RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummers: AWB 11/469 en AWB 11/532 Uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2011 inzake 1. [eiser sub 1], gemachtigde mr. J.H.M. Verjans, en 2. [eiser A sub 2], [eiser B sub 2], [eiser C sub 2] en [eiser D sub 2], gemachtigde mr. H.U. van der Zee, allen te [woonplaats], eisers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deurne, verweerder, gemachtigden ing. H. Sonnemans en mr. C.G.N. Claessens. Derde-belanghebbende partij: [derde-belanghebbende] te [plaats], gemachtigde mr. F.K. van den Akker, hierna aan te duiden als: [derde-belanghebbende]. Procesverloop Bij besluit van 14 december 2010 heeft verweerder op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna aan te duiden als: het Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld voor de door [derde-belanghebbende] gedreven inrichting aan de [adressen] te [plaats]. Dit besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid en op 24 december 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft eiser sub 1 op 1 februari 2011 beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eisers sub 2 hebben tegen dit besluit op 3 februari 2011 beroep ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft beide beroepschriften ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank. De zaken zijn behandeld ter zitting van 19 mei 2011, waar eiser sub 1 is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [...]. Eisers sub 2 zijn eveneens verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens [derde-belanghebbende] is verschenen [...], bijgestaan door de gemachtigde. Overwegingen 1. Aan de orde is de vraag of verweerder de in geding zijnde maatwerkvoorschriften heeft mogen stellen. <u>Bevoegdheid van de rechtbank</u> 2. Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Invoeringswet Wabo in werking getreden. Bij laatstgenoemde wet is onder meer de Wet milieubeheer (Wm) gewijzigd. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wm, zoals dit luidt na die wijziging en voor zover hier van belang, zijn besluiten als bedoeld in artikel 8.42 van die wet van beroep bij de Afdeling uitgezonderd. Tot 1 oktober 2010 kon tegen die besluiten beroep bij de Afdeling worden ingesteld. Sindsdien kan tegen die besluiten beroep bij de rechtbank worden ingesteld, waarna hoger beroep bij de Afdeling openstaat. 3. Bij deze wijziging van artikel 20.1 Wm heeft de wetgever met betrekking tot besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42 Wm, niet in overgangsrecht voorzien. Gelet daarop gaat de rechtbank er van uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2010, LJN BO6653. 4. Nu het besluit van 14 december 2010 waartegen beroep is ingesteld, een besluit is tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42 Wm en dateert van na 30 september 2010, is de rechtbank bevoegd op de beroepen te beslissen. <u>Feiten en omstandigheden</u> 5. De inrichting is sedert de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw aan de [perceel 1] te [plaats] gevestigd. Inmiddels behoort ook het aan de overzijde gelegen perceel [perceel 2], gelegen op industrieterrein “De Leemskuilen”, tot de inrichting. 6. In de inrichting vinden onder andere de volgende werkzaamheden plaats: - het voorbewerken en assembleren van onderdelen van carrosserieën voor aanhangwagens; - het voorbewerken (o.a. boren en zagen) van multiplex vloerplaten en het aanbrengen van een latex toplaag op deze vloerplaten; - het reinigen van gereedschappen en gereed product; - het opslaan van halffabrikaten en gereed product; - het laden en lossen van halffabricaten en gereed product; - het parkeren van bedrijfsvoertuigen; - kantoor- en administratieve activiteiten; - het in opslag hebben van materialen en het in gebruik hebben van elektro- en verbrandingsmotoren ten behoeve van de voornoemde activiteiten. 7. Bij besluit van 4 mei 2004 is voor de inrichting een revisievergunning op grond van de Wm verleend. Tegen dit besluit is door omwonenden beroep ingesteld. De Afdeling heeft de beroepen bij uitspraak van 22 december 2004, LJN AR8010, gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 4 mei 2004 gedeeltelijk vernietigd. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2005 de revisievergunning op enkele punten aangepast. 8. Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit in werking getreden. In bijlage 1, behorende bij het Activiteitenbesluit, zoals dit destijds luidde, zijn categorieën van inrichtingen genoemd die vergunningplichtig (op grond van de Wm) zijn. De onderhavige inrichting is sinds 1 januari 2008 een niet-vergunningplichtige inrichting. 9. Sinds 1 oktober 2010 is in artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), juncto bijlage 1, onderdelen B en C van het Bor geregeld welke inrichtingen vergunningplichtig (op grond van de Wabo) zijn. Vast staat dat de inrichting niet vergunningplichtig is en wordt bestreken door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. 