RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH Sector Kanton, locatie Eindhoven In de zaak van: [eiser], wonende te [plaats], eiser, gemachtigde: mr. S. Baghat-Ziadi, t e g e n : [gedaagde], gevestigd te [plaats], gedaagde, gemachtigde: mr. J.J.W. van Mens. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.
(17)na zijn indiensttreding zegt [gedaagde], na verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst op wegens bedrijfseconomische redenen. Deze reden voor het ontslag ligt in de risicosfeer van [gedaagde]. De vraag rijst of betekenis toekomt aan de omstandigheid dat [eiser] vóór het aangaan van de nieuwe arbeidsovereenkomst met [gedaagde] anciënniteit heeft opgebouwd bij Nepeco/SPS, nu [gedaagde] en SPS beide 100% dochterondernemingen zijn van Nepeco. De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Bij de beoordeling van de vraag of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenaamde gevolgencriterium is immers de maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden in aanmerking te worden genomen, dus ook of, zoals in dit geval, de werkgever eraan voorbij gaat dat de werknemer, vóór het aangaan van de (nieuwe) arbeidsovereenkomst, binnen het concern anciënniteit heeft opgebouwd (vergl. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 21 maart 2006, JAR 2006, 241). [eiser] is ten tijde van het ontslag 53 jaar oud, gedeeltelijk arbeidsongeschikt en eenzijdig opgeleid. Zijn positie op de arbeidsmarkt is derhalve slecht. Hij is door het ontslag geconfronteerd met een daling van inkomsten. Immers, hij verdiende bij [gedaagde] laatstelijk € 1.892,16 bruto per maand (inc. vakantiegeld); het bedrag dat [eiser] na het ontslag ontvangt is € 852,80 bruto per maand (WW-uitkering). Dit is een verschil van € 1.039,36 bruto per maand. [gedaagde] heeft ter compensatie van de negatieve financiële gevolgen van het ontslag voor [eiser] (en de andere werknemers die de onderneming door de reorganisatie hebben verlaten) niet voorzien in een sociaal plan of afvloeiingsregeling; aan [eiser] is geen outplacement aangeboden en hij evenmin begeleid naar ander (passend) werk. [gedaagde] heeft wel gesteld dat haar directie de lokale markt heeft afgezocht naar mogelijke vacatures, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt wat zij concreet heeft gedaan en wat de uitkomsten van haar inspanningen zijn geweest. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] zich passief heeft opgesteld en niet heeft meegewerkt, maar zij heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat zij [eiser] tevergeefs begeleiding heeft aangeboden. Aangezien het niet aannemelijk is dat [eiser] na het eindigen van zijn WW-uitkering spoedig passend werk zal kunnen vinden, valt hij dan terug op een vervolguitkering. Die gevolgen voor de inkomsten van [eiser] zijn ernstig. Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden is het door [gedaagde] aan [eiser] gegeven ontslag onder aanbieding van een vergoeding van € 2.500,-- naar het oordeel van de kantonrechter kennelijk onredelijk. De gevorderde verklaring voor recht ligt derhalve voor toewijzing gereed. 4.
- [eiser] vordert een bedrag van € 150.711,40 bruto terzake van vergoeding wegens het kennelijk onredelijk ontslag. 4.2.
- De kantonrechter stelt voorop dat de schadevergoeding die [eiser] dient te ontvangen, strekt ter compensatie voor de kennelijke onredelijkheid van het door [gedaagde] gegeven ontslag. De hoogte van de schadevergoeding dient derhalve in beginsel gelijk te worden gesteld aan de (financiële) voorziening die [gedaagde] bij het ontslag had moeten treffen. Anders gezegd: in het onderhavige geval bestaat de schade van [eiser] uit het niet verkrijgen van een passende financiële voorziening. Een vergoeding van de door [eiser] tot zijn pensioendatum gestelde schade, zoals gevorderd, is niet aan de orde. 4.2.
