RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/500531-05 Datum uitspraak: 27 maart 2006 Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [verdachte] Raadsman: mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 november 2005, 7 februari 2006 en 13 maart 2006. Nietigheid van de dagvaarding De rechtbank acht de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 4A, voor zover het betreft het bezit van 42 filmfragmenten, aangezien de dagvaarding op dit punt onvoldoende feitelijk is. In het in de tenlastelegging genoemde proces-verbaal, nr. PL0914/05-005862D, zijn namelijk slechts zes filmfragmenten nader omschreven, waarvan twee met zoveel woorden in de tenlastelegging zijn opgenomen. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 24 november 2005 toegestaan. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten ter terechtzitting van 13 maart 2006 toegestaan. Van de dagvaarding en van de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I-a en I-b en I-c aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd. Ten aanzien van feit 1 begrijpt de rechtbank de tenlastelegging aldus dat daarin twee afzonderlijke feiten ten laste zijn gelegd, te weten de gebeurtenissen op 30 maart 2005 onderscheidenlijk op 7 april 2005. De ontvankelijkheid van de officier van justitie Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot [getuige 1]. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit, waar dit het slachtoffer [getuige 1] betreft, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging met betrekking tot gebeurtenissen in de periode van 1 oktober 2001 tot 1 oktober 2002. De rechtbank overweegt hiertoe dat een klacht tegen verdachte van de zijde van het slachtoffer ontbreekt terwijl dit voor ontvankelijkheid van de officier van justitie in de genoemde periode een wettelijk vereiste was. Voor zover het de overige periode betreft luidt het verweer van de raadsman dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat de vervolgingsbeslissing wegens het ontbreken van een afhankelijkheidspositie in strijd is met de Aanwijzing Opsporing en Vervolging inzake Seksueel Misbruik. Evenmin werd [getuige 1] in haar geestelijke of lichamelijke integriteit bedreigd. Bij de beoordeling van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging stelt de rechtbank voorop dat het openbaar ministerie op grond van het geldende opportuniteitsbeginsel vrij is in zijn beslissing tot vervolging, tenzij deze beslissing strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan wel met artikel 6 van het EVRM. Met het hiervoor vermelde verweer heeft de raadsman kennelijk willen betogen dat de vervolgingsbeslissing van de officier van justitie in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De voornoemde Aanwijzing geeft aan dat, in geval een minderjarig slachtoffer niet tot aangifte zou overgaan, ambtshalve vervolging onder de daarin genoemde omstandigheden tot de mogelijkheden behoort. De Aanwijzing sluit echter niet uit dat de officier van justitie ook in andere gevallen ambtshalve tot vervolging kan overgaan. Het verweer slaagt derhalve niet. De raadsman heeft, subsidiair, aangevoerd dat de officier van justitie met betrekking tot voornoemd feit niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu zij in weerwil van de wens van [getuige 1] tot vervolging heeft besloten en zij deze, destijds minderjarige, [getuige 1] niet in de gelegenheid heeft gesteld om haar mening omtrent deze vervolging kenbaar te maken. De rechtbank overweegt dat het horen als bedoeld in artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering ook kan plaatsvinden in de vorm van een politieverhoor. De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] door de politie is verhoord en dat zij zich over de vervolging van de verdachte heeft uitgelaten, zij het niet expliciet. Ook indien hier sprake zou zijn van een verzuim, dan is dit hersteld door het horen van [getuige 1] door de rechter-commissaris. De rechtbank merkt op dat het overigens aanbeveling verdient om het minderjarige slachtoffer in gevallen als de onderhavige gemotiveerd te berichten omtrent de beslissing tot vervolging van een verdachte indien het slachtoffer deze vervolging niet wenst. Het achterwege blijven daarvan behoeft echter niet de door de raadsman beoogde consequenties te hebben. In het onderhavige geval heeft de officier van justitie ter terechtzitting toegelicht op welke gronden zij tot vervolging van de verdachte heeft besloten. Zij heeft hiertoe onder meer verklaard dat het belang om de lichamelijke en geestelijke integriteit van jeugdigen te beschermen en de onderlinge samenhang tussen het onderhavige feit en de overige ten laste gelegde feiten, de beslissing tot vervolging rechtvaardigde. De rechtbank overweegt dat, mede gelet op deze toelichting, niet gezegd kan worden dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot een beslissing tot vervolging heeft kunnen komen zodat het openbaar ministerie in zijn vervolging ontvankelijk is voor wat betreft de periode na 1 oktober 2002. De rechtbank overweegt voorts dat de officier van justitie kan worden ontvangen in haar vervolging met