wel in onderling verband bezien dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat verdachte door (dat samenstel van) vormverzuim(

  1. en)op ernstige wijze in zijn verdediging en zijn strafvorderlijke rechten is geschaad. Het betreft de volgende verzuimen (zakelijk weergegeven): 1) [verdachte] bemerkte in de loop van 2007 dat hij mogelijk object was van strafrechtelijk onderzoek. Namens hem is met de teamleider in het lopend onderzoek gecorrespondeerd over praktische zaken met betrekking tot het onderzoek. [verdachte] heeft de politie medegedeeld dat hij volledige medewerking zou verlenen aan het onderzoek. De teamleider, [verbalisant], heeft daarop in een brief van 11 juli 2007 aan mr. Pen geschreven (o.a.): "Indien er op enig moment behoefte ontstaat om uw cliënt over een of meer aangelegenheden te horen, zal ik mij met u in verbinding stellen teneinde daarvoor een afspraak te maken". Ondanks deze berichtgeving is verdachte op 8 januari 2008 zonder enig voorafgaand overleg en buiten heterdaad aangehouden. 2) Door de onzorgvuldige dossiervorming is [verdachte] ernstig in zijn belangen geschaad. Niet alleen ontbrak (deels) een paginanummering, maar ook inhoudelijk miste het aangeleverde dossier relevante informatie en was in beslag genomen materiaal niet goed onderzocht. Het dossier schetste een beeld van TPC en [verdachte] dat volstrekt bezijden de realiteit was. Het dossier ging alleen over die informele projecten die niet succesvol waren gelopen, terwijl 85% van de bedrijfsvoering formele projecten bevatte en overige informele projecten succesvol waren. De administratie van TPC gaf volledig inzicht in het bedrijf en de bedrijfsvoering. Door deze wijze van dossiervorming werden de rechter-commissaris, de raadkamer en de zittingsrechter aanvankelijk op het verkeerde been gezet en was [verdachte] kansloos bij zijn voorgeleiding en later in raadkamer. 3) Door de voorlopige hechtenis was [verdachte] niet in de gelegenheid om het materiaal goed te onderzoeken en het dossier aan te vullen. Tijdens zijn voorlopige hechtenis heeft [verdachte] aanvankelijk slechts zeer beperkt de gelegenheid gehad de omvangrijke cliënten- en projectfiles in te zien. Daarna kreeg [verdachte] de beschikking over de schijf van de TPC-server met vele documenten die hij, door gebrek aan faciliteiten in het huis van bewaring, pas tijdens zijn schorsing heeft kunnen lezen. Pas daarna heeft hij een selectie kunnen maken en toevoegen aan het dossier. Het onderzoek van [verdachte] zelf heeft er toe geleid dat de officier van justitie de verduistering van de tenlastelegging heeft verwijderd. [verdachte] heeft dan echter reeds imagoschade opgelopen vanwege onjuiste uitlatingen in de pers over de grote geldbedragen die in rook zijn opgegaan en een wirwar aan vennootschapsrechtelijke constructies. Ook is op basis van het onjuiste beeld verkeerde informatie in rechtshulpverzoeken terechtgekomen. De verdediging acht het hoogstwaarschijnlijk dat de rechters anders beslist zouden hebben wanneer zij over een beter dossier hadden beschikt. De verdediging stelt dat door het handelen als genoemd politie en justitie de verdedigingsrechten van [verdachte] op ernstige en onherstelbare wijze hebben geschonden. 4) De verhoren van de investeerders en andere getuigen zijn door de politie op suggestieve wijze afgenomen. Zij waren niet gericht op waarheidsvinding, maar op het verkrijgen van aangifte(
  2. n)en/of anderszins belastende verklaringen tegen verdachte. De verhoren van medeverdachten zijn niet betrouwbaar omdat verdachten werden ondervraagd over onderwerpen en gebeurtenissen die in een wat verder verleden hebben plaatsgevonden en werden geconfronteerd met een selectie uit het hoofdzakelijk belastende materiaal. 5) Er is veel ontlastend materiaal aan het dossier onthouden. - de cliënten- en projectfiles zijn al genoemd. - de in China (Hong Kong) in beslag genomen stukken blijken een volledig en compleet financieel overzicht te geven, terwijl door en namens het O.M. een beeld was gegeven dat in China niet was na te gaan wat er met de gelden was gebeurd; - tussen de in China in beslag genomen stukken heeft [verdachte] een overboeking van € 30.000,- met een geschreven toelichting aangetroffen waaruit blijkt dat de overboeking is geschied op verzoek van [medeverdachte 1] naar [Belgisch bedrijf]/[betrokkene 1]. Het stuk is relevant voor de bewijsvoering in de vermeende faillissementsfraude en is niet aan [betrokkene 1] getoond toen hij in België werd gehoord, zodat hij zijn geheugen niet heeft kunnen opfrissen en uit het hoofd heeft moeten verklaren; - tussen de in België in beslag genomen stukken bevinden zich ontlastende stukken over de rol van [verdachte] in EOS en Bioblue; zij tonen de leidinggevende rol van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en bevatten de bijlagen bij de EOS-brochure - materiaal over de licentieovereenkomst en over de vraag of het Greenpeace-project winst had gemaakt bevindt zich in het archief van [medeverdachte 1] in Hong Kong; [medeverdachte 1] is niet in de gelegenheid gesteld om dat archief te bezoeken, die stukken op te zoeken en deze vervolgens over te leggen aan de rechtbank. 6) Het strafdossier bevat geen informatie over de aard en omvang van de contacten tussen de Nederlandse en Belgische justitie en politie. De Nederlandse opsporingsambtenaren hebben niet onmiddellijk proces-verbaal opgemaakt van hun verrichtingen in België zodat artikel 152 Sv is geschonden. 7) De informatie van de Nederlandse autoriteiten is sturend geweest voor de vervolgingsbeslissing van de Belgische autoriteiten. Het ne bis in idem-beginsel is daardoor mede door toedoen van de Nederlandse justitie geschonden. 8) Justitie heeft door onzorgvuldige perscontacten een foutief beeld van de zaak doen ontstaan waardoor verdachte in zijn belangen is geschaad. De verdediging noemt als bronnen met deze foutieve informatie: a- het jaarverslag van het Bovenregionaal Rechercheoverleg 2007 dat op internet is gepubliceerd; b- een Eindhovens persbericht van 7 januari 2008; c- een uitzending van Nova van 21 september 2009; d- het boek "Beleggen in gebakken lucht"; e- een krantenartikel in het Eindhovens dagblad van 12 september 2008. 9) Het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat personen die een prominente rol vervulden binnen de projecten en van wie verdachte de relevante informatie kreeg of moest krijgen (bijvoorbeeld [betrokkene 4], [betrokkene 3], [betrokkene 5], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [betrokkene 8], [betrokkene 9], [betrokkene 10]) niet zijn vervolgd en verdachte wel. De officier van justitie heeft gerepliceerd tot verwerping van de verweren: Ad 1) De brief van [verbalisant] betrof geen toezegging dat er geen aanhouding zou plaatsvinden. De inzet van dwangmiddelen en de afwegingen daaromtrent betreffen het exclusieve domein van het O.M.. Ad 2 en 5)Ten tijde van de voorgeleiding was het dossier betrekkelijk beperkt in omvang, maar het beeld dat gepresenteerd werd was niet onzorgvuldig en niemand is op het verkeerde been gezet. Het dossier is omvangrijker geworden, maar het beeld is niet anders geworden. Het O.M. stelt vast dat het voorgeleidingsdossier slecht toegankelijk was en beter had gekund. Het O.M. heeft zich niet verzet tegen toevoeging van stukken die door de verdediging zijn ingebracht. Ad 3) Verdachte had "derden" kunnen inschakelen om (ontlastende) stukken/archieven op te halen. Ad 4) De getuigen zijn in aanwezigheid van de verdediging door de rechter-commissaris gehoord en op een enkeling na hebben zij verklaringen afgelegd die overeenkomen met hetgeen zij reeds bij de politie hadden verklaard. Ad 5, 6,7 )Inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken zijn gemeld in het algemeen dossier. Vermeld is tevens wanneer Nederlandse opsporingsambtenaren aanwezig waren bij Belgische onderzoekshandelingen. Nederlandse opsporingsambtenaren hebben geen opsporingshandelingen verricht en hebben aldus artikel 152 Sv niet geschonden. Het is in het kader van internationale rechtshulp gebruikelijk dat onderling stukken worden uitgewisseld. De beslissing over de vervolging van verdachte in Belgie ligt buiten de rechtsmacht van de Nederlandse overheid. Tegen de toevoeging van de "Belgische stukken" door [verdachte] heeft het O.M. zich niet verzet, ofschoon deze in de visie van het O.M. irrelevant zijn voor de beoordeling van de verwijten aan verdachte. Ad 8) Het O.M. is uiterst terughoudend geweest met berichtgeving in de richting van de media en heeft niet onzorgvuldig gehandeld. In een kort geding is beslist dat het O.M. niet onrechtmatig heeft gehandeld. De schrijvers van het boek "Beleggen in gebakken lucht" hebben hun gegevens gebaseerd op openbare bronnen. Het BRO-jaarverslag is primair bedoeld ter interne verantwoording. Ad 9) Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. De verdediging heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt in reactie op het verweer van de verdediging. Ad 1) De inzet van dwangmiddelen, in casu de aanhouding, is ter beoordeling van de officier van justitie (artikel 54 Sv) en kan slechts in (zeer) uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld indien door gebruikmaking van het dwangmiddel de beginselen van een behoorlijke procesorde worden geschonden, consequenties hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie. Uit de brief van [verbalisant] kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat hij namens de officier van justitie spreekt. De brief bevat bovendien geen toezegging dat geen aanhouding zou plaatsvinden. Verdachte is op 8 januari 2008, gelijktijdig met de medeverdachten, aangehouden en doorzoekingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het optreden van politie en O.M., dat overigens ook reeds is in het kader van de voorlopige hechtenis is getoetst door de rechter-commissaris en de raadkamer, niet in strijd met de wet en/of beginselen van een behoorlijke procesorde is geweest. Dat de aanhouding in de privésfeer voor verdachte en zijn gezin een ingrijpende ervaring is geweest onderkent de rechtbank, maar maakt haar oordeel niet anders. Ad 2 en 3) De verdediging heeft aangevoerd dat de dossiervorming onevenwichtig is geweest, mede omdat het incompleet was en ontlastende bewijsmiddelen niet zijn opgenomen in het aanvankelijke voorgeleidings- en einddossier. Een voorgeleidingsdossier dient binnen beperkte tijd na de aanhouding opgemaakt te worden. Het is veelal opgebouwd uit aangiften, een aantal getuigenverklaringen, de (voorlopige) bevindingen van de politie en de eerste verhoren van de verdachten en is meestal nog niet volledig. In de loop van onderhavig strafrechtelijk onderzoek zijn zeer grote hoeveelheden administratie verzameld, in beslag genomen en onderzocht. Op basis van een "tussen"dossier dient te worden bezien of er tegen verdachten ernstige bezwaren bestaan en of er gronden zijn om voorlopige hechtenis toe te kunnen passen. Achtereenvolgens zijn de rechter-commissaris en de raadkamer steeds van oordeel geweest dat ter zake de omschreven feiten ernstige bezwaren bestonden tegen verdachte. De rechtbank heeft tijdens de daarop volgende pro forma zittingen een zelfde standpunt ingenomen op basis van de op dat moment beschikbare onderzoeksgegevens. De politie heeft uiteindelijk een eindproces-verbaal dossier opgemaakt waarin slechts een deel van de in beslag genomen stukken was opgenomen. Het O.M. heeft als aanvullende stukken nog bijlagen ingebracht die bij de verhoren van getuigen (investeerders) waren gebruikt maar waarvan was verzuimd deze aan het dossier toe te voegen. De verdediging is door het O.M. in de gelegenheid gesteld om alle niet aan het dossier toegevoegde stukken die in beslag waren genomen zelfstandig te onderzoeken en te verzoeken geselecteerde stukken aan het dossier toe te voegen. Ook is de verdediging in staat gesteld stukken die niet in beslag waren genomen, zoals de stukken bij de curator ([verdachte]) en die in een archief in [plaats] ([medeverdachte 1]) op gelijke wijze te onderzoeken en ook hier bestond de mogelijkheid het dossier aan te laten vullen met relevante resultaten van dit onderzoek . De verdediging in de zaken [medeverdachte 1] en [verdachte] heeft van deze mogelijkheid ruim gebruik gemaakt. Deze stukken hebben naar het oordeel van de rechtbank voornamelijk een aanvullende en verduidelijkende rol gespeeld. De rechtbank heeft zelf ook geconstateerd dat het politieproces-verbaal gebreken vertoonde. Het was deels niet genummerd en niet overal logisch van opbouw (de rechtbank noemt de projecten [HONG KONG HOLDING] en Bucephalus). Echter, het eindresultaat van deze werkwijze, waarbij het door de rechtbank aan de verdediging ruimhartig is toegestaan om stukken aan het dossier toe te voegen en daarnaast ook getuigen te doen horen door de rechter-commissaris, is dat het dossier ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de feiten ter zitting volledig was. Er is derhalve geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Ad 4) Zowel de investeerders, medewerkers van TPC, andere betrokkenen en de verdachten zijn door de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging gehoord. Tijdens die verhoren heeft de verdediging uitgebreid de gelegenheid al hetgeen van belang werd geacht aan de orde te stellen. Ad 5) Van de stukken die afkomstig zijn uit het "Belgische dossier" stelt de rechtbank vast dat deze geen nieuw licht werpen op de betrokkenheid van [verdachte] bij Bioblue en EOS maar aanvullende van aard. Zijn. Veel stukken bevinden zich al in het eindpv, zoals het proces verbaal van de Belgische politie over de € 30.000,- (zie faillissementsdossier) en de verklaring van [betrokkene 11]. De rol van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] blijkt al genoegzaam uit het politiedossier. De bijlagen bij de EOS-brochure zijn lezenswaardig, maar raken niet de kern van het verwijt. Ook de geselecteerde stukken uit de zogeheten Hong Kong stukken bevatten geen ontlastend materiaal. Voor de genoemde bankafschrijving van € 30.000,- wordt eveneens verwezen naar het faillissementsdossier. Ad 6) Reeds ter terechtzitting heeft de rechtbank zich over dit vraagstuk gebogen. De rechtbank herhaalt haar overwegingen (zittingsproces-verbaal 13 september 2010). In het dossier is in het algemeen proces-verbaal onder 4.4 een overzicht gegeven van welke rechtshulpverzoeken zijn gedaan en wat de rechtshulpverzoeken inhielden. Die informatie was al bekend vanaf april 2008, toen het dossier verspreid is. In het algemeen proces-verbaal is aangegeven dat die rechtshulpdossiers op het parket ter inzage aanwezig zijn. De verdediging heeft van de mogelijkheid om deze dossiers in te zien geen gebruik gemaakt. In de processen-verbaal van de verhoren en de doorzoekingen, zoals het verhoor van [betrokkene 1] en [betrokkene 11] in België in het Bioblue-dossier, staat vermeld welke Nederlandse verbalisanten bij de verhoren en de doorzoekingen aanwezig waren. