RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/994007-06 Datum uitspraak: 30 oktober 2007 Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen: [VERDACHTE], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres]. Raadsvrouwe: mr. H. Bos. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 7 juni, 10, 15 en 16 oktober 2007. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaardingen is omschreven. Op vordering van de officier van justitie is wijziging van het onder 1 ten laste gelegde feit ter terechtzitting van 10 oktober 2007 toegestaan. Van de dagvaardingen en van de voornoemde vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging zijn kopieën als bijlagen I en II aan dit vonnis gehecht. De inhoud van deze bijlagen geldt als hier ingevoegd. De geldigheid van de dagvaarding Verbergen en/of verhullen De raadsman van medeverdachte [medeverdachte D] heeft de geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit ter discussie gesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging voorkomende, kennelijk aan artikel 420bis Sr. ontleende woorden ‘verbergen’ respectievelijk ‘verhullen’ op zichzelf niet vormen een opgave van het feit als bedoeld in artikel 261 Sv en dat nadere feitelijke uitwerking van deze woorden in de tenlastelegging ontbreekt, zodat de dagvaarding mitsdien in zoverre aan nietigheid lijdt. Nu de tenlastelegging van verdachte exact eenduidig is met de tenlastelegging van zijn medeverdachte [medeverdachte D] overweegt de rechtbank ambtshalve het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of de tenlastelegging ‘een opgave van het feit’ behelst komt het er uiteindelijk op aan of voor de rechtbank en de verdachte/verdediging aan de hand van de in de tenlastelegging gebezigde woorden, bezien tegen de achtergrond van het procesdossier, voldoende duidelijk kan zijn welke feitelijke gedragingen het strafbare feit zouden moeten uitmaken dat de verdachte wordt verweten. Weliswaar heeft de Hoge Raad eerder geoordeeld (vgl. HR 8 december 1970, NJ 1971, 278) dat de term ‘verbergen’ als bedoeld in artikel 280 Sr op zichzelf mede feitelijke betekenis heeft, maar daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank nog niet vast dat ook in het onderhavige geval aan het duidelijkheidsvereiste is voldaan. Voor het tegendeel kan er in de eerste plaats op worden gewezen dat de delictsomschrijving van artikel 280 Sr slechts één object van het ‘verbergen’ kent te weten “een minderjarige die…uitoefent”, terwijl het ‘verbergen’ als bedoeld in artikel 420bis Sr betrekking kan hebben op een scala aan eigenschappen (de werkelijke aard, herkomst, etc.) van het van misdrijf afkomstige voorwerp. Eigenschappen die in de onderhavige tenlastelegging ook allemaal, zonder feitelijke toelichting, zijn opgenomen. Daarnaast is van belang dat het voorhanden procesdossier zo veel handelingen en gedragingen met betrekking tot de ‘voorwerpen’ waarop de steller van de tenlastelegging kennelijk het oog heeft bevat, dat het beantwoorden van de vraag welke (van die handelingen of gedragingen) in de visie van die steller invulling zouden moeten geven aan de delictsbestanddelen ‘verbergen’ en/of ‘verhullen’ een tamelijk hoog speculatief gehalte krijgt. Het hiervoor overwogene brengt de rechtbank tot de slotsom dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, in dier voege dat de in de tenlastelegging gebezigde woorden ‘verbergen’ en ‘verhullen’ niet kunnen dienen als grondslag voor de beraadslaging als bedoeld in artikel 350 Sv. De ontvankelijkheid van de officier van justitie Pleegplaatsen Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten Door de verdediging is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging, voorzover deze betrekking heeft op de pleegplaatsen “Dubai en/of elders in de Verenigde Arabische Emiraten”, nu uit het dossier niet blijkt dat voldaan is aan het vereiste zoals weergegeven in artikel 5 lid 1 sub 2 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat het hier weliswaar gaat om feiten, die door de Nederlandse strafwet als misdrijven worden beschouwd, doch dat niet vaststaat dat op deze feiten in Dubai en/of de Verenigde Arabische Emiraten straf is gesteld. Ingevolge artikel 5 eerste lid sub 2 Wetboek van Strafrecht is deze “dubbele strafbaarheid” volgens de wet wel vereist. De rechtbank zal derhalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren voorzover de tenlastelegging doelt op voornoemde pleegplaatsen. Vrijspraak Niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De raadsvrouwe en de officier van justitie stelden zich beiden op het standpunt dat verdachte vrijgesproken diende te worden van de onder 1, eerste tot en met zesde ‘bullet’ tenlastegelegde feiten. De rechtbank deelt die visie omdat de betrokkenheid van verdachte bij die feiten, niet althans onvoldoende kan worden vastgesteld. Ten aanzien van het onder feit 1, zevende ‘bullet’(€ 60.000) is de rechtbank met de raadsvrouwe en in tegenstelling tot de officier van justitie van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wist dat voornoemd geldbedrag afkomstig was van enig misdrijf, zodat hij van dit feit dient te worden vrijgesproken. De bewezenverklaring De bewezenverklaring t.a.v. feit 2 en 3: Voor wat betreft de aan de verdachte verweten gedragingen met betrekking tot –kortweg- Sigraplus gaat de rechtbank met name uit van de volgende feiten en omstandigheden. In de tweede helft van 2003 heeft de onderneming van medeverdachte [medeverdachte C], genaamd [bedrijf 8] en gevestigd te Zuidwolde, in opdracht van medeverdachte [medeverdachte D], optredend namens de in Zwitserland gevestigde onderneming [bedrijf 9] waarvan [medeverdachte A] verklaart 100 % eigenaar te zijn (V1-4), uit 5 grondstoffen een substantie samengesteld die nadien, gecapsuleerd en verpakt, zou worden verhandeld als Sigraplus. Die samenstelling vond plaats aan de hand van een daartoe door medeverdachte [medeverdachte D] aan medeverdachte [medeverdachte C] verstrekt recept. Na samenstelling heeft medeverdachte [medeverdachte C] in opdracht van medeverdachte [medeverdachte D] enkele monsters van de substantie verzonden aan de heer [getuige M], welke de substantie heeft getest op de aanwezigheid van pesticiden, zware metalen, c.a. Aan [getuige M] is niet verzocht om de substantie te testen op tadalafil. Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte C] de substantie gecapsuleerd in circa 100.000 capsules. Deze capsules heeft medeverdachte [medeverdachte C] per 2 laten blisteren en verpakken als Sigraplus bij het bedrijf [bedrijf 10] te Oudenbosch. Medeverdachte [medeverdachte C] heeft één en ander op 3 november 2003 gefactureerd aan [BEDRIJF 1] te Dubai (D-95), de onderneming van [medeverdachte A], die heeft erkend financieel te hebben geparticipeerd in Sigraplus. De factuur is betaald via medeverdachte [medeverdachte D]. De Sigraplus-capsules (althans 67.500 stuks) zijn in november 2003 geleverd aan de onderneming [bedrijf 11] in België. Deze onderneming is daartoe benaderd door verdachte ([getuige K.] d.d. 3-3-06). Als betaling voor de Sigraplus heeft [bedrijf 11] onder meer enkele auto’s geleverd (D-158) welke door verdachte zijn opgehaald ([getuige K.] d.d. 28-6-06 G22-1). Vervolgens is Sigraplus door [bedrijf 11] verkocht aan diverse seks- en smartshops (D-62). Daartoe zijn onder meer documenten en brochures vervaardigd waarin Sigraplus is aangeprezen als een 100 % natuurlijke ‘sexual stimulant erektiepil’, gemaakt van 100 % natuurlijke kruiden die in combinatie de bloedtoevoer naar de penis bevorderen waardoor de erectie langer aanhoudt. Voorts is ten behoeve van het product en de verpakking van Sigraplus een zgn. CE-certificaat en een zgn. KOAG/KAG goedkeuringsnummer aangevraagd en verkregen. Bij deze voorbereidingen voor het op de markt brengen van Sigraplus zijn onder meer medeverdachten [medeverdachte D] en [medeverdachte B] betrokken (zie o.m. verklaringen van [getuige P.]). Een deel van de