RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummers: 16/715047-06; 16/35116-03 (TUL); 16/354053-04 (TUL) Datum uitspraak: 12 december 2006 Raadsman: mr. J.G. Kabalt Verkort vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran), wonende te [woonplaats], thans gedetineerd. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 augustus 2006, 03 november 2006 en 28 november 2006. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van die dagvaarding is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijken, alsmede uit de ter terechtzitting getoonde videobeelden - gemaakt door camera 2 en 3 van [restaurant A] - blijkt, dat verdachte net zo lang is doorgegaan met het schoppen en slaan tegen het lichaam en hoofd - zijnde het meest kwetsbare gedeelte van het menselijk lichaam - van [slachtoffer A] totdat deze niet meer bewoog. Anders dan verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat hij het slachtoffer ook tegen het hoofd heeft geschopt. Dit valt immers af te leiden uit de videobeelden, waarop te zien is dat verdachte - toen het slachtoffer achter het muurtje was beland - met zijn hele lichaam even omhoog kwam, terwijl de rechtbank geen slaande/stompende bewegingen door verdachte naar het op de grond liggende slachtoffer heeft waargenomen. Voorts past de aard van het door het slachtoffer opgelopen letsel bij het - met kracht met geschoeide voet - schoppen tegen het hoofd van slachtoffer door verdachte. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met zijn handelingen is doorgegaan totdat het slachtoffer niet meer kon opstaan. Niet gebleken is dat verdachte enige actie heeft ondernomen om voor het bewusteloze slachtoffer hulpverlening te verzorgen. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer door zijn handelen om het leven zou komen. Van de door de raadsman ter terechtzitting gestelde vrijwillige terugtred door verdachte is dan ook geen sprake. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Hetgeen onder feit 1 primair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De strafbaarheid van het feit Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op. Poging tot doodslag. De strafbaarheid van de verdachte De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen zijn cliënt zich diende te verdedigen, nu onder meer uit de videobeelden blijkt dat zijn cliënt werd aangevallen door [slachtoffer A] en verdediging van de zijde van zijn cliënt op dat moment noodzakelijk en het door zijn cliënt gebruikte geweld proportioneel was. Er is derhalve sprake van noodweer, aldus de raadsman. Subsidiair is de raadsman van mening dat, voor zover moet worden aangenomen dat zijn cliënt de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden, zijn handelen het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging en aldus sprake is van noodweerexces. Cliënt dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting alsmede uit de ter terechtzitting getoonde videobeelden het navolgende voldoende is vast komen te staan. Verdachte is in de nacht van 04 april op 05 april 2006 in [restaurant A] in gevecht gekomen met [slachtoffer A]. Uit de videobeelden blijkt dat het initiatief daartoe bij verdachte lag. Het is verdachte die als eerste fysiek contact maakt met [slachtoffer A] door hem met zijn linkerhand vast te pakken bij diens arm. In de luttele seconden daarna brengt verdachte het - in zijn rechterhand bevindende stroomstootwapen - naar de nek van het slachtoffer. Het slachtoffer reageert vervolgens op de aanval van verdachte en er ontstaat een vechtpartij tussen beiden, waarbij het slachtoffer ernstig gewond is geraakt. Tevens is uit de beelden gebleken dat voor verdachte geen beletsel aanwezig was om zich hieraan te onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kon de verdachte weggaan. Geenszins is aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed dan wel van een dermate dreigende situatie waartegen verdediging door verdachte noodzakelijk was. Ook is niet aannemelijk geworden dat bij verdachte, bij het plegen van het feit, sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging in de zin van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, mede gelet op het feit dat verdachte bij de politie heeft verklaard (pagina 466 van het proces-verbaal) dat hij eerst naderhand in shock was geraakt omdat hij niet kon geloven dat het was gebeurd en hij wist dat er gevolgen waren. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het beroep op noodweer cq noodweerexces verworpen dient te worden. Ook overigens is de rechtbank geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. Motivering van de op te leggen sanctie Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is in [restaurant A] de confrontatie met het [slachtoffer A], aangegaan, waarna hij het slachtoffer op grove wijze heeft mishandeld. Verdachte heeft het slachtoffer met behulp van een stroomstootwapen meerdere stroomstoten gegeven en op deze wijze minder weerbaar gemaakt. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer tegen diens hoofd en lichaam geschopt en geslagen. Ook toen het slachtoffer weerloos en roerloos op diens buik op de grond lag, is verdachte doorgegaan met het schoppen / trappen en slaan tegen het hoofd en lichaam van [slachtoffer A]. Het slachtoffer heeft deze aanval - zo blijkt uit het proces-verbaal omtrent de verwondingen en de verklaring van het slachtoffer ter zitting - ternauwernood overleefd. De omstandigheid dat het slachtoffer het leven niet heeft verloren, is een gelukkige omstandigheid, die geenszins aan verdachte is te danken. Verdachte heeft na het gebeuren geen hulp geboden of actie ondernomen om hulpverlening door anderen te bewerkstelligen. Dit is een zeer ernstig feit, welke de rechtbank verdachte zwaar aanrekent. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer is een jonge man, die naar het zich laat aanzien nog gedurende lange tijd, zo niet de rest van zijn leven, dagelijks zal worden geconfronteerd met de gevolgen van de daad van verdachte, aangezien - zo heeft het slachtoffer ter terechtzitting verklaard - hij - onder meer - zeven schedelbreuken aan de vechtpartij heeft overgehouden en hij nu veel dingen niet meer zelfstandig kan doen en de artsen nog niet kunnen aangeven of hij volledig zal herstellen. Daarnaast heeft het slachtoffer aangegeven dat hij tot op heden kampt met psychische klachten. Mede gelet op het feit dat verdachte het onderhavige strafbaar feit heeft gepleegd in een voor het publiek toegankelijk ruimte - zijnde een restaurant -, heeft een delict als het onderhavige een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt het bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg. Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 mei 2006, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen is veroordeeld wegens het plegen van geweldsdelicten; - een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Reclassering Nederland, regio Utrecht-Arnhem d.d. 24 oktober 2006, opgemaakt door F. van der Kruk, reclasseringswerker. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot -kort gezegd-: - een gevangenisstraf voor de duur van vier
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.