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk op welke wijze de verhoren in het kader van de internationale rechtshulp zijn uitgevoerd. Niet is gebleken dat er zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die een meer uitgebreide verslaglegging noodzakelijk maakte. Ad 7) Anders dan de verdediging aanvoert, heeft de (staats)autonomie van de twee betrokken landen tot gevolg dat een officier van justitie zijn Belgische collega en/of de Belgische onderzoeksrechter geen opdrachten kan geven of anderszins kan inperken bij het wederzijds afstemmen van een vervolging in beide betrokken landen in geval van mogelijk (nauw) verwante strafbare feiten. Voor de officier van justitie is op dit onderdeel niet meer mogelijk dan een oriënterend overleg met de bevoegde Belgische justitiële autoriteiten. Een eventueel latere -in de visie van de verdediging- dubbele vervolging als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht dient in België in het kader van een eventueel later strafproces aldaar naar voren te worden gebracht. Op dit punt is dus niet gebleken van enig vormverzuim aan de zijde van het openbaar ministerie of van een (dreigende) schending van art. 6 van het EVRM door de Nederlandse autoriteiten. Ad 8) Ten aanzien van het verweer betreffende de berichtgeving in de media wordt het volgende overwogen. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte noodzakelijk is dat er door het openbaar ministerie, zeker in de fase dat er nog sprake is van verdenking, zorgvuldig wordt omgegaan met de berichtgeving in de verschillende media. Dat wil echter niet zeggen dat het openbaar ministerie geen enkele mededeling zou mogen doen. Bij beoordeling van de vraag of de berichtgeving voldoende zorgvuldig is geweest is de volgende berichtgeving van belang. - a: Op 7 januari 2008 is in een persbericht medegedeeld dat de Nederlandse en Belgische politie in totaal zeven personen hebben aangehouden die worden verdacht van een grote internationale beleggingsfraude. De verdachten vormden volgens de recherche een criminele organisatie die de afgelopen 10 jaar voor tientallen miljoenen euro's heeft gefraudeerd. - b: De persofficier is op 21 september 2009, de eerste dag van de inhoudelijke behandeling van de zaak, op uitnodiging van Nova door Nova geïnterviewd. Zij heeft verklaard dat de verdachten voor meerdere projecten geld hebben verworven en dat niet al het geld is terecht gekomen bij die projecten, gedeeltelijk wel, maar geld is ook voor andere doeleinden besteed. Verder heeft zij op de vraag om hoeveel geld het gaat niet, zoals de verdediging heeft aangevoerd, verklaard dat het om 100 miljoen zou gaan. Zij heeft geantwoord dat dat niet precies te zeggen is, omdat het om een constructie van een wirwar van vennootschappen zou gaan en geldstromen door allerlei landen. Zij verklaarde verder dat het O.M. is gestopt met het doen van onderzoek naar het geld, omdat het te ingewikkeld was. -c: Op internet zijn de jaarverslagen van 2007 en 2008 van het Bovenregionaal Rechercheoverleg (BRO) geplaatst. In 2007 wordt volstaan met de mededeling dat een grote beleggingsfraude zaak is gestart. In 2008 wordt als volgt verslag gedaan van het onderzoek. "Zeven verdachten zijn aangehouden. Uit het onderzoek bleek dat de twee hoofdverdachten voor tientallen miljoenen euro's hebben gefraudeerd. Ze spoorden beleggers aan te investeren in bedrijven waarvan zij deels eigenaar waren en lieten daarna deze ondernemingen failliet gaan. De BRZN toonde aan dat deze groep zich op grote schaal schuldig had gemaakt aan oplichting, verduistering, valsheid in geschrifte, witwassen en deelnemen aan een criminele organisatie." - d: In het boek "Beleggen in gebakken lucht" wordt de onderhavige zaak besproken. De rechtbank zal hier verder geen aandacht aan besteden omdat niet aannemelijk is geworden dat de informatie die in het boek is opgenomen afkomstig is van het openbaar ministerie. - e: Verder is er nog overgelegd een krantenartikel uit het Eindhovens Dagblad van 12 september 2008, waarin de toen op zitting aanwezige officier van justitie, niet zijnde de zaaksofficier, wordt geciteerd. De beide hoofdverdachten wordt verweten dat zij tien jaar lang bezig zijn geweest mensen op te lichten, waarbij tientallen miljoenen zijn verduisterd en waarbij verdachte [medeverdachte 1] financieel over lijken is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat bij de berichten onder a en b genoemd geen sprake is van onzorgvuldige berichtgeving. Uit de tekst volgt dat het hier om een verdenking gaat en er wordt door de persofficier genuanceerd gereageerd op vragen van de medewerker van Nova. Het jaarverslag van het BRO uit 2008 bevat conclusies over de verdachten die stelliger geformuleerd zijn dan zou passen bij de status van het verdachte zijn. Het betreft hier echter geen mededeling van de officier van justitie met als doel de media te voorzien van informatie, maar een intern stuk van de BRO. Daar staat tegenover dat, omdat het stuk op internet is geplaatst, het daarmee voor een ieder toegankelijk is. Een meer terughoudende tekst was daarom op zijn plaats geweest. Dit laatste geldt ook voor de mededelingen van de officier van justitie op de pro forma zitting van 11 september 2008. Verduistering is uit de tenlastelegging geschrapt. Het is onder die omstandigheid onzorgvuldig om op zitting in aanwezigheid van de pers verdachte de verduistering van tientallen miljoenen euro te verwijten en genoemde ongenuanceerde uitlatingen te doen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door deze ongenuanceerde uitlatingen niet zodanig in zijn belang is geschaad dat van een eerlijke behandeling van zijn zaak geen sprake meer is. De rechtbank betrekt daarbij dat er ook toen ernstige bezwaren tegen verdachte waren ter zake de oplichting van investeerders die daardoor grote geldbedragen hadden verloren. De rechtbank zal dan ook het beroep op niet-ontvankelijk vanwege onzorgvuldige berichtgeving verwerpen. Ad 9) Vooropgesteld wordt dat het opportuniteitsbeginsel, neergelegd in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering, het O.M. het recht geeft om na een gebleken wetsovertreding al dan niet over te gaan tot vervolging van een verdachte. De rechtbank kan de beslissingen van de officier van justitie slechts in beperkte mate toetsen, in essentie of er sprake is van een rechtmatig gebruik van de bevoegdheid. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan die rechtmatigheid aantasten. Van een dergelijke schending zou sprake kunnen zijn indien de officier van justitie bij een aantal gelijke gevallen deze verdachte wel zou vervolgen en een of meer ander(
  3. en)niet. De enkele omstandigheid dat derden van wie de gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden kunnen zijn niet worden vervolgd, maakt niet dat er sprake is schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank zal nog afzonderlijk ingaan op de rol van verdachte binnen de ten laste gelegde projecten, maar voorafgaand daarop overweegt zij nu reeds dat de door de verdediging genoemde personen allen een andere betrokkenheid hebben bij de delicten dan verdachte. Daarom is er niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moet worden verworpen. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering en dat bij het onderzoek ter terechtzitting voorts geen gronden zijn gebleken voor schorsing van de vervolging. De bewijsmiddelen, de beoordeling daarvan en de bewezenverklaring. Opmerking vooraf. In een bijlage bij dit vonnis zal de rechtbank een overzicht geven van de bronnen voor de bewijsmiddelen en de gebruikte afkortingen. TPC International B.V. TPC International B.V. (hierna verder te noemen TPC) was een bedrijf in vermogensbeheer en bedrijfsadvisering dat door [verdachte] in 1995 is opgericht. Het bedrijf stond onder toezicht van de AFM en DNB. TPC hield zich bezig met formele beleggingen, in aandelen en obligaties, en informele beleggingen. De formele beleggingen maakten ongeveer 85% uit van het door TPC geadministreerde vermogen, de informele beleggingen ongeveer 15%. De investeerders waren over het algemeen tevreden over de resultaten van de formele beleggingen. De informele beleggingsprojecten zijn gedeeltelijk niet succesvol geweest. De verdenkingen in deze strafzaak zijn gericht op deze informele projecten. De inkomsten van TPC waren afkomstig van de vergoeding van 1% van het door TPC beheerde vermogen. TPC kon met de formele beleggingen zelfstandig aan- en verkooptransacties verrichten binnen het kader van de in het vermogensbeheercontract gemaakte afspraken. Informele beleggingen konden alleen met tussenkomst van de cliënt gekocht en verkocht worden. De cliënt ging een overeenkomst aan met het desbetreffende bedrijf en de cliënt maakte zelf het geld over, ofwel rechtstreeks naar het bedrijf, ofwel naar een derdenrekening. Alle afspraken met de cliënten werden schriftelijk vastgelegd. Bij de aanvang werd een cliëntenprofiel gemaakt waarin het beleid en de afspraken vastlagen en de cliënten ontvingen 4 keer per jaar een kwartaalrapportage. De profielen werden regelmatig bijgesteld, in overleg met de cliënten. Bij het begin van de relatie met cliënt werd een vermogensbeheercontract getekend met bijlagen. Zowel de overeenkomst als de bijlagen werden apart getekend. In de bijlagen ging het met name om het vastleggen van de soorten beleggingen en risico's. Per 31 mei 2005 is TPC gestopt met alle vermogensbeheeractiviteiten en is TPC doorgegaan met het verzorgen van effectenadministraties1. Op 25 januari 2006 is TPC failliet verklaard. De rechtspersoon TPC: [holding van verdachte]was sinds 3 september 2004 enig aandeelhouder van TPC. [verdachte] was directeur van TPC. De volgende gevolmachtigde bestuurders zijn bij TPC betrokken geweest: [betrokkene 12] van 1 november 1999 tot 14 april 2004; [betrokkene 13] van 1 januari 2003 tot 31 augustus 2004; [betrokkene 14] van 1 januari 2003 tot 28 april 2004; [medeverdachte 2] van 1 juni 2003 tot 30 november 2005; [medeverdachte 3] van 1 juni 2003 tot 1 juni 2005; [medeverdachte 4] van 1 juli 1999 tot 30 november 20052. [betrokkene 12], [betrokkene 13], [betrokkene 14] en daarnaast ook [betrokkene 15] en [betrokkene 16] fungeerden binnen TPC als vermogensbeheerders/klanten- of relatiebeheerders/accountmanagers3. De rollen van [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zullen hierna worden besproken. Datzelfde geldt voor de rol van [medeverdachte 1] die tot op heden onbesproken is gebleven. Hun betrokkenheid bij de strafbare feiten en hun rol binnen de informele projecten zullen bij de bewijsoverwegingen nog aanvullend worden behandeld. Binnen TPC waren als werknemers verder o.a. [getuige 1] en [getuige 2] in dienst. [getuige 1] deed de effectenadministratie en correspondentie voor de vermogensbeheerders en werkte direct onder [medeverdachte 3]. [getuige 2] was gedurende een half jaar de chauffeur van [verdachte]4. Om gezamenlijke informele projecten te begeleiden (o.a. Radiant Pictures B.V., Bioblue en TTS) is Advantis Holding B.V. (hierna Advantis) opgericht. [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [verdachte], [betrokkene 4] en [betrokkene 3] participeerden via hun holdingen in Advantis5. [betrokkene 4] heeft als administrateur en belastingadviseur werkzaamheden voor TPC verricht en is via Advantis betrokken geraakt bij informele projecten. Ditzelfde geldt voor [betrokkene 3]. De rolverdeling: [verdachte] was eigenaar directeur en enig aandeelhouder van [holding van verdachte] en deze holding was 100% aandeelhouder van TPC. [verdachte] was directeur van TPC. Daarnaast had [verdachte] via zijn holding een belang van 30% in Advantis Group Holding B.V6. [verdachte] heeft zelf verklaard dat hij algemeen manager was binnen TPC en dat in het algemeen de macht bij de algemene vergadering van aandeelhouders ligt dus in het geval van TPC bij [holding verdachte], dus bij hemzelf7. Over de feitelijke rol van [verdachte] binnen TPC hebben ook voornoemde personen verklaringen afgelegd. Zo heeft [medeverdachte 2] verklaard dat [verdachte] algemeen directeur was van TPC, dat [verdachte] het woord deed en alles van [verdachte] af kwam8. [betrokkene 4] heeft verklaard dat binnen TPC [verdachte] de baas was9. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] de dirigent was van het geheel; [verdachte] was vermogensbeheerder, verkoper en projectmanager10. [medeverdachte 3] is in september 1999 in dienst getreden van TPC en hij is vanaf 1 juni 2003 middels [holding medeverdachte 3] aldaar werkzaam geweest; hij was vanaf die datum ook statutair directeur van TPC. Via zijn holding had [medeverdachte 3] aandelen in Advantis Group Holding en was daarvan directeur11. [medeverdachte 3] is op 1 september 1999 bij TPC begonnen als junior relationship manager. In het begin heeft hij zich alleen bezig gehouden met het voeren van de beleggingsadministratie voor de klanten van TPC. Vanaf 2001 is hij met [verdachte] geleidelijk ook meegegaan naar klanten en maakte hij de verslagen van die bezoeken. Hij gaf daarnaast leiding aan de (vrouwelijke) medewerkers belast met de beleggingsadministratie. [medeverdachte 3] heeft tot 31 mei 2005 voor TPC gewerkt12. Over de rol van [medeverdachte 3] heeft [getuige 1] verklaard dat [medeverdachte 3] de schakel was tussen de backoffice en [verdachte], dat [medeverdachte 3] overzicht had over de projecten en prospectussen maakte op basis van informatie die [verdachte] aanleverde13. [medeverdachte 4] is in 1996 in dienst getreden bij TPC en hij is daar vanaf 2003 door middel van [holding medeverdachte 4] tot 1 december 2005 werkzaam geweest. Hij was vanaf 1 juni 2003 ook statutair directeur van TPC. Daarnaast had [medeverdachte 4] via zijn holding een deelneming in de Advantis Group B.V. en was daarvan directeur14. [medeverdachte 4] was office manager en deed de interne boekhouding van het bedrijf en de bedrijfsadministratie. Ook hield hij klantendossiers bij15. Hij verzorgde samen met [medeverdachte 3] daarnaast administratieve werkzaamheden voor de informele projecten, zoals het maken van prospectussen16. [medeverdachte 2] is op 1 juni 2003 voor TPC gaan werken. Hij was vermogensbeheerder voor de klanten die hij uit hoofde van een eerdere functie zelf reeds had. Hij heeft aan zijn klanten ook informele projecten aangeboden17.[medeverdachte 2] is op verzoek van [verdachte] en [medeverdachte 1] bestuurder van het informele project Bucephalus geworden18. Bij de bespreking van de oplichting van [aangever 1] zal de rechtbank nader op die rol ingaan. Voor de volledigheid merkt de rechtbank over TPC nog op dat het O.M. in zijn requisitoir TPC als kernlid van de criminele organisatie heeft bestempeld, maar dat het O.M. TPC uitdrukkelijk niet als de criminele organisatie beschouwt. De rol van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1], van beroep advocaat, verrichtte werkzaamheden voor TPC en Advantis. Dit werk bestond onder meer uit juridische advisering19. Daarnaast was [medeverdachte 1] ofwel als natuurlijke persoon ofwel via een van zijn rechtspersonen betrokken bij de informele projecten20. De rechtbank zal bij de bespreking van het door de verdediging gevoerde verweer over diens rol en voorts in de bewijsoverwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten nader ingaan op de rol van [medeverdachte 1]. Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog dat [medeverdachte 1] per 16 oktober 2006 op eigen verzoek is uitgeschreven als advocaat21. Bespreking van feit 2, de ten laste gelegde oplichtingen. De rechtbank zal verdachte op een onderdeel vrijspreken en zal enkele verweren over de oplichtingen in het algemeen bespreken. Daarna zullen de afzonderlijke ten laste gelegde oplichtingen per informeel project worden besproken en zullen conclusies worden getrokken. Partiële vrijspraak feit 2 (belangenvermelding). Verdachten wordt in de projecten [HONG KONG HOLDING], [BEDRIJFSNAAM], Radiant, Bioblue en TTS verweten dat zij hebben nagelaten te vermelden dat zij financiële belangen hadden in het project. Bij het onderzoek ter terechtzitting hebben de verdachten verklaard dat aan de investeerders is medegedeeld dat [verdachte] en [medeverdachte 1] via hun persoonlijke vennootschappen belangen hadden in de informele projecten. Hierin werd niet een belangentegenstelling gezien, maar men zag het zoals [verdachte] heeft verklaard als een parallel belang. Door een belang te hebben in de onderneming werd de betrokkenheid bij de onderneming getoond. Het was op deze manier mogelijk om controle te houden op de gang van zaken binnen het project en dat was in het belang van de investeerders. Verschillende investeerders hebben verklaard dat ze het positief vonden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] belangen hadden in de onderneming. In hun geval is er geen verband tussen het bewegen van investeerders tot de investering en het niet vermelden van de belangen. Enkele investeerders hebben verklaard dat zij er niet van op de hoogte waren dat [verdachte] en [medeverdachte 1] belangen hadden in Radiant. De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat de verdachten in die gevallen deze melding hebben nagelaten omdat zij wilden voorkomen dat de investeerders om die reden niet zouden deelnemen in het project. Daarom zullen verdachten in de genoemde projecten worden vrijgesproken van het verwijt dat zij hun belangen niet hebben vermeld. Verweer eigen verantwoordelijkheid van de investeerder. Door de verdediging is aangevoerd dat de aangevers/benadeelden zelf een onderzoeksplicht hadden en niet zonder meer konden vertrouwen op de informatie die hen schriftelijk en mondeling is gegeven. De meeste investeerders hebben een goede opleiding genoten, verschillende investeerders zijn zelfs financieel goed onderlegd. Zij moeten dan ook in staat worden geacht om de aangeboden informatie zelf kritisch te beoordelen. De rechtbank overweegt als volgt. Een vermogensbeheerder dient zijn cliënt op passende wijze te informeren over inhoud en risico's van de aangeboden beleggingen/investeringsmogelijkheden. De bij de aanbieder aanwezige relevante informatie dient beschikbaar te worden gesteld aan de aspirant-beleggers. De overgedragen informatie dient dus volledig en juist te zijn. Ook dient een adequaat beeld geschetst te worden van de aan de investering verbonden risico's. Deze uitgangspunten/normen komen terug en zijn verder uitgewerkt in de nadere regelgeving van de AFM. Aan deze informatievoorziening kunnen hogere eisen worden gesteld indien, zoals in een aantal projecten in deze strafzaak, verdachten tevens de bedenkers/initiatiefnemers zijn van het project waar de investering betrekking op heeft, dan wel werkzaam zijn bij het bedrijf dat die investeringen aanbiedt. Vooral bij aanvullende fondsverwerving binnen een project, waarbij er dus bij verdachten al kennis is van het verloop van het project tot dan toe, dient de voorlichting een volledig en reëel beeld te geven van het project, ook waar dat betreft de eventuele verliezen tot dan toe. Indien dergelijke informatie niet wordt gegeven, of door het geven van onjuiste en/of onvolledige informatie een te positief beeld wordt geschetst van de investeringsmogelijkheid kan sprake zijn van oplichting indien de aanbieder weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de feitelijk verstrekte informatie onjuist en onvolledig is. Daarbij kan tevens acht worden geslagen op hetgeen door verdachte of zijn mededader(
  4. s)mondeling is medegedeeld. De rechtbank deelt de mening dat de investeerders een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het beoordelen van het beleggingsproject niet in de gevallen dat door de verstrekte informatie aantoonbaar een onjuiste en/of onvolledig beeld wordt geschetst. Verweer wederrechtelijke bevoordeling. De verdediging heeft kort gezegd aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het oogmerk heeft gehad op wederrechtelijke bevoordeling. De rechtbank deelt dit standpunt van de verdediging niet maar volgt de officier van justitie in hetgeen door hem in repliek is aangevoerd. Door beleggers zijn op voorspraak van verdachte en/of zijn medeverdachte(
  5. n)miljoenen euro's geïnvesteerd in projecten als BioBlue, Brand Names, Bucephalus, Radiant, [HONG KONG HOLDING] en TTS. Deze ondernemingen hebben met die kapitaalinjecties voordeel genoten. Daarnaast ontving TPC International B.V. 1% van het geïnvesteerde bedrag als vergoeding. [verdachte] en [medeverdachte 1] ontvingen inkomsten of vergoedingen uit de verschillende projecten in de vorm van managementfee's, vergoeding voor de infrastructuur, commissievergoeding of declaratie voor gewerkte uren. In sommige projecten hadden zij de mogelijkheid om op gunstiger voorwaarden dan de overige beleggers aandelen te verkrijgen. In de bewijsoverwegingen met betrekking tot de afzonderlijke projecten zal de rechtbank per project de bewijsmiddelen voor het bestanddeel van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling behandelen. Omdat [verdachte] en [medeverdachte 1] deze inkomsten niet zouden hebben verkregen indien zij de investeerders niet hadden opgelicht beschouwt de rechtbank deze inkomsten als wederechtelijk verkregen voordeel. Projecten P.I.M. Associates Ltd. en/of [Hong Kong holding] De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2A) Met betrekking tot de projecten P.I.M. Associates Ltd. en/of [Hong Kong holding] heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededader(
  6. s)met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2005 in Venlo, en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, en/of China en/of Hong Kong [aangever 2], [aangever 3], [aangever 4], [aangever 5], [aangever 6]en anderen bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid: - niet te vermelden dat verdachte en zijn mededaders financiële belangen hadden in genoemde projecten; - het geven van een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de risico's verbonden aan het verstrekken van een lening aan/het kopen van een aandelenbelang/het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in genoemde ondernemingen; - misbruik te maken van bij genoemde beleggers/investeerder opgewekt vertrouwen; - mee te delen/de indruk te wekken dat P.I.M. Associates Ltd. en de (rechts)opvolger [Hong Kong holding] de vrije beschikking zouden hebben over een licentie- overeenkomst voor onbepaalde tijd voor de productie, distributie en verkoop van kleding voorzien van het Greenpeace logo; - mee te delen/de indruk te wekken dat P.I.M. Associates Ltd., mede dankzij het Greenpeace-project, winst had gemaakt en dat investeerders in P.I.M. Associates Ltd. hun oorspronkelijke inleg vermeerderd met een rendement van 25% hadden ontvangen/zouden ontvangen. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven. Aansluitend zal een zakelijke weergave van de bewijsmiddelen worden gegeven. Allereerst zullen daarbij de beleggingen/investeringen van de in de dagvaarding genoemde personen worden beschreven. Naast het bedrag zal tevens worden aangegeven op welke datum het geld beschikbaar is gesteld. Vervolgens zal worden vermeld wat de aangevers/getuigen hebben verklaard over de informatie die zij hebben ontvangen van de zijde van TPC, wie die informatie heeft verschaft, en wanneer dit heeft plaats gehad. Dan zal worden aangeven welke schriftelijke informatie van de zijde van TPC is opgesteld. Bij die bespreking zullen met name die passages genoemd worden die later in het vonnis aan de orde zullen komen. Vervolgens zullen de jaarstukken van PIM (1998-1999) en [HONG KONG HOLDING] (1998 tot en met 2003) zakelijk worden weergegeven. In het daarop volgende deel zal een aantal aspecten uit de schriftelijke informatie nader worden besproken, waarbij de rechtbank zal aangeven waarom zij die bepaalde uitlatingen voor de beleggers/investeerders onjuist en/of misleidend acht. Om de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van [verdachte] en/of [medeverdachte 1] in dit feitencomplex vast te stellen is het nodig om vast te stellen of hij/zij wist(
  7. en)van de werkelijke situatie binnen [HONG KONG HOLDING] en of hij/zij op basis van zijn/hun formele en materiële positie hij/zij heeft/hebben ingenomen binnen de [HONG KONG HOLDING]-structuur zelf handelden of anderszins de feitelijk zeggenschap hadden. Om die reden zal een aantal bewijsmiddelen worden vermeld die naast de formele ook de feitelijke gang van zaken beschrijven rond [verdachte] en [medeverdachte 1] vanaf de start van het Greenpeace-project tot de laatste (directe) investeringsronde voor [HONG KONG HOLDING] in de periode april - augustus 2003. Tenslotte zal worden bezien of en zo ja welk wederrechtelijk voordeel [verdachte] en/of [medeverdachte 1] en/of derde(
  8. n)heeft/hebben gehad door het handelen van [medeverdachte 1] en/of [verdachte]. Gelet op de complexiteit van het [HONG KONG HOLDING]-dossier, zal de rechtbank op een aantal punten al afsluiten met haar oordeel op dit punt. De rechtbank zal vervolgens afsluiten met haar beslissingen en de motivering ervan. (Standpunten.......) Geldigheid dagvaarding Het antwoord op de vraag of de tekst van de dagvaarding voldoende feitelijke informatie bevat, dient naast de tekst van de tenlastelegging zelf te worden beoordeeld op basis van de inhoud van het dossier en van de bespreking van de feiten ter terechtzitting. Uit de tekst van de dagvaarding blijkt niet alleen op welke personen de officier van justitie zijn verwijt toe heeft gesneden, maar blijkt ook welke concrete aspecten van het gedrag en de uitlatingen van verdachten het openbaar ministerie aan de rechter ter beoordeling wilde voorleggen. Ook uit de behandeling ter zitting blijkt dat [verdachte] heeft begrepen welke gedragingen aan hem worden verweten. Onder deze omstandigheden voldoet de dagvaarding aan de eisen die art. 