vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 220189 / HA ZA 10-2428 Vonnis van 21 september 2011 in de zaak van [Partij A], wonende te [woonplaats] eiser, advocaat mr. H.M.J. van Boxtel te Eindhoven, tegen [Partij B], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. H.A.M.J. Loeffen te Geldrop. Partijen zullen hierna [partij A] en [partij B] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 december 2010 - het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2011. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Medio 1993 heeft de op Curaçao wonende heer [XX], vader van [partij B] en grootvader van [partij A], onder andere zijn kleinkinderen een geldbedrag willen schenken. Daartoe zijn rond die tijd een aantal vennootschappen naar Antilliaans recht opgericht, waaronder Vebepes Company N.V. (hierna: Vebepes). Deze vennootschap had als statutaire zetel Curaçao (productie 17 zijdens [partij A]). De aandelen in deze vennootschappen zijn door of namens [XX] volgestort tot een totaalbedrag van EUR 226.890,10 (HFL 500.000,00). 2.2. Bij een op Curaçao opgemaakte akte zijn de aandelen in Vebepes geschonken aan [partij A] (hierna: de schenkingsakte, productie 1 dagvaarding). Hierin is onder A. bepaald dat de schenking namens [partij A] onder bewind werd aanvaard. De inhoud van dit bewind werd in de akte vervolgens nader ingevuld onder B. lid 4 onder i en ii: de schenking stond onder bewind van [XX] tot het moment dat [partij A] (geboortedatum 21 december 1983) 25 jaar werd. Ook werd onder B. lid 4 onder iv van de akte bepaald dat de wettelijk vertegenwoordiger van [partij A] (en dus [partij B]) kon beschikken over het geschonkene en vanaf de meerderjarigheid van [partij A], hijzelf samen met de bewindvoerder. 2.3. Vanaf de oprichting van Vebepes tot 18 december 2001 zijn [partij B] en ABN AMRO Trust Company (Curaçao) gezamenlijk bestuurder geweest van deze vennootschap. [XX] is in dezelfde periode enig commissaris van Vebepes geweest (productie 17 en 17a zijdens [partij A]). 2.4. Op enig moment in 2001 is besloten de vennootschap Vebepes te liquideren. Daartoe heeft [partij B] op verzoek van [XX] in september 2001 een (concept-)eindbalans van Vebepes opgesteld (productie 22 zijdens [partij A], één na laatste blad). Op 18 december 2001 is Vebepes vervolgens in liquidatie gegaan (productie 3 conclusie van antwoord). Daartoe is - middels een door [XX] namens de aandeelhouders van Vebepes ondertekende overeenkomst (productie 7 conclusie van antwoord) - Curab N.V. (hierna: Curab) als enige vereffenaar aangewezen. 2.5. Op voornoemde balans van Vebepes stond per 18 december 2001 als activa voor NLG 316.776,00 aan effecten en voor NLG 326.680,00 aan liquiditeiten (productie 22 zijdens [partij A], blad 20). Op 21 december 2001 is [partij A] 18 jaar geworden. Vanaf dat moment kon hij dus samen met de bewindvoerder ([XX]) over de schenking beschikken (onder B. lid 4 sub iv van de schenkingsakte). 2.6. Op 31 december 2001 bedroeg het saldo op de effectenrekening 44.11.37.792 op naam van Vebepes, aangehouden bij de ABN Amro Bank kantoor Eindhoven, NLG 325.892,41 (EUR 147.883,53, productie 8 conclusie van antwoord). Op enig moment in augustus /september 2002 is deze effectenportefeuille overgebracht naar effectenrekening [.......] bij dezelfde bank op naam van [partij A]. [partij B] was op deze effectenrekening gemachtigd en heeft het aandelenvermogen van [partij A] tot eind 2005 verder belegd (productie 20, 21 en 24 zijdens [partij A] en verklaring [partij B] ter comparitie). 