vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 209876 / KG ZA 06-259 Vonnis in kort geding van 2 mei 2006 in de zaak van de vennootschap naar Oostenrijks recht RED BULL GMBH, gevestigd te Fuschl am See, Oostenrijk, eiseres, procureur mr. B.F. Keulen, advocaat mr. S.A. Klos en mr. J.A.K. van den Berg, beiden te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PROCTER & GAMBLE NEDERLAND B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, procureur mr. J.M. van Noort, advocaat mr. T. Cohen Jehoram en mr. V.A.J. Gassler, beiden te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna Red Bull en Procter & Gamble genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling - pleitnota en producties van Red Bull - conclusie van antwoord, pleitnota en producties van Procter & Gamble. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Red Bull is houder van het internationale woordmerk "RED BULL", IR nummer 641378, geregistreerd op 24 februari 1995. Deze internationale merkregistratie was gebaseerd op de Duitse registratie van dat woordmerk onder nummer 2081750, geregistreerd op 20 oktober 1994 met gelding voor de Benelux. Het merk is ingeschreven voor een uiteenlopende reeks van waren, waaronder niet-alcoholische dranken en snoep. 2.2. Red Bull is tevens houder van een Gemeenschapsmerk dat bestaat uit hetzelfde woordmerk "RED BULL" als het onder 2.1 vermelde internationale woordmerk. 2.3. Red Bull gebruikt haar woordmerk voor een non-alcoholische frisdrank, die enkele stoffen met een opwekkende werking bevat en om die reden wordt aangeduid als een "energy drink". Red Bull verhandelt deze energy drink in blikjes. 2.4. Procter & Gamble verhandelt onder het merk “Vicks” (in sommige landen “Wick”) onder meer pastilles en hoestbonbons. In 2005 heeft Procter & Gamble, eerst in Duitsland en Oostenrijk en later ook in Nederland, onder de naam "RED ENERGY" een nieuw soort pastilles op de markt gebracht, die één of meer stoffen bevatten met een opwekkende werking. Deze pastilles worden verhandeld in zakjes, waarop behalve de naam "RED ENERGY" ook het merk “Vicks” of “Wick” staat afgebeeld. 2.5. Red Bull heeft in Oostenrijk voor het Handelsgericht Wien een gerechtelijke procedure aangespannen tegen een Oostenrijkse Procter & Gamble-vennootschap, twee Duitse Procter & Gamble-vennootschappen en een Amerikaanse Procter & Gamble-vennootschap. In die procedure, hierna ook te noemen: de Oostenrijkse procedure, heeft Red Bull gevorderd dat aan de gedaagden het gebruik van het teken "RED ENERGY" moest worden verboden op de grond dat de gedaagden door gebruik van dat teken inbreuk maakten op haar, Red Bulls, merkrechten, waaronder - voor zover hier van belang - het recht op het onder 2.2 vermelde gemeenschapswoordmerk "RED BULL" en op een woordmerk “RED”. Het Handelsgericht Wien heeft het gevorderde verbod afgewezen voor zover dit gebaseerd was op het woordmerk "RED BULL", maar heeft het verbod op grond van het woordmerk “RED” toegewezen. 3. Het geschil 3.1. Red Bull vordert - samengevat - het volgende: a. Aan Procter & Gamble moet worden bevolen het gebruik te staken van het teken "RED ENERGY" dan wel van enig ander teken dat overeenstemt met het onder 2.1 bedoelde internationale woordmerk "RED BULL"; b. Procter & Gamble moet binnen een bepaalde termijn door middel van een accountant bepaalde gegevens verstrekken; c. Procter & Gamble moet binnen een bepaalde termijn na opgave van de onder b. bedoelde gegevens de opgegeven hoeveelheid inbreukmakende producten laten vernietigen in bijzijn van een deurwaarder; d. Procter & Gamble moet EUR 100.000,-- betalen als voorschot op een vergoeding van schade; e. De termijn als bedoeld in artikel 260 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet worden bepaald op zes maanden na de betekening van dit vonnis; de onderdelen a, b, en c op straffe van een dwangsom. 3.2. Procter & Gamble voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Procter & Gamble heeft als meest vérstrekkend verweer aangevoerd dat de Nederlandse rechter in deze zaak niet bevoegd is. Zij heeft dit verweer primair gegrond op artikel 27, lid 2, EEX-Verordening, omdat het volgens haar in de Oostenrijkse procedure en in het onderhavige kort geding gaat om vorderingen als bedoeld in lid 1 van dat Verordeningsartikel. Subsidiair legt Procter & Gamble aan de onbevoegdheid ten grondslag dat Red Bull misbruik zou maken van het procesrecht door in dit kort geding op inhoudelijk dezelfde gronden als in de Oostenrijkse procedure een voorziening te vragen die in die Oostenrijkse procedure reeds is geweigerd. 4.2. Dit verweer faalt. Red Bull heeft in dit kort geding haar vordering gebaseerd op de Benelux-inschrijving van haar internationale merkregistratie, zodat de Benelux-Merkenwet (BMW) van toepassing is. De bevoegdheidsregels van deze wet gaan vóór op de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening, nu het Benelux-Merkenverdrag, waar de BMW deel van uitmaakt, als een verdrag in de zin van artikel 71 EEX-Verordening moet worden aangemerkt. 4.3. Echter, ook indien artikel 27 EEX-Verordening van toepassing zou zijn, zou het beroep op onbevoegdheid niet kunnen slagen. Dan zou immers gelden dat het niet gaat om zaken tussen dezelfde partijen, nu in Oostenrijk een Oostenrijkse, Duitse en Amerikaanse vennootschap de gedaagden zijn en in het onderhavige geding een Nederlandse vennootschap de gedaagde partij is. Het enkele feit dat alle gedaagde vennootschappen tot dezelfde groep behoren en dat zij respectievelijk in Oostenrijk en in Nederland dezelfde Vicks-pastilles verhandelen, brengt immers nog niet mee dat die vennootschappen met elkaar vereenzelvigd zouden kunnen of moeten worden. Daarvoor zouden nadere feiten of omstandigheden vereist zijn, doch dergelijke feiten of omstandigheden zijn in dit geding niet gesteld en zijn ook niet gebleken. 4.4. De subsidiaire grond voor de onbevoegdheid, misbruik van procesrecht, kan niet slagen, omdat - zoals hiervoor onder 4.3 reeds is overwogen - geen van de gedaagde partijen in Oostenrijk dezelfde is als de gedaagde partij in het onderhavige geding, zodat de uitspraak in de Oostenrijkse procedure niet kan gelden voor de gedaagde in dit kort geding. 4.5. Om diezelfde reden kan toepassing van artikel 105 Verordening inzake het Gemeenschapsmerk (Verordening EG 40/94) ook buiten toepassing blijven. 4.6. Procter & Gamble heeft verder nog verzocht om aanhouding van de zaak op grond van artikel 28, lid 1, EEX-Verordening. Zij heeft daarbij echter geen of onvoldoende belang, nu zij zelf - zoals gezegd - niet gebonden wordt door de uitspraak in de Oostenrijkse procedure en het risico van onverenigbare beslissingen zich niet voordoet, gezien het voorlopige karakter van een eventuele voorziening in dit kort geding. 4.7. Nu uit het voorgaande volgt (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.