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de gestelde eisen. Voor een goed begrip van het verdere subdossier [HONG KONG HOLDING] volgt hier een beknopte uiteenzetting van de in dit subdossier voorkomende bedrijfsnamen en hun onderlinge verhouding. [Hong Kong holding] (verder [HONG KONG HOLDING]) fungeert als Pagina: 15 [0] Holding met dochters in Nederland en Sjanghai. Kewl is in de loop van het jaar 2000 ingebracht in [HONG KONG HOLDING] Nederlandse [HONG KONG HOLDING]-bedrijven: betreffen [HONG KONG HOLDING] Retail BV (kledingwinkels), ACC BV (groothandel, import en verkoop van o.a. Duncan Jeans en Leopard sportkleding), voorheen Kewl Clothing. De productie-eenheid in Shanghai, een joint venture waarvan het overgrote deel van de aandelen aan [HONG KONG HOLDING] ltd. toebehoort in de ten laste gelegde periode, staat bekend als [Shanghai vennootschap], afgekort tot [SHANGHAI VENNOOTSCHAP]. (.........) Beoordeling Partiële vrijspraak. Uit de door [medeverdachte 1] overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat Greenpeace geen bezwaar heeft gemaakt tegen de het feit dat de licentieovereenkomst werd uitgevoerd door PIM. Greenpeace heeft uitdrukkelijk de eerder gedane bestelling bevestigd richting PIM. Of de licentieovereenkomst daarmee vrij overdraagbaar was, valt te bezien. Een dergelijke wijziging kan immers niet zonder instemming van de wederpartij, in casu Greenpeace. Van misleiding van de investeerders is echter een sprake omdat Greenpeace de rechten uit de licentieovereenkomst kon uitoefenen, zodat vrijspraak op dit onderdeel dient te volgen. Overige beoordelingen. Alle investeerders hebben verklaard dat door [verdachte] en soms ook [medeverdachte 1] mondeling is aangegeven dat de risico's beperkt dan wel (nagenoeg) afwezig waren. Ook hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] nagelaten de investeerders juiste informatie te verschaffen. In de brochures uit juni 2000, januari 2001 en juli 2001 over de mogelijkheid tot beleggen in [HONG KONG HOLDING] staan aantoonbare onjuiste, onvolledige en misleidende teksten. Ook bij gelegenheid van de bijeenkomst in Cuijk op 12 april 2003 is onjuiste en anderszins misleidende informatie verstrekt aan de daar aanwezige beleggers/investeerders in [HONG KONG HOLDING] . De rechtbank doelt dat met name op de volgende gedeelten uit die brochures/presentatie. In de brochures uit 2000 en 2001, maar ook tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 werd niet vermeld dat [HONG KONG HOLDING] en P.I.M. vanaf de oprichting 1998/1999 structureel verliesgevend waren geweest In de brochure van juni 2000 wordt verder ten onrechte vermeld dat de fabriek in Shanghai nagenoeg vanaf het begin winstgevend is geweest. Uit de beschikbare jaarstukken van de fabriek in Shanghai en de verklaring van [betrokkene 17], [betrokkene 8] en [betrokkene 18] volgt dat de fabriek in Shanghai geen winst heeft gemaakt in de periode tot en met 2003. De rechtbank verwijst voor de financiële situatie bij de fabriek naar hetgeen hierover bij het project Bucephalus wordt besproken. In ditzelfde stuk van juni 2000 wordt gesteld dat de investeerders in het Greenpeace-project "het ingelegde geld + 25 % werd uitgekeerd". Dit laatste is waar voor wat betreft de hoogte van het geldbedrag, maar uit onderzoek van de politie blijkt dat deze uitkeringen plaatsvonden vanaf de rekening van [HONG KONG HOLDING] en pas nadat beleggers (op)nieuw geld hadden geïnvesteerd in [HONG KONG HOLDING], en niet uit de zakelijke resultaten van PIM. In de brochure van januari 2001 wordt opnieuw op misleidende wijze verwezen naar het Greenpeace-project. Door in een tekst de zinsnede "de eerste onderneming, die werd gefinancierd door achtergestelde, hoogrentende leningen met een bedrijfswinstafhankelijke component "(cursivering door
  9. rb)te combineren met de zinsnede (...looptijd van iets meer dan een jaar en in april werd aan alle investeerders hun originele inleg terugbetaald, vermeerderd met maar liefst 25%. (cursivering door
  10. rb)Hierboven is reeds aangegeven waarom deze mededeling onvolledig en misleidend is. Hetzelfde is het geval met de mededeling ter zake de fabriek in Shanghai: die was (in elk geval) toen niet winstgevend. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren van de onjuistheden en het misleidende karakter van die mededelingen en teksten op de hoogte. Zij droegen niet alleen kennis van de financiële situatie binnen [HONG KONG HOLDING], maar waren uiteraard ook op de hoogte van de winst- en verliesrekeningen van PIM en [HONG KONG HOLDING]. Verder waren zij -aanvankelijk als directeur, maar ook daarna (al dan niet als directeur en/of lid van de supervisory board) feitelijk in staat om beslissingen te nemen en deden dat ook. De rechtbank leidt dit af uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 8], [getuige 1], [getuige 3], [betrokkene 17], [getuige 4], [getuige 5] en [betrokkene 19]. Dit beeld wordt bevestigd door schriftelijke stukken, zowel op het gebied van de gezamenlijke besluitvorming binnen de (feitelijke) aansturing van [HONG KONG HOLDING] als voor wat betreft de wetenschap over de financiële situatie van [HONG KONG HOLDING]. Uit die verklaringen en schriftelijke stukken volgt ondubbelzinnig dat [medeverdachte 1] en [verdachte] gedurende de gehele periode 2000 - 2003, de periode waarin er geld werd geïnvesteerd door beleggers door tussenkomst van [verdachte]/TPC, feitelijk de zeggenschap hadden binnen [HONG KONG HOLDING]. De rol van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] is op grond van de geciteerde verklaringen en stukken gedurende de gehele periode niet veranderd ook al zijn [medeverdachte 1] in de loop van 2001 en [verdachte] per 1 augustus 2002 formeel teruggetreden als directeur van [HONG KONG HOLDING]. In de brochures van januari 2001 en juli 2001 staat overigens vermeld dat [medeverdachte 1] bestuurder is van [HONG KONG HOLDING]. (p. 7 brochure januari 2001, p. 9 brochure juli 2001). De hierboven genoemde getuigen bevestigen deze rol van [medeverdachte 1], maar ook [verdachte] bevestigt in zijn hierboven geciteerde verklaring als getuige bij de rechter-commissaris dat [medeverdachte 1] mede-ondernemer was in het [HONG KONG HOLDING]-project. Tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 is naar de aanwezige investeerders toe ten onrechte de indruk gewekt dat het kapitaalverlies binnen [HONG KONG HOLDING] is veroorzaakt door [betrokkene 8] en dat deze problemen voor [medeverdachte 1] en [verdachte] in februari 2003 als een verrassing kwamen. Uit de verklaring van [betrokkene 8], maar met name uit de hierboven genoemde stukken uit de periode 2001 tot en met najaar 2002 volgt dat [medeverdachte 1], [verdachte] en [betrokkene 8] gezamenlijk hebben besloten overnames te doen en dat zij daar alle drie nauw en intensief bij betrokken waren. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] zich tegenover derden heeft opgesteld als de advocaat van [HONG KONG HOLDING], maakt dat niet anders. Verdachten hebben, ondanks deze kennis van de werkelijke toestand, schriftelijk maar ook mondeling in 2000 en 2001 mededelingen gedaan die er op neerkwamen dat beleggen in [HONG KONG HOLDING] een weinig risicovolle, veilige en zeer winstgevende belegging was. De getuigenverklaringen van de beleggers/investeerders over deze mededelingen geven een min of meer eenduidig beeld. Ook tijdens de bijeenkomst op 12 april 2003 is de ware gang van zaken niet verteld aan de investeerders. Met name de eigen betrokkenheid bij de tegenvallende resultaten werd bewust verzwegen. De cliënten hadden een groot (persoonlijk) vertrouwen in [verdachte] en mochten dat ook hebben, gelet op zijn staat van dienst als bankier en (nadien) zijn positie als vermogensbeheerder. De (positieve) resultaten binnen het formele vermogensbeheer door TPC/[verdachte] zullen ongetwijfeld het vertrouwen van deze beleggers/investeerders in [verdachte] hebben vergroot. Daardoor waren de beleggers/investeerders nog meer geneigd om te vertrouwen op de inhoud van de adviezen van [verdachte] en de brochures van [HONG KONG HOLDING] Ook op 12 april 2003 werd ten onrechte het beeld geschetst dat [verdachte] en [medeverdachte 1] "schone handen"hadden met betrekking tot de problemen van [HONG KONG HOLDING] en daarmee werd de investeerders geen eerlijk beeld gegeven inzake de risico's van verder investeren in [HONG KONG HOLDING]. Omdat, zoals hiervoor al is vastgesteld, [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat hetgeen dat werd verteld tegen investeerders en/of werd opgenomen in de brochures en de presentatie onjuist en onvolledig was, hebben zij beiden opzettelijk gehandeld bij het verstrekken van deze onjuiste en onvolledige gegevens . Beiden waren volledig geïnformeerd over de financiële werkelijkheid binnen [HONG KONG HOLDING] en beiden kenden de inhoud van de brochures en presentatie. [medeverdachte 1] bleef gedurende de ten laste gelegde periode -in nauwe en volledige samenwerking met [verdachte]- de aansturende kracht binnen [HONG KONG HOLDING] en hij en [verdachte] bepaalden de koers van [HONG KONG HOLDING]. Beiden hadden een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Dit is voldoende om te kunnen spreken van medeplegen. Het begrip "zichzelf of een ander te bevoordelen" is niet alleen van toepassing indien niet verdachte voor zichzelf of een mededader direct persoonlijk geldelijk voordeel behaalt, maar kan er ook in bestaan dat derden, zoals in deze zaak de beleggers/investeerders door toepassing van oplichtingsmiddelen worden overgehaald om hun geld toe te vertrouwen aan verdachten ten behoeve van het [HONG KONG HOLDING]-project en/of daaraan gelieerde dochtervennootschappen. Beide verdachten hebben bovendien in de periode 2000 tot en met 2003 ook rechtstreeks geldelijke voordeel gehad. [verdachte] ontving via zijn bedrijf TPC van alle beheerde gelden de algemene beheervergoeding van (doorgaans) 1% TPC. TPC en/of [verdachte] ontvingen bovendien aanvullende fee's. Zo kreeg [verdachte]/TPC een fee van 3% bij een aantal investeringsronden ten behoeve van [HONG KONG HOLDING], zoals onder meer een bedrag van f. 880.000,-- zoals blijkt uit de geciteerde jaarstukken over 2001. Voor zowel [medeverdachte 1] als [verdachte] geldt bovendien dat zij in het project [HONG KONG HOLDING] een aanzienlijk aandelenbelang tegen nominale waarde hebben verkregen, terwijl andere beleggers/investeerders (zeer) veel meer per aandeel hebben betaald. [medeverdachte 1] en [verdachte] behielden in 2000 aldus een wezenlijk belang in [HONG KONG HOLDING], terwijl de andere beleggers (het overgrote deel van) het geld bijeenbrachten waarmee het hele project werd uitgevoerd. [betrokkene 8], [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben in 1998 hun aandelen tegen de nominale waarde van 1 HK $ per aandeel (ongeveer f 0,25) verkregen, terwijl door de andere, latere, aandeelhouders (eind 2000) ruim f 107,-- per aandeel is betaald. Door de raadslieden is aangevoerd dat de resultaten zoals weergegeven in de jaarlijkse winst-en verliesrekeningen van PIM en/of [HONG KONG HOLDING] niet te vergelijken zijn met een Nederlandse winst- en verliesrekening. De rechtbank merkt daarbij op dat er -kennelijk met instemming van [verdachte] en [medeverdachte 1] zelf - door de Chinese accountant in eerdere jaarstukken wel acht is geslagen op de resultaten van de Nederlandse dochter-vennootschappen en dat deze zijn betrokken in de winst- en verliesrekening van [HONG KONG HOLDING]. Verder is niet onderbouwd , noch anderszins aannemelijk geworden, op welke wijze de winst- en verliesrekening van [HONG KONG HOLDING] blijvend negatief zou zijn beïnvloed door de in de jaarrekening gebruikte waarderingsgrondslagen. Zelfs indien het verwerken van bepaalde financiële gevolgen van bedrijfsmatige activiteiten in een ander boekhoudkundig systeem pas op een later tijdstip mogelijk is, bij voorbeeld pas na daadwerkelijk verkoop of levering van goederen en/of betaling daarvan, dan leidt dat nog niet tot een (blijvend) lager resultaat. Een winstgevende bedrijfsactiviteit zal dan hooguit pas later blijken in de boekhouding. In elk geval zal ook het Chinese boekhoudkundig systeem niet leiden tot blijvend verliesgevende en/of structureel lagere bedrijfsresultaten dan de werkelijke. De omstandigheid dat ook in Hong Kong en China een vorm van belastingheffing is gebaseerd op bedrijfsresultaten, zie immers de winst- en verliesrekeningen, maakt het meer dan aannemelijk dat ook daar een volledige en betrouwbare vastlegging van bedrijfsresultaten in een boekhouding verplicht is. De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 februari 2000 tot en met 31 augustus 2003 in Nederland en China en Hong Kong tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, mevrouw [aangever 2] en mevrouw [aangever 3] en [aangever 4] en mevrouw [aangever 5] en de heer [aangever 6]heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid - een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang en/of het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in genoemde onderneming [Hong Kong holding] en - misbruik gemaakt van het bij die beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen en - de indruk gewekt dat P.I.M. Associates Ltd., mede dankzij het Greenpeace-project, winst had gemaakt en dat dientengevolge de investeerders in P.I.M. Associates Ltd. hun oorspronkelijke inleg (de door hen verstrekte lening) vermeerderd met een rendement van 25% (bestaande uit 12% rente en 13% winstrecht) hadden ontvangen; Project Brand Names De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2B) Met betrekking tot het project Brand Names heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededader(
