RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/11 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 10 juli 2007 inzake [eiseres L] en [eiseres K], wonende te [woonplaats] en te [woonplaats], eiseressen, tegen het bestuur van het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (IZA), gevestigd te Nieuwegein, verweerder. Inleiding 1.1 Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 november 2006 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eiseressen tegen het besluit van 24 februari 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de definitieve eigen bijdrage van wijlen [de verzekerde] per 24 april 2003 vastgesteld op € 154,50 per maand en per 24 oktober 2003 op € 950,45 per maand. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 21 juni 2007, waar eiseressen in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun daartoe opgeroepen gemachtigde mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Eveneens opgeroepen is namens verweerder verschenen mr. S. van de Pol, werkzaam bij het IZA. Overwegingen 2.1 [De verzekerde] geboren op 16 mei 1922, verbleef van 24 maart 2003 tot haar overlijden op 21 september 2004 vanwege dementie op een gesloten afdeling in huize St. Catharina. 2.2 Bij besluit van 24 februari 2005 heeft verweerder de (lage) eigen bijdrage voor [de verzekerde] per 24 april 2003 vastgesteld op € 154,50 per maand en de (hoge) eigen bijdrage per 24 oktober 2003 vastgesteld op € 950,45 per maand. 2.3 Tegen dit besluit hebben eiseressen (dochters van [de verzekerde]) bezwaar gemaakt, waarna verweerder het bezwaar van eiseressen, overeenkomstig het advies van 31 oktober 2006 van de adviescommissie bezwaarschriften, kennelijk ongegrond heeft verklaard. 2.4 Eiseressen hebben in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat het besluit onzorgvuldig is genomen. Verweerder heeft het besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel genomen. Eiseressen zijn van mening dat het op de weg van verweerder had gelegen om hen te wijzen op het gegeven dat er sprake was van een voorlopige eigen bijdrage en dat nog een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zou volgen, hetgeen niet is gebeurd. Ten tijde van het bestreden besluit was bovendien de nalatenschap reeds vereffend. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat niet aantoonbaar is dat [de verzekerde] ervan op de hoogte was dan wel had kunnen zijn dat er nog een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage zou volgen, zodat eiseressen deze niet verschuldigd zijn. Voorts is het eiseressen onduidelijk waarom verweerder eerst in 2005 het primaire besluit heeft uitgereikt terwijl het inkomen van [de verzekerde] in 2002 al bekend was. Ten slotte hebben eiseressen gesteld dat verweerder hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld hun bezwaren mondeling toe te lichten op een hoorzitting. 2.5 Alvorens de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil heeft zij met eiseressen geconstateerd dat verweerder het bezwaar van eiseressen kennelijk ongegrond heeft geacht, waardoor eiseressen op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid zijn gesteld hun bezwaren op een hoorzitting toe te lichten. Ter zitting heeft verweerder geconstateerd dat het predicaat "kennelijk" evenwel niet op zijn plaats is. De rechtbank schaart zich achter dit standpunt. Feitelijk had dan ook een hoorzitting gehouden moeten worden. Nu eiseressen ter zitting uitdrukkelijk hebben aangegeven prijs te stellen op een inhoudelijke behandeling zal de rechtbank aan dit formele punt geen consequenties verbinden. 2.6 In geschil is de vraag of verweerder gelet op de rechtszekerheid met terugwerkende kracht per 24 april 2003 de lage eigen bijdrage en vanaf 24 oktober 2003 de hoge eigen bijdrage alsnog bij eiseressen in rekening had mogen brengen. Derhalve is niet in geschil dat de bijdragen vanaf de genoemde data waren verschuldigd en staat de hoogte van deze bijdragen in dit geding evenmin ter discussie. 2.7 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ hebben verzekerden aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de aanspraak op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. 2.8 De rechtbank overweegt dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn, waarin de strikte toepassing van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komen met het ongeschreven recht dat er op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 oktober 2001, gepubliceerd in RSV 2001/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.