10. Bij het bestreden besluit van 14 december 2010 heeft verweerder ten aanzien van de inrichting ambtshalve maatwerkvoorschriften gesteld. De maatwerkvoorschriften hebben betrekking op de aspecten geluid, afvalwater en licht. De maatwerkvoorschriften komen deels overeen met de voorschriften die aan de op 4 mei 2004 verleende revisievergunning waren verbonden. De revisievergunning is sinds de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 vervallen. De vergunningvoorschriften golden op grond van het bepaalde in artikel 6.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit tot 1 januari 2011 als maatwerkvoorschriften. 11. Eiser sub 1 is woonachtig aan de [perceel 3] te [plaats]. Eisers [eisers A en B sub 2] zijn woonachtig aan de [perceel 4] en eisers [eisers C en D sub 2] zijn woonachtig aan de [perceel 5] te [plaats]. De percelen [perceel 4] en [perceel 5] grenzen aan het terrein van de inrichting aan de [perceel 1]. Het perceel [perceel 3] ligt op korte afstand van de inrichting. Eisers stellen ernstige hinder van de inrichting te ondervinden en stellen zich – zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de maatwerkvoorschriften die verweerder heeft gesteld, ontoereikend zijn. <u>Wettelijk kader</u> 12. Ingevolge artikel 8.42, eerste lid, van de Wm kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8.40 met betrekking tot daarbij aangegeven onderwerpen de verplichting worden opgelegd te voldoen aan voorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu, gesteld door een bij die maatregel aangegeven bestuursorgaan. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, is op het stellen van voorschriften als bedoeld in het eerste lid, artikel 8.40, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing. 13. In artikel 8.40, derde lid, voor zover hier relevant, is bepaald dat ten aanzien van bij de regels te stellen voorschriften de bij of krachtens artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo gestelde regels over activiteiten met betrekking tot inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo van overeenkomstige toepassing zijn. 14. In artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier relevant, is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. 15. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder c onder 1 van de Wabo, neemt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval in acht dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken moeten worden toegepast. 16. Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatregelen kunnen mede inhouden dat de door de inrichting te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. <u>Beoordeling</u> 17. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2010, LJN BO6612, heeft verweerder beleidsvrijheid bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsvrijheid bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu. De rechtbank zal de beroepsgronden van eisers en verweerders standpunt, in het licht van het vorenstaande, hierna per aspect beoordelen. <i>Geluid</i> 18. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van gevoelige gebouwen tussen 07.00 en 19.00 uur niet meer bedragen dan 50 dB(A). 19. Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17, bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vaststellen. Blijkens het bepaalde in het tweede lid kan het bevoegd gezag slechts hogere waarden vaststellen als hiervoor bedoeld, indien binnen geluidsgevoelige ruimten dan wel verblijfsruimten van geluidgevoelige gebouwen, die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd. 20. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 2.20, eerste lid, van het Activiteitenbesluit het volgende maatwerkvoorschrift gesteld (voorschrift A.1): “Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door geluidsbronnen binnen de inrichting mag ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen [perceel 4], zijgevel en [perceel 3], achterzijgevel niet meer bedragen dan: - 51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur.” Dit is een hogere waarde dan de op grond van artikel 2.17 , lid 1, sub a van het Activiteitenbesluit toegestane 50 dB(A). 21. Verweerder heeft dit maatwerkvoorschrift gesteld omdat uit het akoestisch rapport dat Peutz&Associes op 17 juni 2003 in opdracht van [derde-belanghebbende] ten behoeve van de ingediende aanvraag om een revisievergunning, heeft opgemaakt, is gebleken dat aan de geluidsgrenswaarden van het Activiteitenbesluit kon worden voldaan, met uitzondering van twee immissiepunten, te weten de zijgevel van [perceel 4] en de achterzijgevel van [perceel 3]. Daar bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 51 dB(A) gedurende de dagperiode. Gelet hierop heeft de Afdeling bij uitspraak van 22 december 2004, LJN AR801, het aan de revisievergunning verbonden geluidvoorschrift dat het langtijdgemiddeld geluidniveau op geluidsgevoelige bestemmingen buiten het bedrijventerrein stelde op 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur, vernietigd voor zover het betreft de immissiepunten 2 en 4 ([perceel 3 en 4]). 22. Hierbij is er vanuit gegaan dat geluidemissie bij het bedrijf kan worden veroorzaakt door: - de geluiduitstraling van de bedrijfsgebouwen; - de geluidproductie bij de reinigingswerkzaamheden op het buitenterrein; - het rijden en manouvreren van de (vracht)auto’s, tractor en heftruck op de buitenterreinen; - het rijden van de (vracht)auto’s van en naar de inrichting. 23. Naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling heeft verweerder bij besluit van 11 januari 2005 het aan de op 4 mei 2004 verleende revisievergunning verbonden voorschrift D1 - voor zover hier relevant - zodanig aangepast dat het langtijdgemiddeld geluidsniveau veroorzaakt door geluidsbronnen binnen de inrichting ter plaatse van woningen van derden en andere geluidsgevoelige bestemmingen buiten het bedrijventerrein bij de immissieposities 2 en 4, afkomstig uit akoestisch rapport nr. F 16260-4, niet meer mag bedragen dan 51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode). Het thans in geding zijnde maatwerkvoorschrift A1 komt hiermee overeen. 24. Voor zover eisers hebben betoogd dat verweerder maatwerkvoorschrift A1 in redelijkheid niet heeft kunnen stellen omdat de representatieve bedrijfssituatie, en daarmee ook het langtijdgemiddeld geluidsniveau ter plaatse van hun woningen, is gewijzigd ten opzichte van de situatie in 2003, slaagt dit betoog niet. Ingevolge maatwerkvoorschrift A3 moet de inrichting in werking zijn conform de uitgangspunten van het akoestisch rapport Peutz & Associes, nr. F 16260-4, d.d. 17 juni 2003 (hierna: rapport Peutz). De representatieve bedrijfssituatie van de relevante geluidbronnen is in rapport Peutz weergegeven in paragraaf 2.3, pagina’s 8 tot en met 17. Verweerder en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat de huidige representatieve bedrijfssituatie overeenkomt met die als omschreven in rapport Peutz. De aard van het bedrijf is niet gewijzigd. Er worden nog altijd aanhangwagens geproduceerd. Dat, anders dan in 2003, thans ook boottrailers worden geproduceerd en minder paardentrailers, hangt samen met de vraag vanuit de markt. Het productieproces en de productieomvang zijn echter gelijk gebleven. Eisers hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Weliswaar hebben zij gesteld dat de geluidbelasting op de buitengevel van de woning aan de [perceel 3] ten gevolge van toegenomen bedrijvigheid op het terrein van [derde-belanghebbende] hoger is dan 51 dB(A) maar zij hebben deze stelling niet met objectieve gegevens onderbouwd. Ter voorlichting van eisers merkt de rechtbank in dit verband nog op dat, indien eisers zouden worden gevolgd in hun betoog dat de representatieve bedrijfssituatie ten opzichte van die waarop het rapport Peutz is gebaseerd, ten nadele van het milieu is gewijzigd, dit niet zonder meer betekent dat met betrekking tot het aspect geluid strengere maatwerkvoorschriften dienen te worden gesteld. Uitgaande evenwel van de in het rapport Peutz beschreven representatieve bedrijfssituatie, brengt een wijziging daarin ten nadele van het milieu mee, dat daartegen op grond van de bij het bestreden vastgestelde maatwerkvoorschriften handhavend kan worden opgetreden. 25. Eisers hebben er voorts op gewezen dat het rapport van Peutz in strijd met het bepaalde in artikel 3:11 van de Awb niet samen met het ontwerp-besluit ter inzage heeft gelegen. De rechtbank zal dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren, nu eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eisers, voor zover zij niet reeds voor de terinzagelegging van het ontwerp-besluit beschikten over rapport Peutz, dit als gedingstuk in de onderhavige beroepsdossiers aan hen is toegezonden en zij zich hierover hebben kunnen uitlaten. 26. Eisers sub 2 hebben nog betoogd dat verweerder niet zonder hiernaar onderzoek te verrichten heeft mogen aannemen dat de op grond van het Activiteitenbesluit gedurende de dagperiode geldende binnenwaarde van maximaal 35 dB(A) in hun woningen niet wordt overschreden. Verweerder heeft hiertegen aangevoerd dat akoestisch bekend en algemeen aanvaard is dat een gevel van een woning in zijn algemeenheid een geluidwering heeft van 20 tot 25 dB(A). Nu dit van de zijde van eisers niet is betwist en zij evenmin omstandigheden hebben aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de gevels van hun woningen mogelijk een lagere geluidwering hebben, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen aannemen dat het geluidniveau binnen de woningen van eisers niet de maximaal toegestane binnenwaarde van 35 dB(A) overschrijdt. Uitgaande van de representatieve bedrijfssituatie als omschreven in rapport Peutz, die, zoals hiervoor overwogen ook thans geldt en zal moeten worden gehandhaafd, zal het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevels van de woningen van eisers, veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten van [derde-belanghebbende] immers niet meer bedragen dan 51 dB(A). 27. Anders dan eisers sub 2 menen, heeft verweerder in redelijkheid kunnen afzien van een geluidmeting bij de woning [perceel 5]. Niet in geschil is dat de normstelling toereikend was in 2004. Nu ervan moet worden uitgegaan dat de representatieve bedrijfssituatie sindsdien niet is gewijzigd, was een akoestisch onderzoek naar het langtijdgemiddeld geluidniveau op de geval van de woning aan de [perceel 5] niet vereist. <i>Afvalwater</i> 28. Blijkens de algemene zorgplichtbepaling in het Activiteitenbesluit (artikel 2.1, eerste lid in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder b, n en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.