  11. s)met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode van 1 september tot en met 1 april 2005 in Venlo, en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland en/of Hong Kong, [aangever 7], [aangever 8], [aangever 9] en [aangever 10] bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid: - mee te delen/de indruk te wekken dat het investeringsvoorstel van het project afkomstig zou zijn van een accountant in Hong Kong; - de indruk te wekken dat de risico's van de investering in het project gering waren; - mee te delen/de indruk te wekken dat met de ingelegde gelden de merken Duncan Jeans en Leopard dan wel het recht op royaltyinkomsten van die merken zouden worden aangekocht; - in strijd met eerder gemaakte afspraken gelden die als lening waren verstrekt om te zetten in aandelen van Top Trade (International) Ltd. te Hong Kong; - mee te delen/de indruk te wekken dat er na inleg van gelden royaltyinkomsten ten bedrage van 188.500,- euro waren van de merken Duncan Jeans en Leopard. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van de officier van justitie en de verdediging weergeven. Aansluitend volgt een korte beschrijving van het project Brand Names Vervolgens zullen de verklaringen van de aangevers worden besproken. Daarbij zal het tijdstip en omvang van hun investering aan de orde komen. Tevens zal worden weergeven op grond van welke feiten en omstandigheden ieder van hen besloot te investeren in dit project. Daarna zal worden ingegaan op de rol van de verdachten binnen Brand Names, waarbij niet alleen aandacht zal worden besteed aan het tijdvak voorafgaand aan de daadwerkelijke investeringen, maar ook zal in beperkte mate aandacht worden besteed aan handelen in de periode daarna. De rechtbank zal afsluiten met haar beslissingen en de motivering ervan. (Standpunten .......) Brand Names project Dit investeringsproject heeft betrekking op exploitatie van de merkrechten Leopard en Duncan jeans. Investeerders worden uitgenodigd deel te nemen in een Hong Kong vennootschap waarbij, afhankelijk van het tijdstip van aflossing, de investeerder uitgekocht kan worden aan de hand van een stijgende afkoopsom. (......) Overwegingen rechtbank Deelvrijspraak De laatste twee liggende streepjes in de dagvaarding zien op feiten en omstandigheden die bij niemand van de genoemde investeerders heeft bijgedragen aan de beslissing om geld te investeren in het Brand Names project. Reeds om die reden moet vrijspraak volgen in het kader van de ten laste gelegde oplichtingen. Bewezenverklaring en motivering De investeerders hadden een groot (persoonlijk) vertrouwen in [verdachte] en mochten dat ook hebben, gelet op zijn voormalige staat van dienst als bankier en (nadien) zijn positie als vermogensbeheerder. De (positieve) resultaten binnen het formele vermogensbeheer door TPC/[verdachte] zullen ongetwijfeld het vertrouwen van deze beleggers/investeerders in [verdachte] hebben vergroot. Daardoor waren de beleggers/investeerders nog meer geneigd om te vertrouwen op de inhoud van de adviezen van [verdachte] en de door hem met de investeerders besproken informatiemap over Brand Names. De rechtbank acht bewezen dat het project Brand Names niet afkomstig is van [betrokkene 19], maar van [verdachte] en [medeverdachte 1]. De rechtbank baseert dit oordeel op de inhoud van de hierboven omschreven verklaringen van [betrokkene 19], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en uiteraard die van [verdachte] zelf. Ook uit de uitleg die [betrokkene 19] in de loop van november 2005 geeft aan [medeverdachte 4] over de (on)mogelijkheid aandelen terug te kopen op de wijze als omschreven in het investeringsvoorstel blijkt dat hij tevoren geen kennis droeg van de inhoud van het investeringsvoorstel. De inhoud van de informatie van het project was inhoudelijk afkomstig van [medeverdachte 1] en [verdachte], zo verklaren [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren al jaren precies op de hoogte van de gang van zaken binnen [HONG KONG HOLDING] en wisten dus beiden dat de merknaam Duncan (en/of afgeleide rechten daarvan) al aanwezig was/waren in [HONG KONG HOLDING] retail BV en vervolgens in ACC en (dus) na het (technisch) faillissement van die vennootschap door middel van een activa-transactie uit de boedel gekocht diende(
  12. n)te worden. Dat is ook gebeurd, een dag na het faillissement. Op 7 januari 2004 worden stukken van merkrechtoverdracht (alsnog) getekend door [curator 1], de voormalig bewindvoerder van Duncan Jeans die in 2001 de intellectuele eigendomsrechten uit Duncan Jeans had verkocht aan [HONG KONG HOLDING] Retail BV, na onderhandelingen daaromtrent met [medeverdachte 1]. Uit de verklaringen van de investeerders volgt verder dat allen een zeer groot vertrouwen hadden in [verdachte] en dat zij er van uit gingen (en ook mochten gaan) dat hij hun vermogen eerlijk zou beheren. Verder hebben de getuigen [aangever 7], [aangever 8], [aangever 9] en [aangever 10] allen verklaard dat door [verdachte] mondeling is aangegeven dat de risico's (relatief) beperkt of (nagenoeg) afwezig waren. Ook is door [verdachte] tegen [aangever 8] gezegd dat hij zelf een zeer aanzienlijk geldbedrag in dit project had gestoken. Hierdoor leken de risico's van het investeren in het Brand Names project kleiner. De rechtbank acht de weergegeven verklaringen van de aangevers geloofwaardig, mede gelet op het patroon van handelen van [verdachte] in de richting van de investeerders dat er ook naar voren komt. Ook in andere projecten wordt door investeerders in gelijke zin verklaard. De hierboven weergegeven mail van 8 januari 2004 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] toont aan dat er nooit een plan is geweest om de investeerders werkelijk een direct recht te geven op de merkrechten Leopard en Duncan, zeker gelet op de overschrijving van de merkrechten naar [HONG KONG HOLDING] (de overdrachtsstukken van 7 januari 2004 tussen [curator 1] en [betrokkene 20], een directeur van [HONG KONG HOLDING] ltd.). Dat aan investeerders is gezegd dat er merkrechten zouden worden gekocht volgt niet alleen uit de verklaringen van de aangevers [aangever 10], [aangever 9], [aangever 8] en [aangever 7], maar ook uit de tekst van de brief "van" [betrokkene 19] in de informatiemap, waarin nadrukkelijk wordt gesteld dat er sprake is van een "acquisition" van de twee merken Leopard en Duncan.(Het woord acquisition betekent in goed Nederlands (zie van Dale on line, Rb.) verworven bezit, aankoop). De rollen van zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] zijn op grond van de geciteerde verklaringen van [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [betrokkene 19] aan te merken als die van onderling gelijkwaardige beleidsbepalers. De getuigen [betrokkene 19] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] beschrijven deze rollen van [verdachte] en [medeverdachte 1]. [verdachte] bevestigt dit beeld tijdens zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris. Dat [verdachte] en [medeverdachte 1] die gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar hadden in het Brand Names project blijkt bovendien zeer treffend uit het hierboven al aangehaalde mailbericht van [verdachte] aan [medeverdachte 1] van 8 januari 2004. Uit dit mailbericht volgt dat beiden gedetailleerd samen hebben gewerkt in de voorbereiding en het voornemen hebben om belangrijke delen van de inleg in het Brand names project te besteden aan andere projecten en/of aan persoonlijke vergoedingen van niet onaanzienlijke omvang. Dit alles buiten medeweten van de investeerders, die op dat moment of kort daarvoor hun inleg hebben overgemaakt of dat nog moeten doen. Uit het geheel deze bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] nauw en volledig hebben samengewerkt bij het plegen van de oplichtingen, zodat sprake is van medeplegen. Dat die samenwerking nauw en volledig was volgt bovendien uit het feit dat deze samenwerking ook in dit project tot in 2005 is voortgezet. Dat [medeverdachte 1] geen direct contact heeft gehad met de investeerders om hen te bewegen tot afgifte van geld, doet daar niet aan af. Hetgeen hiervoor reeds is overwogen over het begrip "zichzelf of een ander te bevoordelen" is ook in dit subdossier gedeeltelijk van toepassing. Met name het gedeelte van de overweging dat "bevoordelen" er ook in kan bestaan dat derden, worden overgehaald om hun geld toe te vertrouwen aan verdachten ten behoeve van het door hen opgezette project/bedrijf. Of [medeverdachte 1] en/of [verdachte] zich (ook) persoonlijk hebben verrijkt, zoals de tekst van het mailbericht van 8 januari 2004 suggereert, is niet vast komen te staan. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 september 2003 tot en met 1 februari 2005 in Nederland en Hong Kong tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 7] en [aangever 8] en [aangever 9] en [aangever 10] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- bedrieglijk en in strijd met de waarheid medegedeeld, althans de indruk gewekt dat - het investeringsvoorstel voor het Brand Names project afkomstig zou zijn van Lewis [betrokkene 19], werkzaam bij [bedrijf betrokkene 19], certified public accountants, in Hong Kong; en/of - de indruk gewekt dat de risico's van de investering in het Brand Names project gering waren en/of - met het door genoemde personen in te leggen geld twee merken en/of het recht op royalty inkomsten van die twee merken, te weten Duncan Jeans en Leopard, aangekocht zouden worden. Project [BEDRIJFSNAAM] De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2C) Met betrekking tot het project [BEDRIJFSNAAM] heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededader(
  13. s)met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode van 1 maart 2004 tot en met 19 mei 2004 in Nederland [aangever 11] en [aangever 12] en anderen bewogen tot afgifte van geldbedragen door in met de waarheid: - niet te vermelden dat verdachte en/of zijn mededader(
  14. s)financiële belangen had(den) in [bedrijfsnaam]; - misbruik te maken van bij genoemde beleggers/investeerders opgewekt vertrouwen; - mee te delen/de indruk te wekken dat de door [aangever 11] en [aangever 12] en anderen verstrekte geldleningen zouden worden geïnvesteerd in [bedrijfsnaam]; Standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachten nagelaten hebben te melden dat zij belangen hadden in [BEDRIJFSNAAM]. Wat de officier van justitie wel bewezen acht is dat verdachten misbruik hebben gemaakt van het bij de investeerders opgewekte vertrouwen en dat zij in strijd met de waarheid medegedeeld hebben dat de geldleningen van de investeerders zouden worden geïnvesteerd in [bedrijfsnaam] Door de investeerders voor te spiegelen dat het geld werd gefund ten behoeve van [BEDRIJFSNAAM] terwijl dit in werkelijkheid door TPC werd gebruikt om een interne schuld af te lossen, zijn de investeerders misleid. Uit verschillende verklaringen van investeerders blijkt dat zij veel vertrouwen hadden in [verdachte] en TPC als vermogensbeheerder. Van dit vertrouwen is in zeer ernstige mate misbruik gemaakt. De officier van justitie acht zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] schuldig aan medeplegen van oplichting. Standpunt van de verdediging. [verdachte] heeft, voor zover met het oog op de tenlastelegging van belang, het volgende aangevoerd: -[verdachte] zou zijn belangen niet gemeld hebben. Dat is wel gebeurd. -[verdachte] zou misbruik gemaakt hebben van het vertrouwen van de investeerders. [verdachte] heeft zelf geïnvesteerd, en daaruit bleek zijn vertrouwen. Hij heeft zijn standpunt over [BEDRIJFSNAAM] gedeeld met de investeerder, er is dus geen sprake van misbruik van vertrouwen. -[verdachte] zou de indruk gewekt hebben dat genoemde gelden zouden worden geïnvesteerd in [bedrijfsnaam] De gelden zijn conform afspraak geïnvesteerd. Alle investeerders hadden een leenovereenkomst met [BEDRIJFSNAAM]. Toen zij eind 2004 hun leningen wilden omzetten naar certificaten van aandelen heeft [BEDRIJFSNAAM] dit gedaan. [BEDRIJFSNAAM] heeft dus niet alleen door het tekenen van de leenovereenkomsten, maar ook door het faciliteren van de omzettingen van de leningen naar certificaten van aandelen tweemaal de investeerders erkend. Dat [BEDRIJFSNAAM] heeft besloten met een deel van de gerealiseerde funding een lening aan [HONG KONG HOLDING] te verschaffen, doet daaraan niet af. Dit maakte voor de beleggers geen verschil. Zij hadden een overeenkomst met [BEDRIJFSNAAM]. Zij hebben allen rente op hun leningen ontvangen. De directie van [BEDRIJFSNAAM] heeft verzocht het geld van de rekening van [advocatenkantoor medeverdachte 1]over te maken naar de [investeerders]. Er is dan ook geen onjuiste voorlichting geweest aan investeerders, noch informatie achtergehouden. Geconcludeerd wordt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken. Bewijsoverwegingen Investering broers [investeerder] [investeerder] verklaart22 dat hij en zijn broer op gegeven moment een voorstel hebben gehad van [betrokkene 12], vermogensbeheerder bij TPC (zie algemene overweging over TPC), om ieder een bedrag van € 500.000,= als "Festgeld" weg te zetten voor een periode van een jaar, tot 13 februari 2002. Hij en zijn broer hebben beiden € 500.000,= overgemaakt naar de rekening van de Stichting Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1].23 Probleem terugbetaling broers [investeerder] Omdat, na het verstrijken van de termijn van een jaar, het geld niet werd teruggestort heeft [investeerder] [betrokkene 12] hierop aangesproken, zo verklaart [investeerder], en gezegd dat het geld terug moest. Op 19 maart 2004 heeft [investeerder] een brief 24 ontvangen van [verdachte] en [medeverdachte 1] namens [HONG KONG HOLDING], waarin werd aangegeven dat het geld geïnvesteerd is in [HONG KONG HOLDING]. [betrokkene 12] heeft dit volgens [investeerder] echter nooit met hem besproken. In de brief wordt het voorstel gedaan om het bedrag uiterlijk 1 juni 2004 te hebben terugbetaald. [investeerder] heeft hierop gereageerd dat hij het met die uitgestelde datum niet eens was.25 [verdachte] is in 2003 en 2004 via zijn [holding verdachte] enig aandeelhouder van TPC en een van de bestuurders. Volgens [verdachte]26 heeft [betrokkene 12] verklaard dat het bedrag van de broers [investeerder] voor de funding van [HONG KONG HOLDING] was, maar dat hij vervolgens in de effecten rapportagemodule van TPC zette dat het hier ging om een depositolening. [verdachte] wist hier niets van. Toen de broers [investeerder] hun geld terugvroegen kwam hij erachter dat de positie in de effectenrapportage niet overeenkwam met wat hem gepresenteerd was. In de notulen van de directievergadering van TPC27 van 28 april 2004 staat onder punt 3, "Probleem [investeerder]", opgenomen dat [verdachte] het probleem [investeerder] uitlegt. De aanwezige directieleden zijn het er over eens dat TPC (de rechtbank begrijpt in verband met het probleem [investeerder]) een grote mate van aansprakelijkheid zou kunnen treffen. [investeerder] is bij monde van zijn advocaat akkoord met een latere terugbetaling maar tot die tijd moet een bankgarantie gegeven worden. [betrokkene 14] heeft aangegeven niet mee te willen werken. [verdachte] verklaart voorts28 dat TPC het probleem van de broers [investeerder] zelf had kunnen oplossen. TPC was in die tijd meer dan kredietwaardig. Het was verder mogelijk geweest [betrokkene 12] aan te spreken. Het is niet via