2.7. Op 9 mei en 6 oktober 2005 heeft [partij B] - na verkoop van telkens een deel van de effecten - bedragen van respectievelijk EUR 15.000,00 en EUR 9.000,00 van de effectenrekening van [partij A] overgemaakt op zijn eigen bankrekening met nummer [.......] (productie 4 en 5 dagvaarding en verklaring [partij B] ter comparitie). 2.8. Op 29 november 2005 heeft - onder andere - [partij A] een document ondertekend waarin aan ABN Amro Eindhoven opdracht wordt gegeven de rekening met nummer [.......] op te heffen en het resterende saldo over te boeken op rekening [.......] ten name van [partij B] (productie 10 conclusie van antwoord). In de periode van 9 tot en met 16 december 2005 zijn alle effecten corresponderend met de effectenrekening van [partij A] verkocht, totale waarde EUR 216.203,45 (NLG 476.449,71, productie 3 dagvaarding). Het aldus ontstane totale saldo van deze rekening (EUR 216.606,44) is vervolgens op 19 december 2005 overgeboekt naar voormelde bankrekening van [partij B]. 2.9. Op 1 juli 2008 is [XX] overleden. Blijkens het bepaalde onder B. lid 4 sub ii van de schenkingsakte is het bewind op die dag overgegaan op [partij B]. Op 21 december 2008 is [partij A] 25 jaar geworden, waarmee het bewind is geëindigd (onder B. lid 4 sub i van de schenkingsakte). 3. Het geschil 3.1. [partij A] vordert –samengevat - de veroordeling van [partij B] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van: primair 1. schadevergoeding van EUR 240.606,44; 2. EUR 366.951,66 aan gederfde rente tot 1 januari 2010; 3. wettelijke rente vanaf 17 december 2005 over EUR 240.606,44, althans wettelijke rente vanaf 1 januari 2010 over EUR 607.558,10; subsidiair 1. schadevergoeding van EUR 240.606,44; 2. EUR 266.082,71 aan gederfde rente tot 1 januari 2010; 3. wettelijke rente vanaf 17 december 2005 over EUR 240.606,44, althans wettelijke rente vanaf 1 januari 2010 over EUR 506.689,15; meer subsidiair 1. schadevergoeding van EUR 240.606,44; 2. EUR 295.657,56 aan gederfde rente tot 31 december 2005; 3. wettelijke rente vanaf 31 december 2005 over EUR 536.264,00; meer-meer subsidiair 1. schadevergoeding van EUR 240.606,44; 2. EUR 176.516,60 aan gederfde rente tot 31 december 2005; 3. wettelijke rente vanaf 31 december 2005 over EUR 417.123,04; meer-meer-meer subsidiair een bedrag aan schadevergoeding nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de onrechtmatige daad werd gepleegd, althans vanaf 31 december 2005, althans vanaf 16 april 2010, althans vanaf de datum dagvaarding. Tenslotte vordert [partij A] de kosten van deze procedure. 3.2. [partij A] heeft aan zijn vorderingen - samengevat en voor zover na het verhandelde ter comparitie nog relevant- de volgende stellingen ten grondslag gelegd. 3.2.1. Bij de vereffening van Vebepes beschikte de vennootschap nog over een vermogen van NLG 650.171,00. De liquide middelen die zich blijkens de eindbalans in deze vennootschap bevonden zijn verdwenen en na vereffening niet aan [partij A] als aandeelhouder toegekomen. [partij B] was niet de vereffenaar van Vebepes, maar hij heeft als bestuurder onvoldoende toezicht gehouden op de vereffening door Curab. Bovendien heeft hij over dit toezicht, noch over zijn werkzaamheden als bestuurder rekening en verantwoording afgelegd aan [partij A]. Mede daarmee heeft [partij B] zijn taken als bestuurder onbehoorlijk vervuld, maar ook door geen administratie te voeren en de bescheiden en boeken van Vebepes niet minstens zeven jaar te bewaren. Dit alles maakt dat [partij B] ten aanzien van [partij A] als aandeelhouder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor zijn handelen als bestuurder, dan wel als bewaarder. 3.2.2. Nadat Vebepes was geliquideerd is [partij B] gemachtigd geweest op de effectenrekening van [partij A]. Gedurende deze periode heeft [partij B] er niet voor gezorgd dat een redelijk rendement op dit vermogen van [partij A] werd behaald, door dit ofwel conservatief te beleggen, dan wel te beleggen zoals dat is gedaan bij de nicht van [partij A], [YY]. Daarmee is [partij B] als zaakwaarnemer die het beheer van het vermogen van [partij A] na liquidatie van Vebepes stilzwijgend heeft voortgezet, toerekenbaar tekortgeschoten, dan wel heeft hij onrechtmatig gehandeld. Ook heeft [partij B] als vader onrechtmatige gehandeld door te weinig rendement te behalen en daar ingevolge artikel 379 van het Belgisch BW geen rekening en verantwoording over af te leggen. 3.2.3. Nu ervan moet worden uitgegaan dat het oorspronkelijk vermogen van HFL 500.000,00 tot 1 januari 2010 zou hebben gerendeerd zoals gesteld, bedraagt de schade op dit punt de primair en subsidair onder 2. gevorderde bedragen. Voor de vordering meer en meer-meer subsidiair onder 2. moet worden uitgegaan van het renderen van dit vermogen tot 31 december 2005 en zijn de daar genoemde schadebedragen geleden. 3.2.4. [partij B] heeft tenslotte tot eind 2005 verschillende bedragen van in totaal EUR 240.606,44 van de (effecten)rekening van [partij A] op zijn eigen bankrekening overgemaakt. Hiermee heeft [partij B] als zaakwaarnemer wanprestatie gepleegd, dan wel onrechtmatig gehandeld, althans is [partij B] ongerechtvaardigd verrijkt. De schade op dit punt, zoals gevorderd onder 1., bedraagt dan ook EUR 240.606,44, vermeerderd met rente. 3.3. [partij B] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij A], met zijn veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Bevoegdheid van deze rechtbank. 4.1. Nu [partij A] woonachtig is in België en [partij B] zijn woonplaats heeft in Nederland dragen de vorderingen van [partij A] uit dien hoofde een internationaal karakter. Daarom moet eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vorderingen kennis te nemen. Aangezien de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder te noemen: EEX-Vo) verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is op burgerlijke zaken als onderhavige in de Europese Unie, waarvan Nederland en België beide lidstaat zijn, dient de rechterlijke bevoegdheid beoordeeld te worden op basis van deze verordening. Volgens de hoofdregel van deze verordening (artikel 2, eerste lid EEX-Vo) dient [partij B] te worden opgeroepen voor de rechtbank in de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft. Dit betekent dat deze rechtbank bevoegd is van onderhavige geschil kennis te nemen. Het op dit geschil toepasselijk recht. 4.2. Ter comparitie is duidelijk geworden dat [partij A] de in de dagvaarding geformuleerde verwijten ten aanzien van het ontbreken van vermogenstoename binnen Vebepes in de periode tot en met de vereffening, alsmede ten aanzien van het tekortschieten van [partij B] als vereffenaar van deze vennootschap heeft laten vallen. De rechtbank begrijpt hieruit dat [partij A] daarmee [partij B] ook niet langer verwijt als bewaarder van de vereffeningsbescheiden van Vebepes tekort (te kunnen) zijn geschoten en zal dit alles bij de beoordeling van dit geschil buiten beschouwing laten. Het vervallen van deze verwijten leidt ook tot het volgende. [partij A] is drie dagen nadat Vebepes in liquidatie is gegaan achttien jaar oud geworden en op dat moment - naar alle rechtsstelsels die op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing kunnen zijn (Nederlands, Antilliaans of Belgisch recht) - meerderjarig geworden. Nu de in geding zijnde schenking van [partij A] op dat moment nog bestond uit de aandelen van de vennootschap Vebepes (in liquidatie) en de verwijten die zien op (verlies van) van waarde van dit aandelenvermogen tot dat moment zijn vervallen, behoeven ook de feitelijke verwijten die [partij B] zijn gemaakt in zijn rol als ouder en wettelijk vertegenwoordiger van [partij A] als minderjarige, niet langer beoordeling. Ditzelfde geldt voor de stelling dat [partij B] naar Belgisch recht geen rekening en verantwoording als ouder heeft afgelegd. In de periode tot aan meerderjarigheid is immers de nu nog gevorderde schade niet geleden. De rechtbank zal ten aanzien daarvan dan ook geen toepasselijk recht vaststellen. 