vonnis RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH Sector Strafrecht Parketnummer: 01/849402-11 Datum uitspraak: 01 oktober 2012 Vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1970], wonende te [woonplaats], [adres], thans gedetineerd te: Vught PPC. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 november 2011, 21 februari 2012, 14 mei 2012, 28 juni 2012 en 17 september 2012. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 november 2011. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 14 mei 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 09 juli 2006 te Wanroij, gemeente Sint Anthonis, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(
(4)jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast eist de officier van justitie de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De verdediging is van oordeel dat een straf gelijk aan het voorarrest dient te worden opgelegd met aanvullend een voorwaardelijke terbeschikkingstelling met als bijzondere voorwaarde dat verdachte meewerkt aan zijn behandeling. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft op 9 juli 2006 op een camping in Wanroij [slachtoffer ], die toen 9 jaar oud was, van haar vrijheid beroofd, mishandeld en verkracht. [slachtoffer ] was met haar familie als gast op de camping aanwezig en zou gaan zwemmen. Zij is in haar eentje nog even teruggelopen naar de stacaravan om haar bril terug te brengen. Nadat zij dat had gedaan en weer terugliep naar de zwemplaats - een loopje van slechts een paar minuten - is [slachtoffer ] door verdachte van achteren vastgepakt, bedwelmd met chloroform, de bosjes ingetrokken en seksueel misbruikt. Toen [slachtoffer ] weer bijkwam heeft verdachte zich uit de voeten gemaakt. Pas jaren later - toen verdachte in verband met een veroordeling voor een ander strafbaar feit DNA moest afstaan - is justitie hem op het spoor gekomen, kon het onderzoek worden afgerond en verdachte voor dit misdrijf ter verantwoording worden geroepen. Verdachte heeft op abjecte wijze misbruik gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer - een kind - en heeft haar bovendien eerst weerloos gemaakt door haar met chloroform te bedwelmen. Hierdoor kan [slachtoffer ] zich niet herinneren wat er precies is gebeurd en kan zij hierover dus ook geen verklaring afleggen. De rechtbank acht het zeer voorstelbaar dat het gebeurde in de loop van [slachtoffer ]'s leven grote gevolgen kan hebben voor haar ontwikkeling en welzijn. Daarnaast leidt dit soort feiten tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid bij mensen in het algemeen en zeker bij mensen die kinderen hebben. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank geen andere straf passend dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is in 2010 - dus na het begaan van de strafbare feiten die nu aan de orde zijn - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan een jaar voorwaardelijk wegens - kortgezegd - het over een langere periode vervaardigen van kinderporno en ontucht met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. De rechtbank is - gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht - van oordeel dat, indien deze misdrijven toentertijd gelijktijdig zouden zijn berecht, niet nog vier jaar extra gevangenisstraf zou zijn opgelegd, zoals gevorderd door de officier van justitie. Zonder af te doen aan de ernst van de nu bewezenverklaarde strafbare feiten zal de rechtbank om die reden een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Op 25 april 2012 hebben psycholoog G.M. Janssen en psychiater A.C. Bruijns, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De in dit rapport vermelde conclusie luidt - zakelijk weergegeven -: Bij betrokkene is sprake van pedofilie, van het niet exclusieve type en van een gemengde persoonlijkheidsstoornis, met narcistische, antisociale en theatrale kenmerken. De persoonlijkheidsstoornis is een chronische stoornis, die ook in de periode van het huidige ten laste gelegde aanwezig was. Aan de hand van de bewezenverklaarde feiten van de strafzaak uit 2010, kan de conclusie worden getrokken dat betrokkene ook in 2006, toen het huidige ten laste gelegde plaatsvond, pedofiele belangstelling had. Indien bewezen, zijn verschillende kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis te herkennen in het gedrag van betrokkene bij het ten laste gelegde feit. De emotionele onrijpheid deed hem verlangen naar een contact met, wellicht zelfs naar een zekere geborgenheid bij een kind. Het gebrekkige empathische vermogen belette hem, in combinatie met de lacunaire gewetensfunctie en het egocentrisme, afdoende te beseffen wat de consequenties van zijn gedrag voor het slachtoffer zouden zijn. Juist omdat, naar de inzichten van het onderzoekend team van het PBC, bij betrokkene zijn pedofiele seksuele belangstelling ingebed is in zijn persoonlijkheidsstoornis, komen wij tot de slotsom de rechtbank te adviseren betrokkene verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor het ten laste gelegde feit, indien bewezen. Bij onze conclusie hebben wij geen onderscheid gemaakt tussen primaire, subsidiaire of meer subsidiaire tenlasteleggingen. Het onderzoekend team heeft stilgestaan bij de vraag of betrokkene eventueel de chloroform met de opzet om te bedwelmen bij zich zou hebben gehad en of die mogelijkheid de mate van toerekeningsvatbaarheid zou beïnvloeden. Omdat, indien dat het geval zou zijn geweest, dezelfde psychopathologische motieven aan dit gedrag (weliswaar op een eerder moment in de keten van gedragingen) ten grondslag zouden hebben gelegen en zijn afwegingen hebben beïnvloed, zijn wij van mening dat de bovenstaande conclusie over de toerekeningsvatbaarheid