uitspraak RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH Sector Strafrecht Parketnummer: 01/025237-03 Uitspraakdatum: 10 oktober 2012 Beslissing verlenging terbeschikkingstelling Beslissing in de zaak van: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1982], verblijvende: [kliniek]. Het onderzoek van de zaak. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 juli 2004 is betrokkene ter beschikking gesteld. Deze terbeschikkingstelling is voor het laatst, bij beschikking van het gerechtshof van 21 maart 2011, met twee jaar verlengd. De vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 17 juli 2012 strekt tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling voor de duur van twee jaar. Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 september 2012. Hierbij zijn de officier van justitie, de deskundige drs. C.H.S. Gerritsma en de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouwe mr. S.C. Sassen gehoord. In het dossier bevinden zich onder andere: - het advies van drs. M.A. Polak, voorzitter raad van bestuur van de inrichting waar betrokkene verblijft, dr. J. Lucieer, psychiater en drs. C.H.S. Gerritsma, hoofd risicomanagement en behandeling, d.d. 15 juni 2012; - het psychiatrisch rapport van dr. E.D.M. Masthoff d.d. 7 juni 2012; - het psychologisch rapport van dr. Th.A.M. Deenen d.d. 12 juni 2012; - de omtrent de terbeschikkinggestelde gehouden wettelijke aantekeningen; - het persoonsdossier van terbeschikkinggestelde. De beoordeling. De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van medeplegen van poging tot moord, terwijl de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eiste. Het hiervoor genoemde misdrijf betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In voornoemd advies van het hoofd van de inrichting is onder meer het navolgende gesteld: Bij de heer [verdachte] is sprake van een complexe combinatie van problematiek: hij is behept met een identiteitsstoornis en een ernstige persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven met narcistische, schizotypische en antisociale trekken. Daarnaast is sprake van de stoornis van Asperger. Deze problematiek houdt direct verband met de totstandkoming van het indexdelict. De afgelopen periode heeft de heer [verdachte] zich ingezet voor zijn behandeling en deze heeft geleidelijk aan zijn vruchten afgeworpen. In de behandeling is ingezet op het vergroten van het probleembesef, acceptatie van beperkingen, het aanleren en uitbreiden van sociale, maatschappelijke en copingvaardigheden en het leren accepteren van ondersteuning en toezicht. De heer [verdachte] heeft (overwegend) gedisciplineerd deelgenomen aan de verschillende behandelonderdelen en heeft verschillende therapieonderdelen met goed gevolg afgerond. De verloven hebben in de behandeling nadrukkelijk een meerwaarde: op basis van zijn problematiek is het noodzakelijk dat de heer [verdachte] veel oefensituaties krijgt aangeboden om nieuwe vaardigheden te ontwikkelen en toe te blijven passen om bestendiging van gedrag te bewerkstelligen. De begeleide en onbegeleide verloven verlopen goed en ook op de afdeling is de heer [verdachte] zichtbaar aan de slag gegaan met de werkpunten van voorheen (zich begeleidbaar opstellen, verdragen van feedback, toepassen vaardigheden om met moeilijke situaties om te gaan). Hij vraagt hulp wanneer hij merkt dat zijn vaardigheden niet toereikend zijn. In het kader van risicomanagement is het zeer van belang dat in vergelijking met voorgaande perioden de samenwerking met de behandelstaf en de begeleidbaarheid van de heer [verdachte] verbeterd is. Hierdoor is het - binnen de kaders van het huidige risicomanagement - mogelijk geworden om vrijheden geleidelijk uit te breiden. Het streven is de heer [verdachte] over niet al te lange tijd over te plaatsen naar het resocialisatiecentrum. Dit is een zeer belangrijk toetsmoment in de behandeling. Zoals omschreven blijft - naast de positieve ontwikkelingen - sprake van structurele beperkingen en diverse aandachtspunten. De heer [verdachte] blijft - zij het minder dan voorheen - geneigd voor anderen te willen zorgen en is soms geneigd zijn vaardigheden te overschatten. Zo zijn zijn copingvaardigheden zeker verbeterd, maar deze kunnen onder druk tekortschieten. Ook zijn neiging zich excentriek