RECHTBANK UTRECHT sector bestuursrecht nr. SBR 05/101 VV Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen: Bouwbedrijf De Waal B.V., gevestigd te Utrecht, verzoekster, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt, verweerder. 1. INLEIDING 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 23 december 2004 waarbij verzoekster is medegedeeld dat zij in overtreding is, doordat wordt gebouwd in afwijking van een verleende vergunning en dat zij de bouwactiviteiten per direct dient te staken en gestaakt te houden (bouwstop). 1.2 Het verzoek is op 27 januari 2005 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen [belanghebbende], bijgestaan door mr. A.P.W. Esmeijer, advocaat te Utrecht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van Raaij, werkzaam bij de gemeente De Bilt. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Op 2 juni 2003 is aan verzoeker een bouwvergunning verleend voor het veranderen/vergroten[adres]dres]adres] [adres]. De tegen dat besluit ingediende bezwaarschriften zijn bij besluit van verweerder van 18 maart 2004 ongegrond respectievelijk niet-ontvankelijk verklaard, waarbij wordt verwezen naar een advies van de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Vervolgens is in het betreffende besluit, waarvan verzoekster destijds een afschrift heeft ontvangen, tevens het volgende gesteld: “Daarnaast kunnen wij u mededelen dat in overeenstemming met de afspraken, gemaakt in de vergadering stuurgroep [adres] d.d. 26 januari 2004, de volgende voorwaarden bij het realiseren van de bouwvergunning BA 2404 nageleefd moeten worden: -de ontsluitingsroute voor het bouwverkeer moet aangelegd worden vanuit noordelijke richting, zodat de [adres] niet wordt belast met bouwverkeer; -de ingang van het sportcentrum gesitueerd moet zijn aan de noordzijde van het gebouw; -er wordt nog extra geluidsisolatie aangebracht.” Naar aanleiding van een controle op 23 december 2004 door een inspecteur van verweerder is aan verweerder gerapporteerd over bouwactiviteiten op het betreffende perceel. Volgens verweerder is sprake van bouwactiviteiten die in strijd zijn met een voorwaarde van de bouwvergunning met kenmerk BA 2404. Die voorwaarde houdt, aldus verweerder in het onder 1.1 genoemde bestreden besluit, in dat de ontsluitingsroute voor het bouwverkeer moet worden aangelegd vanuit noordelijke richting, zodat de [adres] niet wordt belast met bouwverkeer. Volgens verweerder mogen de bouwwerkzaamheden niet worden gestart, voordat overeenstemming is bereikt over de ontsluitingsroute (voor het bouwverkeer) vanuit de noordelijke richting, hetgeen ook aan verzoekster is medegedeeld door een inspecteur op 15 december 2004. Voorts mag volgens verweerder het aanleggen van een bouwweg op het bouwterrein niet gerealiseerd worden, omdat de betreffende gronden eigendom zijn van de gemeente en hiervoor de toestemming van verweerder is vereist. Hiervoor dient verzoekster een huurovereenkomst af te sluiten. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 27 december 2004 bezwaar gemaakt, waarbij (onder meer) het bestaan c.q. de status van de door verweerder genoemde voorwaarde wordt betwist. 2.4 In artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is bepaald dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders te bouwen. Op grond van artikel 100, derde lid, van de Woningwet vindt toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het stilleggen van werkzaamheden indien wordt gebouwd in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, slechts plaats in bij de Bouwverordening aangewezen gevallen en overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften. Op grond van artikel 11.1 van de Bouwverordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd de bouw stil te leggen indien er wordt gebouwd in afwijking van de bouwvergunning. 2.5 Voor de beantwoording van de vraag of verzoekster is gaan bouwen in afwijking van de aan haar op 2 juni 2003 verleende bouwvergunning, is in dit geval met name van belang de vraag of door de beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.