hierdoor niet verandert. Dezelfde factoren die zijn genoemd bij de beantwoording van de vragen naar de beïnvloeding van de stoornis op het gedrag bij het ten laste gelegde, gelden als belangrijke criteria voor het recidivegevaar. In het geval van betrokkene is het kennelijk, indien bewezen, niet per se nodig om een relatie met een slachtoffer op te bouwen alvorens hij tot een vorm van seksueel misbruik overgaat - zoals bij de meeste slachtoffers van de eerdere veroordeling wel het geval was. Derhalve zou het recidiverisico zich ook op kortere termijn zonder duidelijke voorafgaande signalen kunnen voordoen. Gelet op het strafdossier hebben recidiven zich in feite al voorgedaan. Voor de toekomst (eveneens voor de nabije toekomst) geldt dat er naast de beschreven psychische problematiek zeer waarschijnlijk ook een ernstige psychosociale problematiek zal gaan ontstaan. Betrokkene heeft nooit zelfstandig gefunctioneerd en de kans dat hij na detentie terug zou kunnen keren naar het ouderlijk huis is vrijwel uitgesloten. De belasting die een woonsituatie buiten het veilige nest voor de onzelfstandige en emotioneel onrijpe persoon van betrokkene zal opleveren, zal het recidivegevaar vergroten. Dit alles overwegende komt het onderzoekend team tot de conclusie dat het recidivegevaar voor vergelijkbare delicten als het huidige ten laste gelegde feit, indien bewezen, groot is. De risicotaxatie-instrumenten, die wij bij het onderzoek van betrokkene hebben afgenomen, onderbouwen deze klinische indruk. De HCR-20 geeft een matig tot hoog risico voor recidive van gewelddadige delicten. Naar de maatstaven van de SVR-20 en de Static-99 is er een groot risico op recidive van zedendelicten. Het instrument SAPROF, dat gericht is op beschermende factoren, geeft aan dat er in het geval van betrokkene weinig beschermende factoren aanwezig zijn. Het instrument van de PCl-R, waarvan de uitkomst in het psychologisch rapport is beschreven, geeft aan dat er bij betrokkene gesproken moet worden van trekken van psychopathie, waarbij hij vooral hoog scoort op de factor van de 'defectueuze affectieve beleving' en behoorlijk hoog op de factor van de 'arrogante en bedrieglijke inter-persoonlijke stijl'. Er is echter geen sprake van psychopathie volgens het concept van Hare. Om het recidivegevaar afdoende te beperken adviseren wij de rechtbank de maatregel van tbs met dwangverpleging op te leggen. Naar onze inschatting is het niet te verwachten dat een minder vergaande maatregel het recidivegevaar afdoende zou kunnen beperken. Betrokkene geeft nauwelijks blijk van besef, laat staan van enig inzicht in de aanwezige problematiek. Het is daarom niet te verwachten dat er, in het geval van een minder strikt kader dan dat van een tbs met dwangverpleging, sprake zou kunnen zijn van een overeenstemming over de problematiek die zou moet worden behandeld. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het pro justitia rapport van GZ-psychologe drs. M. van Heteren d.d. 3 september
- Dit rapport betreft een zogenoemd validerings-onderzoek, i.c. een rapportbeoordeling van het voornoemde PBC-onderzoek met eigen onderzoek door Van Heteren. Psycholoog mw. G.M. Jansen heeft, geconfronteerd met het rapport van drs. M. van Heteren, ter zitting van 17 september 2012 als getuige-deskundige een verklaring afgelegd, inhoudende dat zij - kortgezegd - blijft bij de hierboven genoemde conclusie van het Pieter Baan Centrum, dat de hoofdstoornis van verdachte een persoonlijkheidsstoornis betreft, waarin de pedofilie van het niet exclusieve type, ingebed is. Deze conclusie is niet alleen op het veroordelend vonnis, maar mede op de uitgebreide gesprekken die de onderzoekers met verdachte hadden en het milieuonderzoek gebaseerd. Daarnaast heeft de getuige-deskundige zich op het standpunt gesteld, dat psychologe Van Heteren tijdens haar onderzoek gebruik heeft gemaakt van niet gevalideerde vragenlijsten en dat zij voorts teveel is afgegaan op hetgeen verdachte haar vertelde. De rechtbank neemt van de rapportage van het Pieter Baan Centrum de conclusie, adviezen en de gronden waarop zij berusten - allen herhaald door de getuige-deskundige ter terechtzitting - over en maakt deze tot de hare. De rechtbank zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld. De rechtbank overweegt dat het hierna onder 1, primair te kwalificeren feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist en het een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank acht, mede gelet op de hierboven weergegeven conclusie van het Pieter Baan Centrum een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de meest adequate sanctie. Ter beveiliging van de maatschappij en ter realisering van de noodzakelijke behandeling van verdachte kan de rechtbank niet anders dan aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. Een minder verstrekkend juridisch kader, biedt naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende waarborgen ter bescherming van de samenleving. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ]. Het standpunt van de officier van justitie. De vordering van de benadeelde partij dient volgens de officier van justitie tot een bedrag van € 20.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 6.909,22 aan materiële schade te worden toegewezen, met daarbij de wettelijke rente en oplegging van de schademaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij dient voor het overige gevorderde bedrag niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. Het standpunt van de verdediging. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering te gecompliceerd is om in het kader van deze strafzaak af te doen. Verdachte is evenwel bereid om de kosten van de kleding ad € 25,00, de reiskosten tot een bedrag van € 250,00 en de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,00 te voldoen. Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding (post 5) tot een bedrag van € 5.000,- en materiële schadevergoeding (post 7) tot een bedrag van € 537,72 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan. De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 5.000,00 te boven gaat, omdat de rechtbank van oordeel is dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij (post 6) tot op heden begroot op € 500,- terzake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief in kantonzaken (2 punten à € 250,- per punt). Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan. Aangezien aldus aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat verdachte van de schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot schadevergoeding. Toepasselijke wetsartikelen. De beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 242, 282,
- DE UITSPRAAK Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven: T.a.v. feit 1 primair: verkrachting T.a.v. feit 2: mishandeling T.a.v. feit 3: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Legt op de volgende straf en maatregelen. T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3: Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 1 primair: Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar. T.a.v. feit 1 primair, feit 2, feit 3: Maatregel van schadevergoeding van € 5.537,72 subsidiair 62 dagen hechtenis. Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ] van een bedrag van € 5.537,72 (zegge: vijfduizend vijfhonderdzevenendertig euro en tweeënzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 5.000,= immateriële schadevergoeding (post 5) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 537,72 (post 7). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan. Beslissing op de vordering van de benadeelde partij: Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer ], van een bedrag van € 5.537,72 (zegge: vijfduizend vijfhonderdzevenendertig euro en tweeënzeventig eurocent), te weten € 5.000,= immateriële schadevergoeding (post 5) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 537,72 (post 7). Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag dat de vordering geheel is voldaan. Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op € 500,- terzake van kosten rechtsbijstand. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is. Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.M.P. Willemse, voorzitter, mr. M. Senden en mr. M.A. Bijl, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Cox-Wentholt, griffier, en is uitgesproken op 1 oktober
- 1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie regio Brabant Noord, [naam 2], proces-verbaalnummer 29-488219; aantal doorgenummerde bladzijden:
- 2 Uittreksel geboorteregister, proces-verbaal p. 36 3 Verslag verbatim studioverhoor op 10 juli 2006 vanaf omstreeks 15.06, proces-verbaal p. 190-192, 195-202 4 Proces-verbaal van bevindingen p. 37-38 5 Verklaring onderzoek zedendelicten, proces-verbaal p. 57-67 6 Bevindingen huisarts vermeld in rapport Forum Educatief, proces-verbaal p. 77 7 Rapport Forum Educatief d.d. 2 oktober 2006, proces-verbaal p. 80-81 8 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 17 september 2012 9 Proces-verbaal p. 37-39 10 Akte van geboorte, proces-verbaal p. 36 11 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 176-179 12 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 177 13 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 178 14 Aangifte door [betrokkene 5] d.d. 11 juli 2006, proces-verbaal p. 179 15 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 41-43 16 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 57 en 58 17 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 67 18 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 96-101 19 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 101 20 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 97 21 Deskundigenrapport NFI d.d. 2 augustus 2006, proces-verbaal p. 100 22 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 41-43 23 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de afname van de onderzoeksset zedendelicten, proces-verbaal p. 67 24 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 68-94 25 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 86-87 26 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 89-91 27 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 93 28 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 93 29 Rapport Forum Educatie, proces-verbaal p. 94 30 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 7 31 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 7 32 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 8 33 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 13 maart 2012, p. 9 34 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 14 juni 2012, 35 Rapport Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 14 juni 2012, p. 2 36 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 102-111 37 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 103 38 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 106 39 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 108 40 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 109 41 Rapport NFI d.d. 9 november 2006, proces-verbaal p. 110 42 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 117 43 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 118 44 Rapport NFI d.d. 11 mei 2011, proces-verbaal p. 119 ?? ?? 20 Parketnummer: 01/849402-11 [verdachte]