RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 06/4407 VV uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2007 inzake Stichting Bewoners Belangen Museumkwartier, gevestigd te Utrecht, verzoekster, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 23 augustus 2006, waarbij verweerder aan Centrum Maliebaan te Utrecht (hierna: vergunninghouder) een vergunning heeft verleend voor het slopen van de beddentoren van het voormalige Wilhelmina KinderZiekenhuis (hierna: WKZ), A.B.C.-straat, kadastraal bekend gemeente Utrecht, sectie B, nr. 5163 (hierna: het gebouw). 1.2 Het verzoek is op 5 januari 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen drs. C. van Oosten, werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming te Utrecht, vergezeld door P.Y. Sondaar, voorzitter van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Oeveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Namens vergunninghouder is verschenen mr. A.A. Geelhoed, advocaat te Utrecht, vergezeld door P.V. van der Linden, voorzitter van de Raad van Bestuur van vergunninghouder, en M.J.H. Miltenburg, werkzaam bij Koole B.V. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Verzoekster wenst met haar verzoek te bewerkstelligen dat de sloop vooralsnog geen doorgang vindt en dat verweerder, alvorens met alle werkzaamheden wordt aangevangen, een aantal garanties en verduidelijkingen geeft, gelet op de grote risico’s die zijn verbonden aan de sloop en gelet op de ervaringen met de sloop van een ander deel van het WKZ zes jaar geleden. Verzoekster acht het niet terecht dat de sloopvergunning is verleend, omdat sprake is van onzorgvuldigheid, onvolledigheid, onduidelijkheid en onjuistheid. Verzoekster wijst er daarbij onder meer op dat vergunninghouder bij zijn aanvraag voor de sloopvergunning geen sloopveiligheidsplan had bijgevoegd. Voorts stelt verzoekster dat tussen de aanvraag en de vergunningverlening bijna vier jaar heeft gelegen, waardoor de eerder gedane (asbest)onderzoeken niet meer voldoen aan de huidige eisen. In die periode heeft het gebouw leeggestaan en is het gekraakt geweest, waarbij volgens verzoekster door vernielingen asbest is vrijgekomen, waardoor een nieuwe asbestinventarisatie noodzakelijk is. Verder maakt verzoekster zich zorgen over de transformatoren en leidingen die door de sloop beschadigd kunnen raken en kortsluiting en brand kunnen veroorzaken. Verzoekster wijst er tevens op dat bij de vergunningaanvraag geen afvalstoffenlijst was gevoegd, terwijl er gezien het historische gebruik van het object chemisch afval vrij kan komen. Ook is volgens verzoekster nog geen inzicht gegeven in de wijze waarop de omliggende woningen worden beschermd en de onbelemmerde ontsluiting van de woningen wordt gegarandeerd. 2.4 Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat bezwaarmakers tot 16 januari 2007 de gelegenheid hebben om op het sloopveiligheidsplan van 17 november 2006 te reageren. Voorts heeft verweerder aangegeven dat uiterlijk 23 januari 2007 het besluit op bezwaar zal worden genomen. Vergunninghouder heeft aangegeven dat inmiddels voorbereidende werkzaamheden worden verricht op het terrein en dat vanaf komende week een aanvang kan worden gemaakt met de daadwerkelijke asbestsanering. Na de asbestsanering, die ongeveer drie maanden in beslag zal nemen, zal medio maart of begin april 2007 worden gestart met de daadwerkelijke sloop van het gebouw. Gelet op het geschetste tijdspad is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, voor zover dat besluit ziet op de daadwerkelijke sloop van het gebouw. De voorzieningenrechter beperkt zich derhalve tot de werkzaamheden die samenhangen met de asbestsanering. 2.5 Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Utrecht (hierna: de Bouwverordening) is het verboden is bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Ingevolge het derde lid van voormeld artikel, voor zover hier van belang, verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.