4.3. De rechtbank zal de vraag welk recht op dit geschil verder van toepassing is beoordelen naar de grondslagen uit de dagvaarding die door [partij A] zijn gehandhaafd. Dit betreft allereerst de verwijten dat [partij B] als bestuurder onvoldoende toezicht heeft gehouden op de vereffenaar, alsmede dat hij in die hoedanigheid ook vóór vereffening op diverse punten tekort is geschoten, waaronder in het niet bijhouden en het niet ¬bewaren van de boekhouding van Vebepes. De Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: de Rome II verordening) is voor de beoordeling hiervan niet toepasselijk, zo bepaalt artikel 1, tweede lid onder d. hiervan. In dit artikel is immers opgenomen dat deze verordening niet ziet op verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen, waaronder de (persoonlijke) aansprakelijkheid van leden van de organen hiervan voor de schulden van de vennootschap (in dit geval: aan aandeelhouder [partij A]). De gestelde aansprakelijkheid wordt naar Nederlands IPR buiten toepasselijkheid van deze verordening geregeld in de Wet Conflictenrecht Corporaties (WCC). Artikel 3 aanhef en onder d., in samenhang gelezen met artikel 2 van de WCC bepaalt dat op de aansprakelijkheid van [partij B] als bestuurder jegens de vennootschap (en de daarvan afgeleide gestelde aansprakelijkheid tegenover [partij A] als aandeelhouder van Vebepes) het recht van toepassing is van de plaats van vestiging van de vennootschap. Nu Vebepes was gevestigd te Curaçao, is op dit (deel van het) geding dan ook het recht van de (toenmalige) Nederlandse Antillen van toepassing. 4.4. Ten aanzien van de periode na liquidatie van Vebepes heeft [partij A] gesteld dat [partij B] als zaakwaarnemer wanprestatie heeft gepleegd, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij - kort gezegd - het uit Vebepes komende vermogen van [partij A] tot 31 december 2009 niet heeft doen toenemen. Bovendien heeft [partij B] zich - kort gezegd - in 2005 ruim EUR 240.000,00 van [partij A] toegeëigend. Daardoor is [partij B] ook ongerechtvaardigd verrijkt, zo stelt [partij A]. Bij de beoordeling hiervan neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden als uitgangspunt. [partij B] kon als wettelijk vertegenwoordiger van [partij A] uit hoofde van het bepaalde onder B. lid 4. onder iv van de schenkingsakte in ieder geval tot de meerderjarigheid van [partij A] over de oorspronkelijke schenking in aandelen van Vebepes, een vennootschap naar Antilliaans recht, beschikken. De schenking is gedaan door [XX], ingezetene van Curaçao, de plaats waar ook de schenkingsakte is opgemaakt. Op deze schenking en het beschikken van [partij B] over het geschonkene is gedurende de minderjarigheid van [partij A] daarom Antilliaans recht van toepassing. Vast staat dat [partij B] het beheer hiervan na de meerderjarigheid van [partij A] (feitelijk) heeft voortgezet door de effectenportefeuille afkomstig uit Vebepes na haar vereffening (verder) te beleggen, zonder dat hij hiertoe in deze schenkingsakte zelfstandig bevoegd was. Dit betekent dat de gestelde (tekortkomingen in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.