TPC gegaan omdat wanneer een lening wordt aangegaan die te maken heeft met het oplossen van een probleem van een van de beleggers je in een verzwaarde procedure terechtkomt met betrekking tot de rapportage naar de AFM. [betrokkene 12] heeft namens TPC gehandeld, daarom heeft [verdachte] de verantwoordelijkheid genomen. [verdachte] verklaart29 dat hij zich verantwoordelijk voelde voor het terugbetalen van de broers [investeerder] omdat iemand van TPC het had geregeld. [verdachte] verklaart verder30 dat hij over het probleem [investeerder] een gesprek met [medeverdachte 1] heeft gehad. [medeverdachte 1] vertelde dat als er uitstel van betaling voor [HONG KONG HOLDING] zou komen het terugbetalen van het geld voor de broers [investeerder] geen probleem zou zijn. Tijdens dat overleg bij [medeverdachte 1] werd [BEDRIJFSNAAM] gebeld en een afspraak gemaakt met [betrokkene 21] en [betrokkene 22] van [BEDRIJFSNAAM]. Op dat moment was [betrokkene 21] bestuurder en directeur van [bedrijfsnaam] en [betrokkene 22] en [betrokkene 21] waren bestuurders van [BEDRIJFSNAAM] Holding B.V. Funding [BEDRIJFSNAAM] mei 2004 [betrokkene 21] verklaart31 dat [verdachte] hem in april, mei, juni 2004 belde en zei dat het kantoor (de rechtbank begrijpt: TPC) een probleem had, en acuut een miljoen moest hebben. Een medewerker heeft kort geld voor lang geld vastgezet en de belegger wil zijn geld terug. Hij vroeg hem een funding te doen voor [BEDRIJFSNAAM] en dat [BEDRIJFSNAAM] dat geld kortstondig zou lenen aan TPC. [betrokkene 21] verklaart akkoord te zijn gegaan. [medeverdachte 4] of [medeverdachte 3] (rechtbank: werkzaam bij TPC32), kwamen met de contracten, die zij hebben getekend. Het geld is niet bij [BEDRIJFSNAAM] terecht gekomen. [aangever 11] verklaart33 dat hij heeft geïnvesteerd in [BEDRIJFSNAAM]. Op advies van [verdachte] heeft hij daar een bedrag van € 50.000 ingestoken. Hij is in mei 2004 ingestapt bij [BEDRIJFSNAAM]. In de overeenkomst van geldlening van 15 mei 2004 tussen [betrokkene 21] en [aangever 11] is opgenomen dat [aangever 11] een bedrag van € 50.000 leent aan [betrokkene 21] tegen een rente van 7% op jaarbasis, uiterlijk terug te betalen 31 december 200434. In zijn overboekingsopdracht van 13 mei 2004 geeft [aangever 11] op 13 mei 2004 aan de SNS Effectenlijn opdracht om onder vermelding van "lening [BEDRIJFSNAAM] 7% (tot 31-12-2004)" € 50.000,- over te maken aan Stichting Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1]Advocaten35. In het dossier bevindt zich een rekeningafschrift van 14 mei 2004 van rekeningnummer van St. Beheer Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1]36. Dit houdt onder meer in dat op 14 mei 2004 een bedrag van € 50.000 is ontvangen onder vermelding van "lening [BEDRIJFSNAAM] 7 (tot 31 12 2004)", zonder vermelding van de naam van de uitlener. Dat dit bedrag van [aangever 11] afkomstig is leidt de rechtbank af uit de valutadata, het feit dat op zowel op de overboeking als op het bankafschrift de vermelding van de SNS effectenlijn staat vermeld en dat de omschrijving van de lening op beide documenten hetzelfde is. [aangever 12] verklaart37 dat hij advies heeft gevraagd aan [verdachte]. Hij heeft op 13 mei 2004 een lening verstrekt via TPC aan [BEDRIJFSNAAM] voor een bedrag van € 350.000. In de overeenkomst van geldlening van 15 mei 2004 tussen [betrokkene 21] en dhr. [aangever 12] en mevr. [aangever 12] is opgenomen dat het echtpaar [aangever 12] een bedrag van € 350.000 leent aan [betrokkene 21] tegen een rente van 7% op jaarbasis, uiterlijk terug te betalen 31 december 2004.38 Daarnaast is er een overboekingsopdracht van dhr. en mevr. [aangever 12] aan de SNS Effectenlijn d.d. 13 mei 2004 om dit bedrag over te maken aan Stichting Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1] onder vermelding van "lening [BEDRIJFSNAAM] 7% (tot 31-12-2004)39. In het dossier bevindt zich een rekeningafschrift van 17 mei 2004 van rekeningnummer 063.39.56.058 van St. Beheer Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1]40. Dit houdt onder meer in dat op 17 mei 2004 een bedrag van euro 350.000 is ontvangen onder vermelding van lening [BEDRIJFSNAAM], zonder vermelding van de naam van de uitlener. Dat dit bedrag van [aangever 12] afkomstig is leidt de rechtbank af uit de valutadata, het feit dat op zowel op de overboeking als op het bankafschrift de vermelding van de SNS effectenlijn staat vermeld en dat de omschrijving van de lening op beide documenten hetzelfde is. Op basis van welke informatie en onder welke omstandigheden hebben de investeerders hun lening verstrekt? [aangever 11] verklaart hierover als volgt. Wat het [BEDRIJFSNAAM] project betreft kreeg hij alle informatie van [verdachte]. [BEDRIJFSNAAM] was een bedrijf met veel toekomst in Arnhem, een lucratieve investering. Het positieve verhaal van [verdachte] deed hem besluiten te investeren in [BEDRIJFSNAAM] en het feit dat [investeerder 2] daarin investeerde. [verdachte] heeft tegen mij niet over de risico's gesproken. Over de projecten Radiant en [BEDRIJFSNAAM] hadden we niets afgesproken. 41 In een proces-verbaal van bevindingen42 wordt [aangever 11], die telefonisch door een verbalisant wordt gehoord, door hem als volgt geciteerd: "Wanneer ik juist was voorgelicht dan had ik nooit ingelegd in [BEDRIJFSNAAM]. Er is tegen mij nooit verteld dat het geld gebruikt ging worden voor het terugbetalen aan een andere investeerder. Er werd in mei/juni 2004 gefund voor [BEDRIJFSNAAM]. Als tegen mij was verteld dat de investering gebruikt werd voor de terugbetaling van een andere investeerder dan was ik nooit ingestapt." [aangever 12] verklaart 43 dat hij veel vertrouwen had in [verdachte]. Hij herhaalt dat in zijn verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris, waarin hij aangeeft dat zij [verdachte] vertrouwden als vriend, als broer, als vader. Hij kreeg de vrije hand.44 Zij konden het goed met elkaar vinden. [verdachte] deed beleggingen op grote schaal met meer rendement. Hun hele kapitaal van 1,2 miljoen gulden hebben zij bij hem belegd. In juni 2002 hebben zij op advies van [verdachte] € 50.000 beleend aan [BEDRIJFSNAAM]. [verdachte] vertelde dat het een veilige lening was en niet risicovol. Op 13 mei 2004 heeft hij een lening verstrekt aan [BEDRIJFSNAAM] voor de periode van 6 maanden voor een bedrag van € 350.000. [verdachte] vertelde hem dat hij met deze transactie van € 350.000 kapitaal kon scoren. Zij hadden hun huis minder goed verkocht dan verwacht en [verdachte] kon met die € 350.000 wel geld maken zodat ze het gat konden dichten. [verdachte] vertelde hen bij het afsluiten van deze transactie dat de vorige transactie meer risico in zich had dan deze. [verdachte] had eerder verteld dat de eerste transactie niet risicovol was. [aangever 12] had het afgesproken rendement uit de eerste belening ontvangen. Ze vertrouwden [verdachte] en hebben zijn advies gevolgd. Hij kan goed praten. Hij kon op een hele subtiele wijze aan iedereen de kip met de gouden eieren verkopen. Hij weet niet waarom die € 350.000 op een derdengeldrekening is gestort. Hij had vrijwel alleen contact met [verdachte]. In een proces-verbaal van bevindingen45 wordt [aangever 12], die telefonisch door een verbalisant wordt gehoord, als volgt door hem geciteerd: "Ik heb in de maanden mei dan wel juni 2004 geïnvesteerd in [BEDRIJFSNAAM]. Ik heb een bedrag van € 350.000,00 geïnvesteerd. Er was aan mij nooit verteld dat de investering op andere wijze zou worden gebruikt dan was afgesproken. De investering was bestemd voor [BEDRIJFSNAAM]. Als ik had geweten dat mijn investering gebruikt ging worden voor het af betalen van een andere investeerder dan had ik nooit geïnvesteerd." Wat is er met het gefunde geld gebeurd? Zoals hiervoor reeds werd vermeld verklaart [betrokkene 21] dat het gefunde geld niet is gestort en in zijn verklaring afgelegd bij de politie46 "nooit is binnengekomen." Uit de bankgegevens van de bankrekening van de Stichting Beheer Derdengelden [advocatenkantoor medeverdachte 1] blijkt dat tussen 18 mei en 7 juni 2004 in totaal €1.080.968,43 is overgemaakt naar rekening van Rechtsanwalt, de advocaat van de broers [investeerder]47. [medeverdachte 1]48 verklaart hierover dat deze bedragen inderdaad zijn overgeboekt op de rekening van de advocaat van de broers [investeerder], om de uitdrukkelijk instructie van TPC uit te voeren. In dit verband is ook van belang de fax van [medeverdachte 3] van 7 juni 2004 aan het advocatenkantoor van [medeverdachte 1], waarin hij aangeeft dat er bij de overboekingen ten onrechte is vermeld "[BEDRIJFSNAAM] lening". Het gaat om een betaling inzake de afwikkeling TPC/[investeerder].49 Hiermee is het verweer, dat het gefunde geld ter beschikking van [BEDRIJFSNAAM] stond en dat [BEDRIJFSNAAM] kon besluiten, en ook heeft besloten, waar het voor bedoeld was, verworpen. Hieraan doet niet af dat [BEDRIJFSNAAM] [aangever 11] en [aangever 12] later, geruime tijd nadat zij de leningen hebben verstrekt, (financieel) zou zijn tegemoetgekomen. Mededelen/de indruk wekken dat de geldleningen zouden worden geïnvesteerd in [BEDRIJFSNAAM] en misbruik maken van vertrouwen Het probleem van de terugbetaling van de [investeerders] moest dringend opgelost worden en uit de eerdergenoemde verklaringen van [aangever 12] en [aangever 11] leidt de rechtbank af dat [verdachte] hen heeft verteld dat de geldleningen zouden worden geïnvesteerd in [BEDRIJFSNAAM]. Hiermee zijn [aangever 11] en [aangever 12] door [verdachte] misleid en voorgelogen. Uit hetgeen hiervoor over het ontstane probleem voor TPC en de bestemming van het gefunde geld is opgenomen, volgt namelijk dat van meet af aan het doel van de funding was de broers [investeerder] terug te betalen, hetgeen ook is geschied. Het geld is niet bij [BEDRIJFSNAAM] terechtgekomen. Verder is van belang voor de oplichting dat de investeerders mede door het vertrouwen dat zij in [verdachte] hadden hun geld hebben afgestaan. [aangever 11] verklaart dat het positieve verhaal van [verdachte] hem deed besluiten te investeren in [BEDRIJFSNAAM]. Hij was tevreden over het werk van TPC voor wat betreft de beleggingen in effecten en obligaties. [aangever 12] spreekt uit dat hij veel vertrouwen had in [verdachte]. Hij was als een vriend, een vader, een broer. Van dit vertrouwen is door [verdachte] misbruik gemaakt. Wederrechtelijke bevoordeling Het geld van de investeerders is gebruikt om een probleem van TPC op te lossen. Er moest een interne schuld aan de gebroeders [investeerder] werden afgelost. De gelden van de investeerders zijn via de derdengeldrekening van [medeverdachte 1] doorgestort naar de advocaat van de [investeerders]. Het geld dat gefund is voor [BEDRIJFSNAAM] is nooit bij [BEDRIJFSNAAM] terechtgekomen. Door te handelen als voormeld heeft verdachte het oogmerk gehad een ander, namelijk TPC te bevoordelen. Dit voordeel is wederrechtelijk, omdat dit tot stand is gekomen als gevolg van opzettelijk verstrekte gegevens en omstandigheden waarvan verdachte wist dat zij bedrieglijk en in strijd met de waarheid waren. Vrijspraak oplichtingsmiddel vermelden van belangenverstrengeling Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en ter misleiding van [aangever 11] of [aangever 24] heeft nagelaten te vermelden dat [verdachte] en [medeverdachte 1] belangen hadden in [BEDRIJFSNAAM]. De rechtbank verwijst voor de onderbouwing van dit oordeel naar hetgeen hiervoor onder de algemene overwegingen over dit potentiële oplichtingsmiddel is opgenomen. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode van 1 maart 2004 tot en met 19 mei 2004 in Nederland tezamen in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  15. en)wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 11] en [aangever 12] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid - misbruik gemaakt van het bij die beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen en - medegedeeld, althans de indruk gewekt dat de door genoemde personen ter beschikking gestelde gelden (geldleningen) zouden worden geïnvesteerd in [bedrijfsnaam]; Project Radiant Pictures B.V. De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2D) Met betrekking tot het project Radiant Pictures B.V. heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededaders met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode van 1 maart 2002 tot en met 6 augustus 2004 in Venlo, en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, [aangever 13], [aangever 14], [aangever 10] en anderen bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid: - niet te vermelden dat verdachte en/of zijn mededader(