betrekking tot de overige onder 2 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder 4, door de rechtbank aangeduid als onderdeel B, ten laste gelegde met betrekking tot het vervaardigen van afbeeldingen. De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging gelet op de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het vervaardigen van de afbeeldingen van seksuele handelingen met de desbetreffende minderjarige een relatie had en de foto’s werden vervaardigd met haar toestemming. De raadsman heeft gesteld dat vervolging gelet op de Aanwijzing Kinderpornografie niet had dienen plaats te vinden nu daarin onder meer is vermeld dat vervolging van bezit/vervaardiging van dergelijke afbeeldingen geen prioriteit heeft. Voorts heeft de raadsman gewezen op de Memorie van Toelichting inzake wijziging van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken 2000/2001, 27 745 nr. 3, pagina 6), inhoudende dat vervolging in gevallen als de onderhavige volgens de Minister achterwege kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot vervolging heeft kunnen beslissen, nu de door de raadsman aangehaalde Aanwijzing vervolging van het vervaardigen van afbeeldingen, kennelijk gemaakt in de privésfeer, niet uitsluit. Met betrekking tot hetgeen door de raadsman is aangevoerd in relatie tot de Memorie van Toelichting is de rechtbank van oordeel dat ook dit verweer niet slaagt. De door de raadsman geciteerde passage bevat immers geen beleidsregel of aanwijzing op grond waarvan vervolging achterwege dient te blijven dan wel op grond waarvan het vertrouwen kon ontstaan dat vervolging achterwege zou blijven. Ook overigens moet de vervolging niet als kennelijk onredelijk worden geduid, mede gelet op hetgeen door de officier van justitie is verklaard met betrekking tot vervolging van het onder 2 ten laste gelegde feit. De officier van justitie kan gelet op het voorgaande worden ontvangen in haar vervolging met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde ten aanzien van het vervaardigen van afbeeldingen. Vrijspraak Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde met betrekking tot de gebeurtenissen op 7 april 2005. De verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken aangezien er op die datum geen sprake is geweest van seksueel binnendringen. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot [getuige 1]. Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 2 met betrekking tot [getuige 1] is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank acht met name de “ontuchtigheid” van de tenlastegelegde handelingen niet bewezen en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte en [getuige 1] hebben een langer durende relatie gehad waarbij sprake was van seksuele handelingen, nadat haar ouders na een aanvankelijke aarzeling kennelijk destijds alsnog met de relatie instemden. Ondanks een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen verdachte en [getuige 1] – te weten zes jaar, terwijl het meisje ten tijde van het aangaan van de relatie slechts 14 jaar oud was – acht de rechtbank de omgang van verdachte en [getuige 1] onder de geschetste omstandigheden niet in strijd met een sociaal-ethische norm, zodat de tenlastegelegde handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde. De rechtbank stelt op basis van de stukken in het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting als uitgangspunten het volgende vast. De verdachte heeft een bijzondere interesse voor jonge meisjes. Hij heeft deze interesse onder meer getoond tijdens een aantal chatsessies via MSN Messenger. Uit het door de politie verrichte onderzoek is naar voren gekomen dat de contacten met de meisjes die thans voorkomen op de tenlastelegging zijn ontstaan op een zogeheten ‘web-based chatbox’, ook bekend onder de naam internetforum, van onder meer www.leerlingen.com, TMF en Radio 538. De verdachte verstrekte vervolgens zijn emailadres, dan wel zijn MSN-naam, aan de meisjes waarna deze meisjes contact met verdachte legden via het eerder genoemde MSN Messenger (hierna: MSN). De verdachte heeft naar eigen zeggen op deze manier met zo’n 400 meisjes contact gehad. De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de aangeefsters alsmede uit de inhoud van de chatlogs kan worden afgeleid dat verdachte bij de latere aangeefsters aanstuurde op seksuele handelingen en ontmoetingen in persoon. Voorts is de rechtbank gebleken dat verdachte, als het ging om meisjes, een voorkeur had voor een bepaalde leeftijdscategorie, te weten grofweg tussen de 12 en 16 jaar. De verklaringen die door de aangeefsters [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn afgelegd stemmen in hoge mate overeen waar het de wijze van opereren van verdachte betreft. Deze meisjes kenden elkaar, blijkens de processtukken, ten tijde van de aangiften niet. Het is in alle gevallen gekomen tot een ontmoeting met verdachte, waarbij verdachte vrijwel direct overging tot het verrichten van seksuele handelingen. Wanneer de aangeefsters aangaven niet verder te willen gaan dreigde verdachte om de ouders van de aangeefsters van de onderlinge contacten op de hoogte te zullen stellen. Hierbij bediende verdachte zich van technisch jargon, waaruit in de ogen van de aangeefsters bleek dat verdachte in staat was om de daad bij het woord te voegen. Met betrekking tot de modus operandi stelt de rechtbank voorts vast dat er overeenkomsten bestaan tussen de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]. Voorts overweegt de rechtbank als volgt. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. Door de raadsman is als verweer naar voren gebracht dat hij tijdens het verhoor van de minderjarige aangeefster door de rechter-commissaris op 27 september 2005 onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om de aangeefster te ondervragen, waardoor sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank verwerpt dit verweer, nu uit het proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris niet blijkt dat de raadsman op dat moment van mening was dat hem onvoldoende ruimte werd gegeven om van zijn ondervragingsrecht gebruik te maken. De raadsman had eenvoudig in het proces-verbaal kunnen doen aantekenen dat hij zich in zijn ondervragingsrecht beperkt voelde. Gelet hierop, en op de omstandigheid dat ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de verdediging in haar belangen is geschaad, is er geen sprake van schending van voornoemd verdragsartikel. De raadsman heeft voorts een beroep gedaan op toepassing van artikel 359a, eerste lid, aanhef en onder b van het WvSv wegens schending van het zogeheten Tallon-criterium. De raadsman heeft hiertoe, kort gezegd, aangevoerd dat er sprake is geweest van uitlokking onder regie van de politie, waardoor verdachte gebracht werd tot andere handelingen dan waarop zijn opzet in eerste instantie was gericht. Toetsing aan het Tallon-criterium behelst, kort samengevat, beantwoording van de vraag of er sprake is geweest van onoorbare, grensoverschrijdende handelingen door een opsporingsinstantie of opsporingsambtenaren. Het verweer berust op een onjuiste feitelijke vooronderstelling en dient reeds daarom te worden verworpen. Immers, de schoonzus van het slachtoffer heeft zelfstandig tijdens een chat-sessie met MSN een ontmoeting met verdachte geënsceneerd. Pas daarna is de politie van dat feit op de hoogte heeft gesteld en is de verdachte uiteindelijk aangehouden. Er is geen sprake geweest van regie door de politie. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot [slachtoffer 3]. Door de raadsman is als verweer aangevoerd dat verdachte een sluitend alibi had voor de datum waarop de tenlastegelegde handelingen door verdachte zouden zijn verricht. Hiertoe heeft de raadsman tijdens de terechtzitting van 13 maart 2006 een afschrift van door verdachte bijgehouden urenstaten overgelegd met daarin vermeld de werktijden van de verdachte. Op 5 januari 2005 zou verdachte hebben gewerkt, hetgeen zou uitsluiten dat verdachte die dag tijdens de lunch op bezoek zou zijn geweest bij [slachtoffer 3]. De rechbank overweegt het volgende. Het verweer steunt alleen op door verdachte zelf vervaardigde overzichten, waarbij niet kan worden vastgesteld of deze een correcte weergave zijn van de bij zijn werkgever aanwezig gegevens die verdachte als werknemer eenvoudig had kunnen verkrijgen. Het verweer is derhalve onvoldoende feitelijk onderbouwd en wordt reeds daarom verworpen. Ook overigens sluit de lezing van verdachte niet uit dat hij na afloop van zijn werkdag naar [slachtoffer 3] is gereisd, nu deze heeft verklaard dat verdachte ongeveer om 17.00 uur bij haar aankwam. Ten aanzien van het onder 4A ten laste gelegde met betrekking tot het bezit van afbeeldingen. De rechtbank heeft kennisgenomen van de in de tenlastelegging aangeduide afbeeldingen en geconstateerd dat een zestiental afbeeldingen als kinderpornografisch kunnen worden gekwalificeerd. Ten aanzien van één afbeelding heeft de rechtbank geconstateerd dat de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke omschrijving niet overeenstemt met één van de waargenomen afbeeldingen. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het bezit van deze afbeeldingen nu hij deze afbeeldingen, toen hij op internet zocht naar ‘reguliere’ pornografische afbeeldingen die hij vervolgens in grote aantallen downloadde, als bijvangst heeft kunnen binnenhalen op zijn computer. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt. Verdachte heeft doelbewust het internet afgespeurd op zoek naar pornografische afbeeldingen. Hij heeft naar eigen zeggen afbeeldingen gedownload van pornografisch georiënteerde nieuwsgroepen en websites, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van diverse programma’s waarmee hij ongericht, dat wil zeggen zonder onderscheid te maken naar de precieze inhoud, één of meer afbeeldingen tegelijk kon downloaden. Hierbij zou ongewild ook kinderporno gedownload zijn. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman heeft betoogd, is voor de beantwoording van de vraag of de verdachte door aldus te handelen voorwaardelijk opzet op het bezit van kinderpornografische afbeeldingen heeft gehad, niet van belang of verdachte daadwerkelijk naar de afbeeldingen heeft gekeken. Onder de geschetste omstandigheden had verdachte naar het oordeel van de rechtbank kunnen en moeten weten dat hij door grote hoeveelheden pornografisch materiaal te downloaden een aanmerkelijke kans liep op het binnenhalen van kinderporno, welke kans verdachte vervolgens bewust heeft aanvaard. Dat verdachte wist dat hij op deze manier kinderporno binnenhaalde kan ook worden afgeleid uit zijn verklaring bij de politie dat hij zo nu en dan bij toeval een kinderpornografische afbeelding tegenkwam, die hij vervolgens van zijn computer zou hebben verwijderd. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte verdere maatregelen heeft genomen om deze bijvangst te voorkomen dan wel om de gedownloade bestanden te controleren op aanwezigheid van kinderporno. Het opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, op het bezit van kinderporno kan dan ook bewezen worden geacht. Ten aanzien van het onder 4B ten laste gelegde met betrekking tot het vervaardigen van afbeeldingen. Met betrekking tot de vervaardiging van kinderpornografisch materiaal is de rechtbank van oordeel dat dit ten aanzien van elf van de vierentwintig aan de rechtbank ter kennisneming gebracht afbeeldingen bewezen kan worden geacht. De omstandigheid dat verdachte een relatie had met de door hem gefotografeerde [naam] doet aan het kinderpornografisch karakter van de afbeeldingen niet af. In een relatie met een jong meisje overschrijdt het fotograferen van seksuele handelingen de sociaal-ethische norm; foto's en filmpjes kunnen immers los van die relatie een eigen leven gaan leiden, zoals naar uit het dossier volgt in dit geval ook gebeurd is. De overige dertien afbeeldingen waarvan de rechtbank kennis heeft genomen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als kinderpornografisch worden gekwalificeerd. Zes van de dertig ten laste gelegde afbeeldingen heeft de rechtbank niet aangetroffen. De bewezenverklaring Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, bezien in onderlinge samenhang, voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, ten aanzien van het feit gepleegd op 30 maart 2005 (hierna: feit 1A) en 1 subsidiair, ten aanzien van het feit gepleegd op 7 april 2005 (hierna: feit 1B), 2 en 3 ten laste gelegde feiten te komen, op de wijze zoals hieronder vermeld. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan op de wijze als hieronder vermeld. Feit 1A hij op 30 maart 2005 te Utrecht, met [slachtoffer 1], geboren op 2 februari 1993, die de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij verdachte, - meerdere vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en - de hand van die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, penis gelegd en - vervolgens met zijn, verdachtes, hand op de hand van die [slachtoffer 1] gelegd en gehouden en op en neer gaande bewegingen gemaakt en - zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en - de borsten van die [slachtoffer 1] betast en in de borsten van die [slachtoffer 1] geknepen. Feit 1B hij op 07 april 2005 te Utrecht, met [slachtoffer 1], geboren op 2 februari 1993, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het ontuchtig de borsten van die [slachtoffer 1] betasten. Feit 2 Hij in de periode van februari tot en met maart 2003 te Made, met [slachtoffer 2], geboren op 7 augustus 1988, die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 2] over de vagina gewreven/gestreeld en zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en gehouden. – en – Hij op 5 januari 2005 in Nederland met [slachtoffer 3], geboren op 19 februari 1992, die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer 3] over de borsten gewreven/gestreeld en zijn tong in de mond van voornoemde [slachtoffer 3] geduwd/gebracht. Feit 3 Primair Hij op 3 maart 2005 te Kudelstaart door geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende verdachte die [slachtoffer 4] gedwongen te ondergaan dat hij, verdachte, zijn penis en vinger in de vagina van voornoemde [slachtoffer 4] heeft geduwd en/of gebracht en/of gehouden en bestaande dat geweld hierin dat hij, verdachte, - die [slachtoffer 4] met kracht bij de polsen en arm heeft vastgepakt en vastgehouden en - die [slachtoffer 4] onverhoeds op bed op de rug heeft geduwd en - de borsten, buik, bovenbenen en de vagina van die [slachtoffer 4] heeft betast en/of gestreeld en - de kleding van die [slachtoffer 4] heeft uitgetrokken en - met zijn lichaam en zijn volle gewicht op het lichaam van die [slachtoffer 4] is gaan liggen en - die [slachtoffer 4] aldus in haar bewegingsvrijheid heeft belemmerd en - de polsen van die [slachtoffer 4] heeft vastgepakt en vervolgens haar handen boven haar hoofd heeft gehouden. Feit 4 A. hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 november 2002 tot en met 7 april 2005 in Nederland, een gegevensdrager, (een harde schijf van een computer) bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten een (harddisk van een) desktop computer met daarop 16 afbeeldingen en 6 filmfragmenten zoals omschreven in het proces-verbaal nummer PL0914/05-005862D, pagina 5 tot en met 22 en betreffende (onder meer): - twee afbeeldingen van (een) meisje(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.