VONNIS van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken, in de zaak van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , eiseres, procureur: mr. H. Braak, -tegen- [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, procureur: mr. C.L. Berkel. Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .
- Het verloop van de procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende: -dagvaarding van 13 januari 2004; -conclusie van antwoord; -ambtshalve gewezen, op 31 maart 2004 uitgesproken, tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is gelast; -proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 13 mei
- 1.2 Partijen hebben vervolgens vonnis gevraagd.
- De feiten 2.
- Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] is [eiseres] Holding B.V .. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] Holding B.V. is mevrouw [A] . 2.
- [gedaagde] is in gemeenschap van goederen met mevrouw [A] gehuwd. [gedaagde] is in loondienst van [eiseres] . 2.
- [gedaagde] heeft op 30 december 2003 een bedrag van € 140.000,-- doen overschrijven van een bankrekening van [eiseres] naar een op zijn naam gestelde privé-rekening bij de ABN-AMRO bank. 2.
- [eiseres] heeft op 13 januari 2004 ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de ABN AMRO bank.
- De vordering 3.l. [eiseres] vordert om [gedaagde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan haar, binnen een termijn van vijf dagen na het te wijzen vonnis, althans binnen een termijn welke de rechtbank gerechtvaardigd acht, terug te betalen een bedrag van € 140.000--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 december 2003 tot aan de dag der algehele voldoening. 3.
- Hetgeen [eiseres] aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd en het hiertegen gevoerde verweer komt in het hierna volgende voor zover nodig aan de orde.
- De beoordeling 4.l. [eiseres] heeft als grondslag voor haar vordering onder meer het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft op 30 december 2003, buiten medeweten en zonder toestemming van [eiseres] , een bedrag van € 140.000,-- laten overboeken van de rekening van [eiseres] naar een op zijn eigen naam gestelde rekening. Daarmee heeft [gedaagde] zijn bevoegdheid om namens [eiseres] betalingen te verrichten gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze hem als werknemer was verleend. Aldus is [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Tevens is sprake van onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiseres] . [gedaagde] dient de schade die [eiseres] hierdoor geleden heeft te vergoeden, door het overgeboekte bedrag, vermeerderd met rente en kosten, aan [eiseres] terug te betalen. 4.
- [gedaagde] heeft betwist dat de overboeking zonder toestemming van [eiseres] heeft plaatsgevonden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [eiseres] hem het overgeboekte bedrag heeft geleend om een eigen bedrijf mee op te zetten. Volgens [gedaagde] is de beweegreden van [eiseres] om thans een ander standpunt in te nemen, gelegen in de familiaire sfeer. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat hij bevoegd was om bankhandelingen met de rekeningen van [eiseres] te verrichten. 4.
- Met betrekking tot die bevoegdheid overweegt de rechtbank als volgt. Als vaststaand mag worden aangenomen dat [gedaagde] in de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen en ook ten opzichte van de bank bevoegd was zelfstandig bankhandelingen te verrichten. Dit is door [eiseres] ook niet betwist. Aangenomen moet echter wel worden dat [eiseres] deze bevoegdheid aan [gedaagde] heeft toegekend om hem in staat te stellen de gebruikelijke zakelijke transacties in het belang van de onderneming te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank valt de onderhavige transactie, waarmee een bedrag van € 140.000,-- aan het vermogen van [eiseres] is onttrokken, niet onder die bevoegdheid en behoefde [gedaagde] daarvoor de uitdrukkelijke toestemming van [eiseres] . Dat [gedaagde] daar eveneens vanuit gaat blijkt ook wel uit zijn stelling dat hij die toestemming van [eiseres] heeft verkregen, als uitvloeisel van een tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening. 4.
- Volgens [gedaagde] zou het hier gaan om een mondelinge overeenkomst tussen hem en zijn echtgenote, in haar hoedanigheid van middellijk bestuurder van [eiseres] . Mevrouw [A] heeft ter comparitie echter uitdrukkelijk betwist dat zij met haar echtgenoot een dergelijke overeenkomst heeft gesloten. Gezien die betwisting kan het bestaan van een overeenkomst van geldlening niet zonder nadere bewijsvoering worden aangenomen. Aangezien het [gedaagde] is die zich op deze overeenkomst beroept, rust de bewijslast op [gedaagde] . De rechtbank ziet echter geen aanleiding [gedaagde] tot het leveren van bewijs toe te laten. Ook indien immers sprake zou zijn van een geldlening is [gedaagde] verplicht het geleende bedrag aan [eiseres] terug te betalen. Nu [gedaagde] niet heeft gesteld dat een termijn voor terugbetaling is afgesproken kan er, gelet op het bepaalde in artikel 6:38 BW, van worden uitgegaan dat het geleende bedrag in beginsel terstond opeisbaar is. Van omstandigheden op grond waarvan in dit geval anders zou moeten worden geoordeeld is niet gebleken. De rechtbank acht hierbij met name van belang dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard bereid te zijn het geleende bedrag terug te betalen, mits zijn echtgenote erkent dat hij het bedrag niet gestolen heeft. Uit die bereidheid maakt de rechtbank op dat [gedaagde] ook in staat is het geld terstond terug te betalen. Uit het vorenstaande volgt dat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. 4.
- De gevorderde wettelijke rente is eveneens toewijsbaar en wel vanaf 13 januari 2004, aangezien vanaf die datum -de datum van beslaglegging- onomstotelijk vaststaat dat [eiseres] terugbetaling van het overgeboekte bedrag wenst. 4.
- [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, de kosten van het conservatoir beslag daarin inbegrepen.
- De beslissing De rechtbank: 5.l. Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 140.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2004 tot aan de dag der algehele voldoening; 5.
- Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot op deze uitspraak begroot op € 2.946,55 aan verschotten en op € 3.675,-- aan salaris van de procureur; 5.
- Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- Wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. I.P. Killian en is in het openbaar uitgesproken op woensdag 23 juni 2004.