  16. s)financiële belangen had(den) in Radiant Pictures B.V. en Crown Plus Interprises Ltd.; - een onjuiste voorstelling van zaken te geven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening, het kopen van een aandelenbelang en aan het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in genoemde ondernemingen; - misbruik te maken van het bij genoemde beleggers/investeerders opgewekt vertrouwen; - genoemde beleggers/investeerders mee te delen/bij hen de indruk te wekken dat: * er geen/nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in of het verstrekken van leningen aan Radiant Pictures B.V.; * een accountant was aangesteld als directeur van Radiant Pictures B.V.; * het financiële management van en de financiële controle op Radiant Pictures B.V. gegarandeerd was; * Radiant Pictures B.V. in het bezit was van 11 volledig uitgewerkte screenplays; * twee screenplays, in het bezit/eigendom van Radiant Pictures B.V., in 2004 in productie zouden gaan; * Radiant Pictures B.V. in het bezit was van 70 opties op screenplays/opties op titels waarvan [betrokkene 6]de copyrights zou bezitten; * de bestaande en nieuwe auteursrechten van [betrokkene 6]in bezit/eigendom waren van Radiant Pictures B.V. (Standpunten ....) Overwegingen rechtbank Inleiding [betrokkene 6], is een succesvol schrijfster. Zij heeft in 2001 het initiatief genomen tot oprichting van een filmmaatschappij, Radiant Pictures B.V. (hierna Radiant). Radiant zou de meest succesvolle en toonaangevende filmmaatschappij van Europa moeten worden. In Radiant zouden van de boeken van [betrokkene 6]en aangekochte filmrechten screenplays worden gemaakt en verkocht. De boeken van [betrokkene 6]zouden worden geëxploiteerd. [betrokkene 6] zou gebruik kunnen maken van haar netwerk in de auteurs- en filmwereld. Inkomsten zouden worden gegenereerd uit de royalty's van het werk van [betrokkene 6], en de verkoop van screenplays. [betrokkene 6] had geen ervaring met bedrijfsvoering. [betrokkene 23] is daarop bereid gevonden financieel directeur te worden. [betrokkene 6] zocht financiering voor de start van het bedrijf en kwam doorvoor bij het vermogensbeheerbedrijf TPC International B.V. van [verdachte] uit. [medeverdachte 1] zou de juridische aspecten voor zijn rekening nemen.50 Op de bijeenkomst over Radiant op 28 maart 2002, waar [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 3] aanwezig waren, is afgesproken dat er voor een bedrag van € 2.6 miljoen investeerders zou worden gezocht. Investeerders werd verzocht geld te lenen aan Radiant Pictures met een minimumbedrag van € 50.000,- voor een periode van vijf jaar. Als uitgangspunt werd geformuleerd dat er de eerste drie jaar geen geld binnen zou komen.51 Er zijn twee fundingrondes geweest, een in het najaar 2002 en een in het voorjaar van 2004. Er is in totaal uiteindelijk € 1. 350.000,- geleend aan Radiant Pictures.52 Door allerlei problemen zijn de activiteiten begin 2005 gestaakt.53 Op 25 oktober 2005 is Radiant failliet verklaard.54 De vennootschappelijke structuur is als volgt. Vanaf 4 november 2002 is Crown Plus Enterprises Ltd. enig aandeelhouder van Radiant. [betrokkene 23] is bestuurder van Radiant vanaf 5 maart 2002 tot 16 januari 2004, [betrokkene 6]vanaf 1 augustus 2002 tot aan datum faillissement en [betrokkene 4] vanaf 16 januari 2004 tot 15 november 2004.55 Aandeelhouders in Crown Plus Enterprises Ltd. zijn [betrokkene 6]via haar ondernemingen Globe Victory Ltd. en Kelday Enterprises Ltd. voor 70 %, [betrokkene 23] voor 10%, [medeverdachte 1], [verdachte], stichting administratiekantoor Holding Hesmarc en [betrokkene 24] ieder voor 5%.56 Verder is bij de bedrijfsvoering van Radiant nog betrokken Advantis Group Holding B.V. (Advantis), opgericht op 31 mei 2002. Deze B.V. beheert, financiert, voert de directie of het management, neemt deel in ondernemingen. Bestuurders zijn W.[verdachte] Holding B.V., [holding medeverdachte 4], [medeverdachte 3] Holding B.V. en [betrokkene 4] Holding B.V..57 De aandeelhouders in Advantis zijn [verdachte] Holding B.V. voor 30 %, [holding medeverdachte 4] 5%, [medeverdachte 3] Holding B.V. 5% en [betrokkene 4] Holding 30% en Aston Hill B.V.(van betrokkene 3]) 30%. 58 In de brochures van Radiant wordt Advantis voorgesteld als het bedrijf dat de brochure heeft gemaakt met informatie afkomstig van Radiant.59 Volgens [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] werden de brochures feitelijk gemaakt op het kantoor van TPC door [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4].60 De bestuurders van Advantis kwamen regelmatig bij elkaar om de verschillende projecten te bespreken waarbij Advantis betrokken. Zo worden bij de "meeting Advantis" van 2 mei 2003, waar alle bestuurders aanwezig zijn, de projecten Bioblue en Radiant besproken.61 (..........) Oordeel van de rechtbank In de hierboven weergegeven brochure van maart 2004 en de daarbij behorende aanbiedingsbrief wordt niet expliciet gesproken over de risico's. Wel wordt door te stellen dat de plannen in een vergevorderd stadium waren en dat er diverse inkomstenbronnen zijn de indruk gewekt dat er weinig risico is. "Radiant heeft een portefeuille van 11 hoofdfilms voor productie in 2004 en 2005. Alle films hebben regisseurs van naam, een sterke cast en gerespecteerde Engelse co-producers. Uitgaande van het grote aantal topprofessionals onder de regisseurs en acteurs dat hun diensten reeds heeft aangeboden, mogen we concluderen dat de positieve verwachtingen zeer realistisch zijn. Voor 2004 zijn twee films gepland om in productie te gaan: [boektitel 1] en [boektitel 2]" "De kracht van Radiant is de brede basis van inkomsten die potentieel kunnen worden gegenereerd." Daarbij wordt vermeld dat de B.V. voor 5 jaar in het bezit is van alle auteursrechten van [betrokkene 6]. Bij de te verwachten inkomsten wordt ook uitgegaan van de inkomsten uit de [boektitel 1] en [boektitel 2] en de Royalty inkomsten uit [Betrokkene 6] werk (€ 150,000,-). [aangever 13] en [aangever 14] verklaren dat zij deze brochure hebben ontvangen. Verder zijn zij evenals [aangever 10] afgegaan op de positieve informatie die [verdachte] hen geeft gegeven. Dat de gang van zaken veel rooskleuriger werd voorgesteld dan die in werkelijk was blijkt uit bovenstaande verklaringen van de medewerkers van Radiant [betrokkene 23], [betrokkene 25] en van regisseur [betrokkene 26]. [betrokkene 6]was enthousiast en verhaalde over vele contacten met mensen uit de filmwereld. Er waren echter geen contracten gesloten. Dat de plannen van Radiant niet realistisch waren is wordt ook geconcludeerd in het onderzoek van FDC. Uit de verklaringen van [betrokkene 4], [betrokkene 6], [betrokkene 23] en [betrokkene 5] blijkt dat anders dan in de brochure wordt vermeld de overdracht van de royalty's niet was geregeld. Verder waren er in en voorafgaand aan de periode dat de investeerders besloten in te stappen forse financiële problemen. [betrokkene 13] en [betrokkene 15] verklaren daarover wanneer zij vertellen over de gang van zaken rondom de funding. [betrokkene 4] verklaart daarover en het is voor hem de reden zijn werk neer te leggen. Er waren geen inkomsten en [betrokkene 6] gaf heel veel geld uit. Dit laatste was eerder ook een van de redenen van [betrokkene 23] om op te stappen. De rechtbank acht bewezen dat een onjuiste voorstelling zaken is gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening. Verder acht de rechtbank op grond van het bovenstaande bewezen dat de investeerders in strijd met de waarheid is medegedeeld dat de bestaande auteursrechten van [betrokkene 6] in bezit waren van Radiant, en dat in strijd met de waarheid de indruk is gewekt dat twee screenplays in 2004 in productie zouden gaan. Omdat [betrokkene 25] en [betrokkene 27] verklaren over de grote hoeveelheid scripts die er waren zal worden vrijgesproken van het verwijt dat in strijd met de waarheid is vermeld dat Radiant Pictures B.V. in het bezit was van 70 opties op screenplays/opties op titels. Het verwijt dat misbruik is gemaakt van het bij de investeerders opgewekte vertrouwen. Uit bovenstaande verklaringen van investeerders blijkt dat zij een groot vertrouwen hadden in [verdachte] en [medeverdachte 1] en dat dit vertrouwen een van de afwegingen is geweest bij hun beslissing om te investeren. Zij verklaren dat ze goede ervaringen hadden met de wijze waarop [verdachte] hun vermogen beheerde. Ze beschouwden [verdachte] als een man met veel kennis van en veel ervaring met de financiële en beleggingswereld. Dat TPC een vergunning van de AFM had speelde een rol. Ook het feit dat [medeverdachte 1] als advocaat was betrokken en [betrokkene 4] als accountant werd gepresenteerd bij Radiant wekte vertrouwen, zo verklaren de investeerders. Wederrechtelijk verkregen voordeel Hierboven is reeds uiteengezet wat volgens de rechtbank in het kader van deze zaak moet worden verstaan onder wederrechterlijk verkregen voordeel. In deze zaak wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt de door Advantis en TPC ontvangen vergoedingen en de 1% vergoeding van TPC voor het beheer van het vermogen van [aangever 13], [aangever 10] en [aangever 14]. Over deze laatste vergoeding heeft [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat het voor de vergoeding van 1% van het vermogen niet uitmaakte of het een formele of informele belegging betrof.62 Bij de overige vergoedingen gaat het om het verslag van de meeting van 13 januari 2003 waarin staat vermeld dat er een contract is afgesloten voor Advantis ten bedrage van € 40.000,-.63 Daarnaast is in de brochure van Radiant van 2002 voor advieskosten (Advantis en TPC) een bedrag van € 50.000,- per jaar gebudgetteerd en in de brochure van maart 2004 een bedrag van € 45.000,- voor Advantis en € 5.000,- voor TPC.64 Het verweer van [verdachte] dat hij niet op de hoogte was van de feitelijke gang van zaken bij Radiant wordt verworpen. Hij heeft bij de politie verklaard dat hij de brochure van maart 2004 kende. Hij heeft de brochure gelezen en goedgekeurd.65 Bij het overleg van Radiant Pictures op 28 maart 2002, waar [verdachte] aanwezig was, is vermeld dat de eerste drie jaar geen inkomsten zullen binnenkomen. Dit strookt niet met de in de brochure maart 2004 genoemde te verwachten inkomsten van 1.5 miljoen € in 2004. Uit zijn eigen verklaring bij de politie blijkt ook dat hij wist dat er geen royalty's binnenkwamen. Hij dacht dat die later zouden binnenkomen.66 Hij wist dat er problemen waren. In de hierboven weergegeven Advantisvergadering en Radiantvergaderingen werd de gang van zaken binnen Radiant besproken. In de notulen vanaf april, mei 2003 is aan de orde dat de ontwikkeling als zorgelijk wordt ervaren. Er wordt afgesproken dat TPC maandelijks op de hoogte wordt gehouden over de ontwikkelingen. [verdachte] wist dat er problemen waren tussen [betrokkene 23] en [betrokkene 6]. [betrokkene 23] is 16 januari 2004 weggegaan, omdat er financiële problemen waren, mede als gevolg van uitgavenpatroon van [betrokkene 6]. [betrokkene 4] schrijft op 16 juli 2004 dat hij vertrekt vanwege de financiële situatie. Daarna worden opnieuw investeerders geworven, met hetzelfde positieve verhaal, zo blijkt uit de verklaring van [aangever 13] en de aanbiedingsbrief van 27 juli 2004. Uit de verklaring van de TPC-vermogensbeheerders [betrokkene 13] en [betrokkene 15] blijkt dat binnen TPC bekend was dat er financiële problemen waren binnen Radiant. Om zicht te kunnen houden op de uitgaven ontving TPC kopieën van alle bankafschriften van de ING-rekening van Radiant.67 [medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat [betrokkene 6]alleen naar [verdachte] luisterde en verder naar niemand68. Gelet op het bovenstaande en op wat getuigen verklaren over de dominante positie van [verdachte] binnen TPC is niet goed denkbaar dat [verdachte] niet op de hoogte was. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte (bewezenverklaring 2 D.) in de periode van 1 maart 2002 tot en met 6 augustus 2004 in Nederland tezamen in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
  17. en)wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 13] en [aangever 14] en [aangever 10] en anderen heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- bedrieglijk en in strijd met de waarheid - een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan genoemde ondernemingen en - misbruik gemaakt van het bij die beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen en - die beleggers/investeerders medegedeeld, althans bij die beleggers/investeerders de indruk gewekt dat: * er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan Radiant Pictures B.V. en * een accountant ([betrokkene 4]) als directeur van Radiant Pictures B.V. was aangesteld en * (mede door de aanstelling van die/een accountant en/of de installatie van een multidisciplinair begeleidingsteam) het financiële management van en/of de financiële controle op Radiant Pictures B.V. gegarandeerd was en * twee screenplays ([boektitel 1] en/of [boektitel 2]) en/of (een) ander(
  18. e)screenplay(
  19. s)in bezit/eigendom van Radiant Pictures B.V. in 2004 in productie zouden gaan en * de bestaande en nieuwe auteursrechten van [betrokkene 6] [betrokkene 6] in bezit/eigendom waren van Radiant Pictures B.V.; Project Bioblue De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2E) Met betrekking tot het project Bioblue heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededader(
  20. s)met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de periode 1 oktober 2002 tot en met 1 augustus 2003 in Nederland, België en/of Luxemburg [aangever 15], [aangever 16]en [aangever 10] en anderen bewogen tot afgifte van geldbedragen door in strijd met de waarheid: - niet te vermelden dat verdachte en/of zijn mededader(
