← Nederland

ECLI:NL:RBUTR:2000:3

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE UTRECHT Reg. nr: SBR 9911 183 UITSPRAAK van de arrondissementsrechtbank te Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: Rabofacet B.V., gevestigd te Zeist, eiseres, tegen Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, verweerder. I .VERLOOP VAN DE PROCEDURE Bij brief van 22 februari 1999 en nota's van 1 maart 1999 heeft verweerder een eerste administratief verzuim over de jaren 1994 tot en met 1997 geregistreerd onder oplegging van administratieve boetes van 25% over de ambtshalve vastgestelde premie over die jaren. Het tegen dit besluit op 15 maart 1999 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 14 mei 1999 ongegrond verklaard. Namens eiseres is tegen het besluit van 14 mei 1999 op 11 juni 1999 beroep bij deze rechtbank ingesteld. De beroepsgronden zijn aangevuld bij schrijven van 26 augustus

  1. Bij schrijven van 7 oktober 1999 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 20 juli 2000 waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigden,mrs. F. Magielsen en H. Klomp, medewerkers van het directoraat juridische en fiscale zaken, afdeling fiscale zaken binnenland van de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank b.a., handelend onder de naam Rabobank Nederland. Verweerder is daarbij verschenen bij gemachtigde mr. H.E. Nieman, medewerkster bij de afdeling bezwaar en beroep van GAK Nederland B.V., districtskantoor Amsterdam. 2OVERWEGINGEN Eiseres komt in onderhavig geding niet op tegen de registratie van een eerste administratief verzuim en de boetes die zijn opgelegd ter zake van de correcties van de ten onrechte niet aan premieheffing onderworpen onkostenvergoedingen. Derhalve is dat deel van het bestreden besluit niet in geding. Eiseres komt op tegen het deel van de hiervoor genoemde boetes dat is opgelegd in verband met de verzekeringsplicht van freelancers van eiseres. Derhalve staat de rechtbank in dit geding voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de bezwaren van eiseres tegen verweerders nota's waarbij administratieve boetes van 25% zijn opgelegd in verband met die verzekeringsplicht, ongegrond heeft verklaard. Daarbij gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 12 oktober 1998 is een looncontrole verricht bij eiseres. Naar aanleiding daarvan is op 21 december 1998 een looncontrolerapport opgemaakt. Daarin is onder meer het volgende opge- nomen:
  2. Verzekeringsplicht Buiten de loonadministratie zijn betalingen verricht aan een aantal free-lance medewerkers. Rabofacet verzorgt de facilitaire zaken - waaronder automatisering - voor de hele Rabo-organisatie. De markt voor automatiseerders is op dit moment niet ruim. Om toch goede automatiseerders aan zich te kunnen binden worden in enkele gevallen free-lance contracten opgesteld. Het betreft doorgaans personen die teveel verdienen om in een van de banksalarisschalen te kunnen vallen. Inmiddels is een protocol opgesteld waardoor de eventuele verzekeringsplicht van deze free-lance automatiseerders beoordeeld kan worden. ( ... ) In het verleden is bij Rabofacet niet zeer inzichtelijk gemaakt hoe de verzekeringsplicht van de free-lance medewerkers beoordeeld is geweest. De heren Kahn, Machielsen en Van Maldegem erkenden dat in een aantal gevallen, achteraf bezien, tot verzekeringsplicht besloten had moeten worden, waar dat niet gebeurd is. In overleg met hen is om redenen van administratieve eenvoud, op niet nominatieve basis en schattenderwijs een correctie opgesteld, waarbij Rabofacet vrijwaring verkrijgt voor premieafdracht over de jaren 1993 tlm
  3. ( ... )" Eiseres heeft verweerder (in de jaren van 1994 tot en met 1997) niet verzocht de verzekeringsplicht van de bij haar in dienst zijnde freelancers te beoordelen. Bij voornoemde nota's heeft verweerder eiseres boetes opgelegd van 25% over de op basis van voormelde controle over de jaren 1994 tot en met 1997 alsnog verschuldigde premie werknemersverzekeringen. Daarbij is over de jaren van 1994 tot en met 1997 een boete opgelegd van fl. 6924,-,9181,-,16.002,- respectievelijk 31.660,-. Eiseres voert, kort gezegd, aan dat niet aan haar opzet danwel grove schuld te wijten is dat te weinig premies zijn ingehouden en afgedragen en dat verweerder niet het vereiste bewijs heeft geleverd dat sprake is geweest van opzet of grove schuld. Verweerder voert aan dat eiseres met opzet dan wel grove schuld heeft gehandeld, aangezien eiseres blijkens voornoemd looncontrolerapport van 21 december 1998 heeft erkend dat zij in een aantal gevallen bij de beoordeling van de arbeidsverhoudingen van de freelancers verzekeringsplicht had moeten aannemen, doch om pragmatische redenen voorbij is gegaan aan de vraag of deze personen verzekeringsplichtig waren. Daarnaast heeft verweerder er op gewezen dat het destijds op de weg van eiseres had gelegen om aan verweerder te verzoeken de verzekeringsplicht te beoordelen. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat verweerder niet in voldoende mate heeft aangetoond dat eiseres voor het ten onrechte aannemen van zelfstandigheid van een aantal van de bij haar werkzame freelancers opzet dan wel grove schuld verweten kan worden. Hoewel eiseres enig verwijt kan worden gemaakt, heeft de rechtbank noch in de gedingstukken, noch naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, aanknopingspunten gevonden om te spreken van grove schuld of opzet. Zoals verweerder terecht opmerkt, had eiseres als werkgever verweerder kunnen vragen om de verzekeringsplicht van de bij haar werkzame freelancers te beoordelen. Daarmee had eiseres iedere twijfel over die verzekeringsplicht kunnen wegnemen. Nu eiseres dit heeft nagelaten en heeft gemeend zelf de verzekeringsplicht te kunnen beoordelen, heeft eiseres (enigszins) verwijtbaar gehandeld. Deze verwijtbaarheid is echter niet zodanig dat gesproken kan worden van opzet of grove schuld. Uit het looncontrolerapport van 21 december 1998 volgt dat eiseres heeft erkend dat achteraf gezien voor een aantal freelancers verzekeringsplicht had moeten worden aangenomen. Daaruit volgt echter niet dat eiseres op het moment dat zij ten onrechte aannam dat die freelancers niet verplicht verzekerd waren, met opzet dan wel grove schuld handelde. Uit de erkenning achteraf volgt immers niet dat eiseres destijds willens en wetens een verzuim pleegde of de aanmerkelijke kans aanvaardde dat een verzuim werd gepleegd, dan wel met aan opzet grenzende onachtzaamheid handelde. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres, zoals ter zitting is toegelicht, juist heeft geprobeerd om de verzekeringsplicht correct te beoordelen. Ter zitting is immers gebleken dat interne richtlijnen golden om te voorkomen dat ten onrechte verzekeringsplicht zou worden aangenomen. Op basis van die richtlijnen moest om de verzekeringsplicht te beoordelen onder meer worden nagegaan of de betreffende medewerker werkte voor meerdere opdrachtgevers, omzetbelasting afdroeg en bij de Kamer van Koophandel stond geregistreerd. Dat bij de genoemde looncontrole is gebleken dat eiseres desondanks ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake was van verzekeringsplicht terwijl daarvan wel sprake was en, zoals eiseres heeft gesteld, de teugels strakker moesten worden aangetrokken, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat eiseres tot dan toe met opzet of grove schuld handelde. Nu de grieven van eiseres doel treffen, zal het beroep gegrond worden verklaard. De aangevoerde bezwaren leiden derhalve tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de boetes die zijn opgelegd in verband met de verzekeringsplicht van freelancers van eiseres in de periode van 1994 tot en met
  4. Gelet op vorenstaande is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Nu de gemachtigden van eiseres werkzaam zijn bij het directoraat fiscale zaken van een andere rechts persoon als eiseres, is sprake van door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand zoals bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht en komen de door hen gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op ft. 1420,- als kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten die eiseres redelijkerwijs in verband met de behandeling van dit beroep heeft moeten maken is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank beslist als volgt. 3BESLISSING. De arrondissementsrechtbank te Utrecht, recht doende, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de boetes die zijn opgelegd in verband met de verzekeringsplicht van freelancers van eiseres in de periode van 1994 tot en met 1997, bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van fl. 450,- aan haar vergoedt, veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in dit geding ten bedrage van ft. 1420,-, te betalen door het Lisv. Aldus vastgesteld door mr. H.J.H. van Meegen, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 1 4 AUG. 2000 de griffier: W.B. Lakeman (bij afwezigheid van de behandelend griffier M.l. Konert) Afschrift verzonden op: 1 4 AUG. 2000 Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002,3500 DA Utrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.