RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummers: SBR 07/2569 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2007 inzake de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, gevestigd te Utrecht, verzoekster, tegen het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening heeft betrekking op verweerders besluit van 11 september 2007, waarbij verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft verleend voor het aanleggen van de aansluiting op de onderdoorgang onder de spoorbaan Utrecht-Woerden (onderdeel van de Nieuwe Ontsluiting Utrecht West 2 (NOUW2)) aan het industrieterrein Lage Weide te Utrecht. 1.2 Het verzoek is op 1 oktober 2007 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen drs. C. van Oosten, werkzaam bij het Bureau Rechtsbescherming. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.G. Bäcker, advocaat te Rotterdam, bijgestaan door A.M.M. Baggen, A. Keijzer en mr. H.P. de Keijzer, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht. 1.3 De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Verweerder heeft nadien nadere stukken aan de rechtbank toegezonden, waarop door verzoekster is gereageerd. Nadat daarvoor door partijen toestemming is verleend, heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 De voorzieningenrechter ziet geen beletsel om verzoekster in haar verzoek te ontvangen. De Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht heeft als haar statutaire doelstelling onder meer het instellen van rechtsmiddelen (zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk) tegen besluiten, plannen en situaties in de stad en regio Utrecht, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu in verband met de verontreiniging van de lucht, waarbij onder meer het verkeer een belangrijke rol speelt. Gelet hierop is de Stichting naar voorlopig oordeel belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit. 2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, de gronden van het verzoek die door verzoekster niet reeds naar voren zijn gebracht in de zienswijze, buiten beschouwing moeten worden gelaten, dan wel niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt artikel 6:13 van de Awb noch de toelichting op dit artikel aanknopingspunten voor dit standpunt. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit, gezien de wetsgeschiedenis (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 421, nr. 3 en kamerstukken II 2004/2005, 29 421, nr. 11), voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Het onderhavige vrijstellingsbesluit ex artikel 19, tweede lid, van de WRO moet voor de toepassing van artikel 6:13 Awb als één besluit, dat zich niet laat opdelen in meerdere besluitonderdelen, worden aangemerkt. Nu verzoekster een zienswijze heeft ingediend tegen het vrijstellingsbesluit, staat het haar vrij om in beroep en in haar verzoek om een voorlopige voorziening gronden aan te voeren die zien op ditzelfde besluit. Die gronden hoeven niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. 2.5 Het plan waarvoor vrijstelling is verleend omvat het aanleggen van de aansluiting op de onderdoorgang onder de spoorbaan Utrecht-Woerden (onderdeel van NOUW2) aan het industrieterrein Lage Weide. 2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het aanleggen van de aansluiting in strijd is met het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Lage Weide in hoofdzaak", waar de gronden de bestemming "openbaar groen, waterstaatsdoeleinden, hoofdverkeersweg en weg" hebben en ingevolge de plankaart bestemd zijn voor "openbaar groen". Verweerder heeft besloten ten behoeve van de realisering van het project met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing. Ingevolge het eerste lid van dit artikel, voor zover hier van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Ingevolge artikel 19a, eerste lid van de WRO, bevat het vrijstellingsbesluit, bedoeld in artikel 19, tweede lid, een beschrijving van het betrokken project, de ruimtelijke onderbouwing en de afweging die aan het verlenen van vrijstelling ten grondslag liggen. Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht hebben ter invulling van artikel 19, tweede lid, van de WRO in hun "Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening" (hierna: de Circulaire) aangegeven in welke categorieën van gevallen vrijstelling kan worden verleend van een bestemmingsplan zonder dat een voorafgaande verklaring van geen bezwaar is vereist. In deze Circulaire, gedateerd 4 juli 2006 en in werking getreden op 1 september 2006, is in artikel 3.1.2 (de limitatieve lijst), onder A, sub b, opgenomen dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen voor bouw en aanleg c.q. aanpassing van bestaande weg-, water-, parkeer- en groenvoorzieningen van lokale aard. 2.7 Verzoekster voert aan dat verweerder ten onrechte vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO heeft verleend aangezien de aanleg van de NOUW2 geen wegvoorziening van lokale aard is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het onderhavige traject over het industrieterrein Lage Weide loopt en deel uitmaakt van het gemeentelijke wegennet en daarmee een lokaal karakter heeft. Het enkele feit dat de NOUW2 wordt genoemd in afspraken op rijks- dan wel provinciaal niveau brengt niet met zich dat het karakter van het betreffende gedeelte van de weg moet worden getypeerd als bovenlokaal. Dat het traject van de NOUW2 de functie krijgt van ontsluiting van de rijksweg A2 betekent evenmin dat daarom moet worden gesproken van een weg met een bovenlokaal karakter. In dit verband is van belang dat de NOUW2 de nieuwe verbinding vormt tussen de rijksweg en de Verlengde Vleutenseweg, en daarmee met het centrum van Utrecht, en op deze wijze zorgt voor de bereikbaarheid van de gemeentelijke kerngebieden. 2.8 De ruimtelijke onderbouwing voor het project is neergelegd in Bijlage 1 behorende bij de verleende vrijstelling van 11 september 2007 (BV2072978). Deze onderbouwing bevat onder meer de beschrijving van het projectgebied, van de geldende planologische situatie, van de visie op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied en van de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving. Het project is getoetst aan gemeentelijk-, provinciaal- en rijksbeleid en er is aandacht besteed aan aspecten van verkeer, lucht, water, bodem en geluid. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen gronden naar voren heeft gebracht die zien op de ruimtelijke onderbouwing als zodanig, doch voornamelijk op aspecten van luchtkwaliteit. Naar voorlopig oordeel is er geen aanleiding de ruimtelijke onderbouwing van het project niet toereikend te achten. 2.9 Gelet op het bovenstaande was verweerder dan ook bevoegd toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. 2.10 Verzoekster betoogt dat de eisen van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) in de weg staan aan verlening van de vrijstelling. In artikel 5, eerste lid, van het Blk 2005 is bepaald dat concentraties die zich van nature in de lucht bevinden en die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens, bij het beoordelen van de luchtkwaliteit voor zwevende deeltjes buiten beschouwing worden gelaten. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005 nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassing van wettelijke voorschriften die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Blk 2005 wordt, voor zover hier van belang, onder de in lid 1 bedoelde bevoegdheden in ieder geval begrepen de bevoegdheid op grond van artikel 19 van de WRO. Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef, van het Blk 2005, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien: a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert. Gezien het laatstgenoemd artikellid staat een reeds bestaande overschrijding van een voor de luchtkwaliteit gestelde grenswaarde niet in de weg aan het uitoefenen van een vrijstelling, zo lang de concentratie van de betrokken stof in de buitenlucht niet verder toeneemt tengevolge van de realisering van het project. Bij de Regeling saldering luchtkwaliteit 2005 (regeling van 11 maart 2006, in werking getreden op 17 maart 2006) heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer nadere regels gesteld inzake de saldering van luchtkwaliteitsnormen. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van het Blk 2005 gelden voor stikstofdioxide (NO2) de volgende grenswaarden: a. 200 microgram per m³ als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en b. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.