  21. s)financiële belangen had(den) in Bioblue Group S.A. en Bioblue Comfort en Bioblue Global; - een onjuiste voorstelling van zaken te geven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan, het kopen van een aandelenbelang in en het omzetten van een eerder verstrekte geldlening in een aandelenbelang in een van genoemde ondernemingen; - misbruik te maken van het bij genoemde beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen; - die beleggers/investeerders medegedeeld/de indruk gewekt dat: * er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in/het verstrekken van een lening aan het Bioblue-project; * alle patenten op de samenstelling van bacteriën en bacteriënmengsels ten behoeve van de productie van producten van Bioblue in het bezit/eigendom zouden zijn van/zouden zijn overgedragen aan Bioblue Group S.A.; * de conceptproducten van Bioblue uitgebreid waren getest bij wetenschappelijke instituten en daar zeer positief zouden zijn beoordeeld; * Bioblue was uitgegroeid naar een operationeel bedrijf en de marktintroductie van Bioblue Comfort op 1 juni 2003 zou plaatsvinden; * de Bioblue Comfort producten met een gehele lijn van producten in april 2003 in productie zouden gaan; * de opbouw van de productiefaciliteiten en de laboratoriumfaciliteiten op schema zouden liggen; * de voorintroductie van de producten zou hebben geresulteerd in grote belangstelling en toezeggingen van organisaties als Blokker, V&D, Hema, Makro, Albert Heijn , Delhaize en Colruyt. (Standpunten.......) Voor de bespreking van het beroep op het gelijkheidsbeginsel, het ne bis in idem beginsel en het bezwaar tegen de gang van zaken bij het opsporingsonderzoek in België wordt verwezen naar hetgeen hiervoor in het kader van het beroep op niet ontvankelijkheid van de officier van justitie is overwogen en besloten. Bewijsoverwegingen Inleiding In oktober 2002 is Bioblue Group S.A. opgericht, een onderneming naar Luxemburgs recht. Bioblue Group heeft twee Belgische dochters Bioblue Comfort B.V.B.A. en Bioblue Global B.V.B.A. Bioblue richtte zich op de ontwikkeling, productie en de verkoop van een ontgeuringsmiddel ingebracht in een click-inn systeem in afvalbakken en luieremmers (Bioblue Comfort), en op de ontwikkeling van een biologisch wasmiddel (Bioblue Global). Daarbij werd gebruik gemaakt van een bacteriemengsel dat eigendom was van [betrokkene 28], dat voorheen werd verkocht voor de stankbestrijding in veestallen. In Bioblue zou dit product geschikt worden gemaakt voor huishoudelijk gebruik. Initiatiefnemer daartoe was Patrick [betrokkene 2]. Via [betrokkene 3] kwam [betrokkene 2] in contact met TPC International BV. TPC zou voor de benodigde financiering zorgen. Het project zou worden begeleid door de Advantis Group Holding B.V..69 Voor deze begeleiding ontving Advantis een vergoeding van € 150.000,- per jaar, waarvan 50% voor de werkzaamheden van Jasper [betrokkene 3], die namens Advantis directeur werd naast [betrokkene 2] en later [betrokkene 1]. Verder werd van dit bedrag nog € 55.000,- betaald voor de huur en inrichting. TPC ontving voor het aanbrengen van investeerders € 40.000,- per jaar.70 Op 31 juli 2003 zijn de boeken van Bioblue Comfort en Bioblue Global neergelegd.71 Voor informatie over Advantis Group Holding B.V. en de betrokkenheid van [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij deze B.V. wordt verwezen naar de bespreking van het project Radiant Pictures B.V.. Oordeel van de rechtbank Aan de investeerders is door [verdachte] verklaard dat zij weinig tot geen risico liepen met hun investering in Bioblue. In de brochure van september 2002 en de Nieuwsbrief van 1 april 2003 wordt niet expliciet gesproken over de risico's van de investering in Bioblue. Wel wordt door de informatie die wordt gegeven de indruk gewekt dat de plannen met de ontgeurder en het wasmiddel in een vergevorderd stadium waren en dat er op korte termijn aanzienlijke winsten zouden worden behaald. Dat deze informatie niet klopt blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 29] en [betrokkene 11]. De rechtbank acht deze verklaringen geloofwaardig. Door hun positie binnen het bedrijf waren zij goed op de hoogte van de feitelijke gang van zaken bij Bioblue. De verklaringen van [betrokkene 29] en [betrokkene 11] ondersteunen elkaar en komen overeen met de opmerkingen in de gecorrigeerde Nieuwsbrief, het memo van [betrokkene 29] van 20 mei 2003 en de notulen van de vergadering van 14 mei 2003. Aan de investeerders is een veel positiever beeld voorgesteld dan de werkelijke situatie rechtvaardigde. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat aan [aangever 15], [aangever 10] en [aangever 16] een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening. Verder acht de rechtbank op grond van de verklaring van [betrokkene 11] en [betrokkene 29] en de notulen van het overleg van 14 mei 2003 bewezen dat in strijd met de waarheid de indruk is gewekt dat de conceptproducten van Bioblue uitgebreid waren getest en positief beoordeeld. Er was wel enig onderzoek gedaan, maar de mededeling dat het wasmiddel pH neutraal was en al dermatologisch getest en zeer vriendelijk voor de huid bevonden klopt niet. Evenmin juist is de mededeling dat op korte termijn een breed onderzoek zou worden afgerond naar de relatieve en absolute wasresultaten. Ook de resultaten van de testen met de vuilbakken waren niet positief. Dat, zoals in de brochure van september 2002 staat vermeld, de ontgeurder drie tot twaalf maanden zou werken strookt niet met de bevinding van [betrokkene 11] dat het product al na een maand was uitgewerkt. Dat de informatie over het operationeel zijn van het bedrijf, de stand van zaken met betrekking tot de opbouw van de productiefaciliteiten en laboratoriumfaciliteiten, het tijdstip voor de marktintroductie van Bioblue Comfort en het in productie gaan van de Bioblue Comfortproducten niet juist zijn blijkt uit de verklaringen van [betrokkene 11], [betrokkene 29] en [getuige 4] en de gecorrigeerde Nieuwsbrief en het memo van 20 mei 2003. Dat de informatie dat voorintroductie van de producten zou hebben geresulteerd in grote belangstelling en toezeggingen van organisaties als Blokker, V en D, Hema, Makro, AH, Delhaize, Colruyt niet juist is blijkt uit de verklaring van [betrokkene 29]. Als verkoopdirecteur is hij bij uitstek de getuige die kan verklaren over de stand van zaken met betrekking tot het in de markt zetten van de producten. Bovendien heeft hij geen enkel belang bij het afleggen van een onjuiste verklaring. Verwezen wordt tenslotte naar het verslag van de vergadering van 14 mei en 27 mei 2003, waaruit blijkt dat allerlei zaken betreffende de productie van de Bioblue Comfort producten niet geregeld zijn. Dat aan de investeerders in strijd met de waarheid is medegedeeld dat alle patenten op de samenstelling van bacteriën en bacteriënmengsels ten behoeve van de productie van producten van Bioblue in het bezit/eigendom zouden zijn van Bioblue Group S.A acht de rechtbank bewezen op grond van de verklaring van [getuige 4] en de bovengenoemde notulen van de vergadering van 2 juli 2003 van Advantis/Bioblue Het verwijt dat misbruik is gemaakt van het bij de investeerders opgewekte vertrouwen. Onder verwijzing naar de hierboven samengevatte verklaringen van [aangever 15], [aangever 10] en [aangever 16] is de rechtbank van oordeel dat de drie investeerders [verdachte] in hoge mate vertrouwden. Dit vertrouwen in [verdachte] heeft een belangrijke rol gespeeld bij hun beslissing om te investeren. Wist [verdachte] dat de informatie die werd verstrekt niet juist was. [verdachte] wist welke informatie aan de investeerders werd verstrekt. Hij informeerde de investeerders zelf en overhandigde hen ook de brochures. [betrokkene 3] heeft bij politie verklaard dat hij verantwoording moest afleggen aan Advantis en dat de feitelijke inhoud van de Nieuwsbrieven de goedkeuring had van [verdachte]. Advantis was verantwoordelijk voor de nieuwsbrieven. De informatie die naar buiten ging werd gezamenlijk besproken. Advantis heeft de cijfers bekeken in de nieuwsbrief van april 2003.72 [betrokkene 3] bevestigt de verklaring van [verdachte] dat [verdachte] afging op informatie van [betrokkene 3]. [betrokkene 3] zegt dat [verdachte] de informatie van hem of andere direct betrokkenen van het bedrijf kreeg.73 Daar tegenover staan verklaringen van getuigen die verklaren dat [verdachte] wel op de hoogte was van de werkelijke stand van zaken in Bioblue. [getuige 4] verklaart bij de politie dat de mensen van TPC moeten hebben geweten dat de productielijn niet klaar was, omdat zij af en toe in Zele kwamen.74 Ook [betrokkene 3] verklaart dat [verdachte] wel eens bij Bioblue in Zele kwam. In het dossier bevinden zich echter ook aanwijzingen, met name in de notulen van de Advantisvergaderingen, dat men bij Advantis aanvankelijk niet helemaal goed geïnformeerd was over de problemen van met name de ontwikkeling van en de werking van de producten van Bioblue Comfort en Global. Wat daarvan ook zij, naar het oordeel van de rechtbank moet [verdachte] tenminste na de beide e-mails van [betrokkene 29] van 20 mei 2003 gericht aan TPC en [verdachte] op de hoogte zijn geweest. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat, zoals vele betrokkenen bij TPC verklaren, [verdachte] van alles wat er binnen TPC gebeurd op de hoogte was. [getuige 1] verklaart dit.75 [betrokkene 13] en [betrokkene 12] verklaren bij de rechter-commissaris dat [verdachte] de baas was, een heerser en verdeler.76 Het is niet goed denkbaar dat berichten zoals die van [betrokkene 29] niet door of met [verdachte] zouden zijn besproken. In hierboven weergegeven notulen van de vergaderingen is ook te zien dat na 20 mei 2003 door [verdachte] wordt ingegrepen. Wanneer op vergadering 23 mei 2003 wordt besproken dat het personeel het vertrouwen in [betrokkene 3] heeft opgezegd kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] moet hebben geweten hebben van de problemen bij Bioblue, ook op productieniveau. De in de tenlastlegging genoemde investeerders hebben allen geïnvesteerd na 20 mei 2003, op basis van informatie waarvan [verdachte] wist dat die niet juist was. Uit de notulen van de vergaderingen eind mei en juni 2003 zou kunnen worden afgeleid dat [verdachte] wellicht nog mogelijkheden zag om Bioblue te redden, maar hij had de investeerders niet meer met de positieve, onjuiste gegevens uit de Nieuwsbrief van april 2003 mogen benaderen. Dat hij dat wel gedaan heeft blijkt uit het gespreksverslag van 30 mei 2003 van het periodieke gesprek met [aangever 15]. In de omstandigheid dat [aangever 10] en [aangever 16] al voor 20 mei zijn benaderd ziet de rechtbank geen reden om van de oplichting van deze investeerders vrij te spreken. De investering zelf is gedaan na dat moment. Het had op de weg van [verdachte] gelegen om hen alsnog juist te informeren. Door dit na te laten heeft hij de onjuiste informatie laten "doorwerken" en heeft hij aldus op grond van die onjuiste informatie laten investeren. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen reden [verdachte] vrij te spreken van de oplichting van [aangever 16]. Zijn verklaring is voldoende concreet en sluit aan bij de verklaringen van de overige investeerders. Dat hij voornamelijk contact had met [betrokkene 16] en [medeverdachte 3] doet daar niet aan af, omdat de vermogensbeheerders bij TPC (dus ook [betrokkene 16]) verklaren dat zij de informatie over de informele projecten van [verdachte] ontvingen.77 Wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierboven is reeds uiteengezet wat volgens de rechtbank in het kader van deze zaak moet worden verstaan onder wederrechterlijk verkregen voordeel. In deze zaak wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt de door Advantis en TPC ontvangen vergoedingen en de 1% vergoeding van TPC voor het beheer van het vermogen van [aangever 15], [aangever 10] en [aangever 16]. Over deze laatste vergoeding heeft [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat het voor de vergoeding van 1% van het vermogen niet uitmaakte of het een formele of informele belegging betrof.78 Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in de periode van 1 oktober 2002 tot en met 1 augustus 2003 in Nederland, België en/of Luxemburg met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [aangever 15], [aangever 16]en[aangever 10] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid - een onjuiste voorstelling van zaken gegeven met betrekking tot de risico's die verbonden waren aan het verstrekken van een lening aan en/of het kopen van een aandelenbelang in (een van) genoemde ondernemingen en - misbruik gemaakt van het bij die beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen en - die beleggers/investeerders medegedeeld, althans bij die beleggers/investeerders de indruk gewekt dat: * er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in en/of verstrekken van een lening aan het Bioblue project en * alle patenten op de samenstelling van bacteriën en/of bacteriemengsels ten behoeve van de productie van de producten van Bioblue in bezit/eigendom zouden zijn van Bioblue Group SA, althans zouden zijn overgedragen aan Bioblue Group SA en * de conceptproducten van Bioblue uitgebreid waren getest bij wetenschappelijke instituten (Rijks Universiteit van Gent en/of het Vlaams Instituut van Technologisch Onderzoek) en daar zeer positief zouden zijn beoordeeld en * Bioblue van project was uitgegroeid naar een operationeel bedrijf en * de Bioblue Comfort producten met een gehele lijn van producten (geurloze luieremmer en/ of inbouwmodules voor GFT- en huisvuilcontainers) in april 2003 in productie zouden gaan en * de opbouw van de productiefaciliteiten en/of de laboratoriumfaciliteiten op schema zouden liggen en * de voorintroducties van de producten zou hebben geresulteerd in grote belangstelling en toezeggingen van organisaties als Blokker, V&D, Hema, Makro, Albert Heijn, Delhaize, Colruyt; Project Bucephalus De tenlastelegging in verkorte vorm weergeven: (Feit 2F) Met betrekking tot het project Bucephalus heeft verdachte volgens de officier van justitie al dan niet samen met zijn mededaders met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling op tijdstippen in de periode tussen 3 september 2003 en 1 juli 2005 in Venlo, en/of in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland en/of in China en/of in Hong Kong [aangever 10], [aangever 15] en [aangever 17]bewogen tot afgifte van geldbedragen van steeds 250.000,- euro door in strijd met de waarheid: - mede te delen dat er geen of nauwelijks risico's verbonden waren aan het kopen van een aandelenbelang in Bucephalus B.V., en mooie rendementen in het vooruitzicht te stellen; - misbruik te maken van het bij genoemde beleggers/investeerders opgewekte vertrouwen; - toe te zeggen/mee te delen dat verdachte en/of zijn mededaders (in ruil voor 88% van de aandelen Bucephalus B.V.) hun aandelenbelangen in de ondernemingen "Supermarkt Rotterdam", [BEDRIJFSNAAM], [SHANGHAI VENNOOTSCHAP] Ltd., Vastgoed [SHANGHAI VENNOOTSCHAP], zeggenschap [SHANGHAI VENNOOTSCHAP], Radiant, Bioblue en TTS hadden ingebracht of in zouden brengen; - de door verdachte en zijn mededader(
  22. s)in Bucephalus B.V. in te brengen aandelenbelangen in de ondernemingen "Supermarkt" Rotterdam, [BEDRIJFSNAAM], [SHANGHAI VENNOOTSCHAP] Ltd., Vastgoed [SHANGHAI VENNOOTSCHAP], zeggenschap [SHANGHAI VENNOOTSCHAP], Radiant, Bioblue en TTS veel te hoog te waarderen, en op tijdstippen in de periode tussen 1 juli 2005 en 19 september 2005 [aangever 18],

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.