RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/1654 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2007 inzake [X], allen wonende te [Z], verzoekers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op verweerders fictieve weigering een besluit te nemen op verzoekers verzoek van 29 mei 2007 om op de voet van artikel 5, tweede lid, van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: Wvg) het gemeentelijk voorkeursrecht ingevolge artikel 8a en artikel 8 van de Wvg op de percelen van verzoekers, kadastraal bekend gemeente [Z], sectie D, nummers 446, 465, 466 en 570, en sectie C, nummers 42, 805, 807, 809 en 811, (verder: de percelen) te doen vervallen. Hangende dit verzoek heeft verweerder bij besluit van 26 juli 2007, kenbaar gemaakt bij brief van 8 augustus 2007, besloten: - in te stemmen met het verzoek tot het vervallen verklaren van het voorkeursrecht als bedoeld in artikel 8a van de Wvg en - niet in te stemmen met het verzoek tot vervallen verklaren van het voorkeursrecht als bedoeld in artikel 8 van de Wvg. Verzoekers hebben tegen dit besluit eveneens bezwaar gemaakt en bij brief van 9 augustus 2007 de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen met betrekking tot dit besluit. 1.2 Het verzoek is op 31 augustus 2007 ter zitting behandeld, waar verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde mr. J.B. Mus, advocaat te Breda. Tevens is verschenen [Y], wonende te [Z]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. v.d. Wetering en mr. D.K. ten Cate, advocaten te Enschede, en A.D. van Lon, werkzaam bij de gemeente Bunnik. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Verweerder heeft op 7 september 2005 aan de raad van de gemeente Bunnik voorgesteld om op grond van artikel 8 van de Wvg gronden aan te wijzen waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Het voorstel tot aanwijzing betreft (onder meer) de gronden van verzoekers en is gedaan vanwege de in het Ontwerp Regionaal Structuurplan 2005-2015 aangegeven indicatieve woningbouwopgave van 5000 woningen in het gebied ruwweg gelegen in de driehoek Bunnik/Houten/Werkhoven. Bedoeld voorstel tot vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht is op 8 september 2005 in de Staatscourant gepubliceerd. 2.4 Bij besluit van 29 september 2005 heeft de raad van de gemeente Bunnik krachtens het bepaalde in artikel 8 van de Wvg besloten om de betreffende gronden aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Het betreffende besluit van de gemeenteraad van Bunnik is op 30 september 2005 in de Staatscourant gepubliceerd. 2.5 Bij schrijven van 29 mei 2007 hebben verzoekers zich tot verweerder gewend met het verzoek om op de voet van artikel 5, tweede lid, van de Wvg over te gaan tot vervallenverklaring van het gemeentelijk voorkeursrecht ingevolge artikel 8a van de Wvg. Bij dat schrijven hebben verzoekers verweerder tevens verzocht het gemeentelijk voorkeursrecht ingevolge artikel 8 van de Wvg te doen vervallen. 2.6 Bij besluit van 26 juli 2007, kenbaar gemaakt bij brief van 8 augustus 2007, heeft verweerder geweigerd in te stemmen met het verzoek tot vervallen verklaren van het voorkeursrecht als bedoeld in artikel 8 van de Wvg. 2.8 Tegen het besluit van 26 juli 2007 is door verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt. Voorts hebben verzoekers zich naar aanleiding van het besluit van 26 juli 2007 bij schrijven van 9 augustus 2007 tot de voorzieningenrechter gewend. In dat schrijven hebben verzoekers verzocht het besluit van 26 juli 2007 te schorsen tot zes weken na het nemen en bekend maken van het besluit op bezwaar. Voorts hebben verzoekers verzocht te bepalen dat zij zes weken na het nemen en bekendmaken van het besluit op bezwaar ten aanzien van alle door hen verkochte percelen beschikken over vervreemdingsvrijheid, dan wel te bepalen dat zij in de positie verkeren als ware ten aanzien van hen een besluit tot vervallenverklaring van kracht dan wel een zodanige voorziening te treffen dat het rechtsgevolg ontstaat dat zij gerechtigd zijn tot vervreemding van alle door hen verkochte percelen tot zes weken na het nemen en bekendmaken van het besluit op bezwaar. 2.9 Bij schrijven van 26 juli 2007 heeft verweerder verzoekers in kennis gesteld van het voornemen om op 20 september 2007 op grond van artikel 6 van de Wvg de raad van de gemeente Bunnik voor te stellen om op grond van artikel 2 van de Wvg gronden aan te wijzen waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Het betreft hier ondermeer gronden van verzoekers waar het besluit van 26 juli 2007 op ziet. 2.10 Verzoekers hebben in hun verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening aangevoerd dat zij hun percelen zo spoedig mogelijk wensen te vervreemden aan BAM Vastgoed B.V., hetgeen blijkt uit drie notariële kadasterverklaringen met aangehechte uittreksels van de koopovereenkomsten. Gezien verweerders voornemen tot verlenging van het gemeentelijk voorkeursrecht per 20 september 2007, ligt het in de bedoeling van verzoekers om voor die datum de genoemde koopovereenkomsten uit te voeren door tot vervreemding over te gaan. 2.11 Verweerder heeft zijn weigering om in te stemmen met het verzoek tot vervallen verklaren van het voorkeursrecht als bedoeld in artikel 8 van de Wvg in het besluit van 26 juli 2007 gemotiveerd door te stellen dat het Regionaal Structuurplan 2005-2015 (verder: RSP 2005-2015) geen concrete beleidsbeslissingen bevat, waardoor dit plan niet is aan te merken als een structuurplan in de zin van artikel 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) juncto artikel 1, aanhef en sub c, van de Wvg. 2.12 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van de Wvg, voor zover hier van belang, wordt onder structuurplan verstaan: een structuurplan als bedoeld in artikel 36c van de WRO. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wvg doen burgemeester en wethouders, zodra en voorzover de bij het raadsbesluit gegeven aanwijzing niet meer beantwoordt aan de in artikel 2, tweede lid, gestelde eisen of de in artikel 2, vierde lid, bedoelde termijn is verstreken, de aanwijzing vervallen door het plaatsen van een desbetreffende aantekening bij de ingevolge artikel 4, eerste lid, ter inzage liggende stukken, onder vermelding van de percelen en perceelsgedeelten waarop de aantekening betrekking heeft. Van het vervallen van de aanwijzing doen burgemeester en wethouders mededeling aan een ieder die in de kadastrale registratie ten aanzien van de desbetreffende zaken staat vermeld als eigenaar of rechthebbende op een beperkt recht waaraan die zaken zijn onderworpen, zomede aan het desbetreffende kantoor van de Dienst voor het kadaster en de openbare registers. Het bepaalde in artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wvg kan een eigenaar of beperkt gerechtigde aan burgemeester en wethouders verzoeken, aan het bepaalde in het vorige lid uitvoering te geven. Burgemeester en wethouders beslissen binnen vier weken na de dag, waarop de aanvrage is ontvangen. Artikel 8 van de Wvg luidt als volgt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.