RECHTBANK TE UTRECHT Parketnummer: 16/029286-04; 01/046987-03(vord.tul); 04/050869-02(vord.tul); 04/050418-03(vord.tul) Datum uitspraak: 25 april 2005 Tegenspraak Raadsvrouwe: mr. M.H.J. Pluijmen G/T: Nee VERKORT VONNIS van de rechtbank te Utrecht, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaken tegen: [verdachte] thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting De Geniepoort te Alphen aan den Rijn. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 februari 2005 en 11 april 2005. tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 4 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 11 april 2005 toegestaan. Van de dagvaarding en van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd. De bewezenverklaring De raadsman heeft ter zitting van 11 april 2005 ten aanzien van het onder 3 onder B ten laste gelegde aangevoerd dat de handelingen van verdachte bij dat delict slechts kunnen leiden tot een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan diefstal met geweld hetgeen niet is ten laste gelegd. De mededader heeft geheel zelfstandig gehandeld toen hij de tas van het slachtoffer afnam en daaruit 500 euro heeft gehaald. Verdachte zou van dit alles niets gemerkt hebben. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Gelet op de modus operandi van de gepleegde feiten, komen de handelingen van verdachte en zijn mededader er telkens op neer dat aangetroffen goederen van waarde van welke aard dan ook dan wel van welk slachtoffer dan ook, meegenomen werden. Verdachte had kunnen weten dat zijn mededader een toevallig aanwezige tas niet zou laten staan, althans had verdachte zulks moeten vermoeden. Daarbij komt dat verdachte zijn aandeel heeft gekregen uit de buit, althans uit voormelde tas. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is geweest van medeplichtigheid maar van een medeplegen van het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage III van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd. Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De strafbaarheid van de feiten Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde: Medeplegen van afpersing, meermalen gepleegd. Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: Medeplegen van afpersing en diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan door en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering van de op te leggen sancties Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Op de dagvaarding is aan verdachte medegedeeld dat de ad informandum gevoegde strafbare feiten ter bepaling van de strafmaat ter kennis van de rechtbank worden gebracht en dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk zal worden vervolgd indien de rechtbank met die feiten rekening houdt. Nu verdachte de feiten heeft bekend zal de rechtbank rekening houden met elf ad informandum gevoegde feiten, zoals vermeld op blad 5 en 6 in bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt. Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. - verdachte heeft samen met zijn mededader in een tijdsbestek van minder dan twee weken een groot aantal benzinestations overvallen, bij welke overvallen hij en zijn mededader op zeer brutale wijze beiden met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de in die tankstations aanwezige personen hebben gedwongen tot afgifte van geld en goederen. Het motief voor deze overvallen was gelegen in het feit dat zij geld nodig hadden om hun drugsverslaving te kunnen bekostigen. Elke dag opnieuw besloten zij hun strooptocht voort te zetten. - Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de mogelijke consequenties van zijn daden voor de slachtoffers. - Dergelijke feiten brengen in de maatschappij in het algemeen, alsmede bij slachtoffers van en aanwezigen bij een dergelijk feit in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid te weeg; - Het is algemeen bekend dat slachtoffers van delicten waarbij de gezondheid van personen wordt geschaad dan wel bedreigd, daarvan nog lang psychische en/of lichamelijke gevolgen kunnen ondervinden. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 12 augustus 2004, waaruit blijkt dat de verdachte sedert het jaar 2000 meerdere malen is veroordeeld onder meer ter zake van gewelds- en vermogensdelicten. - een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de GGZ Groep Noord en Midden Limburg, Justitiële Verslavingszorg Limburg, d.d. 10 november 2004, opgemaakt door D. Sarkol, reclasseringswerker. - een omtrent verdachte opgemaakt rapport d.d. 30 maart 2005 van M.L.I.M. van Thiel, psychiater, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare. - een omtrent verdachte opgemaakt rapport d.d. 25 maart 2005 van drs. H. Scharft, psycholoog, inhoudende als conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de tenlastegelegde feiten - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zodat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt deze tot de hare. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten onder meer wordt veroordeeld tot -kort gezegd-: - een gevangenisstraf voor de duur van zeven
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.