te kleden is punt van zorg, gelet op het vinden van een goede inbedding. Positief is dat de heer [verdachte] de geboden begeleiding en het toezicht beter accepteert en dat zijn leerpunten beter bespreekbaar zijn geworden. Voor de lange termijn blijft de inschatting dat in het kader van risicomanagement op basis van structurele beperkingen (beperkte introspectieve vermogens, beperkte empathie, slecht aanvoelen van sociale situaties, rigiditeit) langdurig sprake dient te zijn van controle en ondersteuning bij de hantering van risicofactoren. De heer [verdachte] heeft in de klinische setting laten zien zorgvuldig om te gaan met zijn verantwoordelijkheden. De komende stap is een zeer belangrijke: toetsen of hij daarin ook blijft slagen als hij over gaat naar het resocialisatiecentrum. Tevens kan dan onderzocht worden of hij er in slaagt om een duurzame, goede inbedding te vinden. Gelet op de ernstige problematiek (die in de kern moeilijk te veranderen is) en de resterende risico's, acht de [kliniek] het - in het kader van risicomanagement - van belang om stappen vooruit te blijven zetten, maar acht zij daarbij de weg der geleidelijkheid nadrukkelijk aangewezen. Het risico is hoog dat de heer [verdachte] op middellange tot lange termijn vervalt in zijn oude levensstijl als de maatregel terbeschikkingstelling opgeheven zou worden. De heer [verdachte] heeft beperkte vaardigheden om zichzelf en zijn omgeving te verzorgen en heeft daarnaast beperkte vaardigheden om op adequate wijze met problemen om te gaan. Met name wanneer hij op straat leeft en zich aansluit bij een subcultuur als voorheen neemt de kans op crimineel gedrag sterk toe. De verwachting is dat hij agressief zal reageren in reactie op een agressieve bejegening, maar vooral in situaties waarin mensen waar hij om geeft agressief bejegend worden. Binnen deze overbeschermende rol is een risico op recidive in gewelddadig gedrag groot. Echter wanneer er afdoende controle en begeleiding aanwezig is en er duidelijke afspraken gemaakt worden met de heer [verdachte] kan een dergelijk verhoogd risico meer gemanaged worden. Dit maakt dat het recidiverisico bij onbegeleide verloven (en met een helder kader) als aanzienlijk lager wordt ingeschat. Op basis van de huidige risicotaxatie kan geconcludeerd worden dat, wanneer de heer [verdachte] zich aan de behandeling blijft conformeren en er sprake is van het voorgestelde risicomanagement, de risico's op korte termijn laag en op (middel)lange termijn gemiddeld zijn. Zoals omschreven is sprake van ernstige, gecombineerde problematiek. Een stoornis op het autistiforme spectrum is in de kern niet te genezen, wel kan de heer [verdachte] leren om op adequate wijze om te gaan met de structurele beperkingen die voortvloeien uit deze stoornis. De vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek compliceert de behandeling. Op basis van de gecombineerde problematiek (onder andere beperkte introspectieve vermogens, beperkte empathie, slecht aanvoelen van sociale situaties, rigiditeit in handelen als reactie op stress) is de [kliniek] van mening dat langdurig toezicht en begeleiding noodzakelijk zijn. Bij goed verloop van de behandeling en acceptatie van deze begeleiding, kan de beveiliging zeer geleidelijk worden afgebouwd. Gelet op al het bovenstaande is ons advies de terbeschikkingstelling van de heer [verdachte] met twee jaar te verlengen. In voornoemd psychiatrisch rapport van dr. Masthoff is onder meer het navolgende gesteld: Op grond van onderhavig onderzoek concludeert ondergetekende bij betrokkene in diagnostische zin tot een combinatie van PDD-NOS en een gemengde persoonlijkheids-stoornis met overwegend narcistische en daarnaast schizotypische kenmerken. In principe past dit bij de diagnostische visie van de kliniek met enige nuance-verschillen: PDD-NOS in plaats van de stoornis van Asperger en niet ook nog eens een aparte identiteitsstoornis classificeren. Met betrekking tot de behandeling constateert ondergetekende dat betrokkene gedurende zijn TBS traject diverse algemene en tevens enige specifiek bij zijn problematiek passende behandelmodaliteiten doorlopen heeft waaronder het delictscenario, de risicomanagement-groep, diverse non-verbale therapieën, individuele psychotherapie en - in zijn situatie expliciet van