RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht Reg. nr.: SBR 05/2910 VV Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht, in het geding tussen:
(1982)is gebleken dat de sterfte van nonnetjes, die optreedt als gevolg van de mechanische kokkelvisserij 0 tot 25% bedraagt. De sterfte van broedval van nonnetjes bedraagt 5 tot 30%. Vergunninghouder heeft ter zitting toegelicht dat dit een gedateerd onderzoek is. In het kader van de huidige proef wordt een klein deel van nonnetjes tussen de kokkels mee opgevist, circa 2 tot 3%, dat vervolgens er wordt uitgezeefd en teruggeplaatst. Ongeveer een kwart daarvan sterft, hetgeen in vergelijking met natuurlijke sterfte te verwaarlozen is, aldus vergunninghouder. Gelet op het vorenstaande alsmede de omstandigheid dat de kanoetstrandloper ook foerageert op andere soorten schelpdieren, alsmede zijn grote mobiliteit, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kunnen concluderen dat de verzaaiproef geen schadelijke gevolgen voor het voedselaanbod van de kanoetstrandloper zal hebben. Daarbij is tevens van belang hetgeen onder 2.10 is overwogen over het ontbreken van negatieve effecten en de waarschijnlijke positieve effecten van de verzaaiproef op de levensvatbaarheid van kokkels. 2.12 Gelet op de inhoud van het bestreden besluit kunnen verzoeksters niet worden gevolgd in hun stelling dat aan het effect van de hersteltijd van het sediment van enkele maanden tot meer dan een jaar op de habitats en vogels geen aandacht is besteed. Met betrekking tot hetgeen daarover in het bestreden besluit is opgemerkt, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Onder verwijzing naar de uitspraak van de AbRS van 1 juni 2005 (LJN-nummer AT6572) wordt overwogen dat in het kader van de passende beoordeling behalve de gevolgen voor de foerageermogelijkheden voor vogels, tevens het bodemleven in ogenschouw dient te worden genomen als voedselbron op microniveau in de dierlijke voedselketen. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat verzoeksters hebben verwezen naar de opvatting van professor Verschuuren over het Beleidsbesluit Schelpdiervisserij 2005-2020, te weten dat de conclusies van het onderzoek EVA II niet zonder meer toepasbaar zijn op de Westerschelde. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar het betoog van A.C. Smaal, onderzoeker bij het Rijksinstituut Visserijonderzoek, hieromtrent op de zitting van de rechtbank Amsterdam van 12 augustus
- De voorzieningenrechter merkt echter op dat in het bestreden besluit niet (expliciet) naar de wetenschappelijke opvattingen van Smaal is verwezen en heeft van zijn opvattingen geen kennis kunnen nemen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voor de voorzieningenrechter dan ook niet komen vast te staan dat zekerheid bestaat omtrent de gevolgen voor het bodemleven als onderdeel van de dierlijk voedselketen. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar op voornoemd aspect van het bodemleven in moeten gaan. 2.13 Nu, gelet op het voorgaande, de uitkomst van de bezwaarprocedure onzeker is, moet voor de beoordeling van het thans voorliggende verzoek een afweging worden gemaakt van de belangen die zijn gediend met de uitvoering van het project en de belangen van verzoekster die zich daartegen verzetten. De voorzieningenrechter acht in dit verband van belang dat de toepassing van Habitatrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, eist dat wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan naar de effecten van plannen en projecten. De onderhavige verzaaiproef is er juist op gericht beter inzicht te verwerven in de effecten van het uitdunnen en verzaaien van kokkels op de levensvatbaarheid van de kokkels en de omvang van het kokkelbestand. Het is, gelet op hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen, niet onaannemelijk dat de waarden die door de Habitat- en Vogelrichtlijn worden beschermd deels door het onderhavige plan worden gediend. Voorts is van belang dat de periode waarop de vergunning voor de verzaaiproef betrekking heeft, voor de helft is verstreken en dat de verzaaiproef buiten het broedseizoen moet worden uitgevoerd. 2.14 Gelet op het vorenoverwogene ziet de voorzieningenrechter, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en evenmin om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
- BESLISSING De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus vastgesteld door mr. R.P. den Otter, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober
- De griffier: De voorzieningenrechter: mr. A.J. Jansen mr. R.P. den Otter Afschrift verzonden aan partijen op: