RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 12/699 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2012 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. drs. F.K. van den Akker) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder (gemachtigde: M.L.M. Lammerschop). <b>Procesverloop</b> Bij besluit van 5 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser strekkende tot verlening van omzettingsvergunningen ten aanzien van de panden aan [adres 1] en [adres 2] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van 18 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. <b>Overwegingen</b> 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. 2. Eiser is eigenaar van de panden aan [adres A] en [adres B] te [plaats]. De panden zijn gelegen in de wijk [wijk, buurt]. 3. Met betrekking tot het pand met huisnummer [A] is in 1990 door verweerder een kamerverhuurvergunning afgegeven onder de voorwaarde dat in het pand niet meer dan vier personen woonachtig zijn. Bij brief van 19 januari 2009 heeft verweerder aan de rechtsvoorgangers van eiser laten weten dat zij op grond van de nieuwe regelgeving worden geacht in het bezit te zijn van een omzettingsvergunning met betrekking tot het pand aan [adres A]. 4. Op 31 maart 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een omzettingsvergunning voor beide panden. In de aanvraag heeft eiser aangegeven dat in het pand met huisnummer [A] zes personen woonachtig zijn en dat in het pand met huisnummer [B] zeven kamers aanwezig zijn. 5. Aan de hand van een vastgesteld formulier hebben medewerkers van stadstoezicht hun bevindingen over de panden [adres A] en [B] op 8 november 2010 weergegeven. Zij geven aan dat de voortuin verwilderd en/of rommelig is en dat om 19.55 uur de meeste parkeerplaatsen bezet zijn. Dit laatste was niet het geval om 15.33 uur. Ten aanzien van alle overige punten zijn geen negatieve bevindingen gedaan. 6. De wijkcoördinator heeft aan de hand van het formulier ‘Beoordeling leefbaarheidstoets ten behoeve van aanvraag splitsings- en of omzettingsvergunning’ op 16 december 2010 en 7 maart 2011 voor de panden [adres A] en [B] een leefbaarheidstoets ingevuld en negatief geadviseerd over de aangevraagde vergunning. ten aanzien van de aanvraag van eiser. In het formulier van 7 maart 2011 staat vermeld dat er voor de wijk [wijk] signalen zijn dat de leefbaarheid onder grote druk staat wegens toenemende verdichting, dat de gemiddelde woningdichtheid in de [buurt] meer dan 40 woningen per hectare bedraagt en dat onder de bewoners onvrede en vrees bestaat over de nog verder toenemende verstening en de verdichting en het afnemen van de leefbaarheid in de [buurt]. Daarbij heeft de wijkcoördinator onder meer gewezen op het toegenomen aantal woningsplitsingen en kamerbewoning, dat er de laatste jaren een forse toename plaatsvond van kamerbewoning van panden door meerdere huishoudens, dat verdere verdichting opkomst is door de bouw van appartementen, dat door de toename van het aantal bewoners verkeerbewegingen toenemen, dat er door de toename van het aantal mensen onvoldoende parkeerplaatsen zijn, dat sprake is van verpaupering en een rommelig straatbeeld door fietsen van met name studenten en containers, dat sprake is van signalen van overlast en dat de waarnemingen ter plaatse dit bevestigen en dat ten aanzien van panden in de [buurt] en in de [straat] in het bijzonder sprake is van illegale kamerverhuur. 7. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvragen voor beide panden gehandhaafd op de grond dat toekenning van de vergunningen zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de panden. Verweerder heeft daarbij gewezen op de bevindingen van de wijkcoördinator. Volgens verweerder zijn er geen redenen om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. 8. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten aanzien van het pand met huisnummer [A] al beschikt over een omzettingsvergunning en dat deze vergunning op grond van artikel 30 van de Huisvestingswet en op grond van artikel 5.12 van de Regionale Nood-Huisvestingsverordening 2008 niet is of kan worden beperkt tot een bepaald aantal onzelfstandige woonruimten. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt. 9. Op grond van artikel 30, eerste lid en onder c, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten. 10. De rechtbank is met eiser van oordeel dat voor het pand [adres A] geen omzettingsvergunning hoefde te worden aangevraagd. Voor dit pand was immers al een omzettingsvergunning afgegeven waarmee de woonruimte van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte is omgezet en waardoor deze woonruimte geheel aan de bestemming van zelfstandige woonruimte is onttrokken. Verweerder was dan ook niet bevoegd voor het pand [adres A] een (nieuwe) omzettingsvergunning te eisen (voor de uitbreiding van het aantal kamers in dat pand). De beroepsgrond treft dus doel. 11. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat toekenning van de gevraagde vergunningen zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de panden. Volgens eiser mag, gelet op het bepaalde in artikel 5.5 van de Regionale Nood-Huisvestingsverordening 2010, een individuele aanvraag van een omzettingsvergunning niet uitsluitend worden geweigerd op basis van een negatieve beoordeling van de wijk als geheel. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt. 12. In artikel 5.4, tweede lid, van de Regionale Nood-Huisvestingsverordening 2010 is bepaald dat het bevoegd gezag een vergunning weigert indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.