- Conform de recente jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot schadebegroting in geval van een kennelijke onredelijke opzegging, dient de schade op de voet van art. 6:97 BW te worden begroot. Nu de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, dient zij te worden geschat. Bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding moet de na het einde van de dienstbetrekking intredende omstandigheden buiten beschouwing worden gelaten, behoudens voor zover daaruit aanwijzingen zijn te putten voor hetgeen uiterlijk op het tijdstip van ingang van het ontslag kon worden verwacht met betrekking tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. 4.2.
- Bij de bepaling van de hoogte van de financiële voorziening houdt de kantonrechter rekening met alle hiervoor besproken omstandigheden, die hebben geleid tot het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] als goed werkgeefster aan [eiser] een voorziening had moeten aanbieden dat bestond uit een budget waarmee zijn WW-uitkering gedurende een periode van 24 maanden tot 100% van zijn laatstgenoten brutoloon inclusief vakantiebijslag kon worden aangevuld, teneinde te wennen aan inkomensachteruitgang en dat voorts bestond uit een bedrag ad € 25.000,- dat kon worden aangewend voor scholing of begeleiding naar ander werk. Nu die voorziening door [gedaagde] niet is getroffen zal de kantonrechter het daarmee gemoeide bedrag kapitaliseren tot een afgerond bruto bedrag en dat bedrag als schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag toewijzen. Dat komt neer op een bedrag van afgerond € 50.000,- bruto, zodat de gevorderde vergoeding slechts tot dit bedrag wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal conform de vordering worden toegewezen vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening. 4.
- [eiser] vordert voorts een bedrag van € 3.504,- bruto wegens achterstallig loon. Hij legt aan deze vordering ten grondslag dat [gedaagde] niet de juiste opzegtermijn van 3 maanden in acht heeft genomen, nu zij ten onrechte is uitgegaan van een dienstverband van 1 jaar in plaats van 38 jaar. Daardoor is [gedaagde] op grond van art. 7:677 BW jegens hem schadeplichting en vordert hij vergoeding van de schade die € 3.504,- bruto bedraagt (wegens het mislopen van 2 maanden loon inclusief vakantiegeld). 4.3.
- [gedaagde] heeft deze vordering bestreden. 4.3.
- De kantonrechter is van oordeel dat de aan de vordering ten grondslag gelegde stelling te weten dat het dienstverband met [gedaagde] 38 jaar heeft geduurd, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.
- is overwogen, niet als juist kan worden aanvaard. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde], mede gelet op art. 7:672 lid 2 aanhef en onder a BW, de arbeidsovereenkomst schadeplichtig heeft opgezegd. De vordering moet derhalve worden afgewezen. In het verlengde daarvan worden de gevorderde wettelijke verhoging en rente over dit bedrag eveneens afgewezen. 4.
- Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiser] zijn eis, zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding, in die zin verminderd dat hij de onder c en d vermelde vorderingen heeft ingetrokken, aangezien deze vorderingen door [gedaagde] zijn betaald. 4.4.
- De kantonrechter begrijpt dat partijen ter comparitie het erover eens zijn dat [gedaagde] terzake van de achterstallige uitbetaling van (niet genoten) vakantiedagen een bedrag van € 334,07 bruto was verschuldigd aan [eiser], hetgeen inmiddels is betaald door [gedaagde]. De gevorderde wettelijke verhoging over dit bedrag zal conform de vordering worden toegewezen. De kantonrechter acht mitsdien een bedrag ad € 167,03 toewijsbaar terzake van de wettelijke verhoging. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt, gelet op art. 6:119 BW juncto art. 7:625 BW, toegekend vanaf de 34e werkdag na 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening. 4.
- Voor het overige heeft [eiser] geen feiten en omstandigheden gesteld, die indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De kantonrechter passeert daarom het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod van [eiser] als niet terzake dienend. 4.
- [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
- De beslissing De kantonrechter: verklaart voor recht dat de opzegging kennelijk onredelijk is; veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van - € 50.000,-- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 167,03 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 34e werkdag na 1 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] gevallen en tot op heden begroot op € 99,07 wegens dagvaardingskosten, € 208,-- wegens vastrecht en € 900,-- wegens bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast); verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Aldus gewezen door mr. E.A.M. van Oorschot, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2011.