belang - het sociotherapeutisch milieu. Resultaat hiervan is dat bij betrokkene meer inzicht in de eigen problematiek is ontstaan (ofschoon hij eerder denkt in termen als bijzonder zijn en bewust op een bepaalde wijze leven dan in psychiatrische gestoordheden, is er zeker een bepaalde mate van introspectie op symptoomniveau), dat hij beter begeleidbaar is geworden en meer openstaat voor feedback welke hij gemiddeld genomen (ergo niet altijd) ook beter verdraagt. In acht nemende dat de beperkingen van betrokkene welke samenhangen met zijn (benoemde) psychopatholgie (in bepaalde mate) niet curatief behandelbaar zijn en de behandelresultaten tot op heden beschouwende, is ondergetekende van mening dat het (klinische) behandelplafond bij betrokkene bereikt is. Wat resteert is een resocialisatietraject waarbij begeleiding en toezicht noodzakelijk zijn. De eerste fase van dit traject (begeleid en inmiddels onbegeleid verlof alsmede werken buiten de kliniek) verloopt, rekening houdende met de beperkingen van betrokkene, in feite optimaal. De combinatie van autistiforme en persoonlijkheidsproblematiek is de centrale risicofactor bij betrokkene. Indien hij zonder duidelijk kader en zonder afdoende corrigerende begeleiding in een sociaal-maatschappelijk instabiele situatie zou belanden (bijvoorbeeld met problemen inzake huisvesting, daginvulling en/of financiën) en indien hij daarbij geïnvolveerd zou raken in niet gelijkwaardige, stress meebrengende interpersoonlijke relaties, is op de middellange en lange termijn de kans daarbij op verminderd realiteitsbesef, tekortschietende copingstijlen en uiteindelijk een hernieuwd (fors) geweldsdelict hoog. Gunstig is overigens dat betrokkene niet bekend is met middelenproblematiek, dat hij geen overduidelijke antisociale persoonlijkheidsstructuur heeft en dat hij op grond van bepaald zelfinzicht meewerkt met de geboden begeleiding. Bij een geleidelijke resocialisatie in gunstige omstandigheden met een duidelijk risicomanagement (zie verder hieronder), is de kans op recidive naar inschatting van ondergetekende laag. Betrokkene heeft naar mening van ondergetekende geen verdere winst meer te behalen hij een voortgezet verblijf in de kliniek. Het is aangewezen dat hij op korte termijn overgeplaatst wordt naar een resocialisatievoorziening buiten de kliniek (zoals [afdeling kliniek]) en dat vanuit daar geleidelijk verdere resocialisatiestappen gezet worden waarbij nog moet blijken welke vervolgstappen haalbaar zijn (zelfstandig wonen of toch eerder een begeleide woonvorm). Gelet op de aard van de problematiek van betrokkene en het scenario van het (ernstige) indexdelict acht ondergetekende het aangewezen dat het kader waarbinnen de resocialisatie plaatsvindt achtereenvolgens dient te zijn: onbegeleid verlof met overnachtingen, transmuraal verlof, proefverlof en - als een en ander goed verloopt - een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Met betrekking tot het risicomanagement is het van belang dat betrokkene tijdens de resocialisatiestappen goed gevolgd wordt, dat hij wordt voorzien van feedback inzake zijn beleving van en uitingen ten aanzien van de realiteit en inzake zijn handelen als reactie daarop. Er dient met name op gelet te worden dat betrokkene niet opnieuw te veel in zijn eigen wereld beland en bij opgelopen frustraties - al kan dit van zijn kant slechts bedoeld zijn om een ander te helpen - uiteindelijk geweld zal inzetten als bevond hij zich in een fantasy game. Gelet op de huidige ontwikkelingen lijkt een adequaat risicomanagement binnen de geschetste omstandigheden en kaders in casu goed haalbaar. Op grond van het bovenstaande adviseert ondergetekende om de TBS maatregel van betrokkene te verlengen en de dwangverpleging te continueren. Ervan uitgaande dat de kliniek daadwerkelijk voornemens is betrokkene aan te melden en over niet al te lange tijd te plaatsen op [afdeling kliniek] en daarbij de nog benodigde resocialisatieduur in acht nemende, adviseert ondergetekende een verlengingsduur van 2 (twee) jaren. Mocht op zitting echter blijken dat de genoemde intenties van de kliniek nog geenszins hebben geleid tot een concrete uitvoeringspraktijk, dan valt te overwegen de TBS maatregel van betrokkene met slechts een
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.