Sigraplus-capsules is in de loop van 2005 geretourneerd aan medeverdachte [medeverdachte C] (wiens onderneming [bedrijf 8] inmiddels was gefailleerd). Medeverdachte [medeverdachte C] heeft de capsules omgepakt c.q. laten ompakken in opdracht van medeverdachten [medeverdachte D] en [medeverdachte B]. Op 24 november 2005 wordt [medeverdachte C] aangehouden in Zwolle met in zijn bezit 3.600 Sigraplus-capsules. Op aanwijzing van medeverdachte [medeverdachte C] wordt op 29 november 2005 in Oudenbosch nog een hoeveelheid van 63.000 Sigraplus-capsules in beslag genomen. Bij onderzoek blijken de capsules onder meer een geringe, in de voorgeschreven hoeveelheid niet werkzame, dosis (circa 0,2 mg/capsule) tadalafil te bevatten; tadalafil is het werkzame bestanddeel van het in Europees verband geregistreerde receptgeneesmiddel Cialis (D-163). Op 3 maart 2006 wordt medeverdachte [medeverdachte C] aangehouden als hij 3000 Sigraplus-capsules aflevert bij [bedrijf 11]. Geneesmiddel Het begrip geneesmiddel in de WOG moet worden uitgelegd in overeenstemming met de betekenis van dat begrip in artikel 1 lid 2 van richtlijn 65/65 EEG van de Raad van 26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PB 1965, nr. 22, p. 369), volgens welke bepaling als geneesmiddel heeft te gelden: a. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens; b. Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen. Onder a. wordt het zgn. aandieningscriterium beschreven, b. betreft het toedieningscriterium. Een product is een geneesmiddel in de zin van de communautaire richtlijn, en dus van de WOG, indien het door één van beide criteria wordt gedekt. Dat tadalafil als een geneesmiddel moet worden aangemerkt behoeft geen nader betoog. Van dit product staat immers vast dat het een werkzaam bestanddeel is van een geregistreerd receptgeneesmiddel. Op grond van de werking valt het in elk geval onder het toedieningscriterium. In het licht van de tenlastelegging behoeft wel nader betoog de vraag of de verdachte wist of moest weten dat de Sigraplus-capsules tadalafil bevatten, met dien verstande dat moet worden beantwoord de vraag of de verdachte het al dan niet voorwaardelijk opzet had op het bereiden dan wel afleveren van tadalafil. Die vraag beantwoordt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, ontkennend. Daarvoor acht de rechtbank met name van belang de inhoud van de telefoongesprekken die tussen de verdachten hebben plaatsgevonden na de inbeslagneming van de Sigraplus-capsules in november 2005. Uit deze gesprekken leidt de rechtbank af dat de verdachten bepaald onaangenaam verrast waren door de aanwezigheid van tadalafil in hun product. Deze vaststelling verdraagt zich niet met de hypothese dat de verdachte het hem verweten opzet heeft gehad. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat in 2002 is vastgesteld dat in Sigra –de voorloper van Sigraplus, een product samengesteld door en afkomstig van een Amerikaanse producent- de aan tadalafil verwante stof sildenafil is aangetroffen. Dit oordeel had wellicht anders kunnen uitvallen indien ook in Sigraplus die sildenafil zou zijn aangetroffen. Dit is echter niet het geval. Nu bieden de voorhanden bewijsmiddelen onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de stelling dat de verdachten, vanwege de Sigra-sildenafil-connectie, zich dermate bewust hadden moeten zijn van het risico van de mogelijke aanwezigheid van tadalafil in Sigraplus dat het verzuim om Sigraplus op tadalafil te testen kan bijdragen aan het bewijs van het opzet. Zo blijft de (chemische) relatie tussen sildenafil en tadalafil, voor de rechtbank althans, tamelijk troebel. Uit het voorhanden bewijs kan niet volgen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat Sigraplus tadalafil zou bevatten. Van dit onderdeel van de tenlastelegging moet de verdachte mitsdien worden vrijgesproken. De verdediging heeft betwist dat Sigraplus –zonder tadalafil- kan worden aangemerkt als geneesmiddel in de zin van de Wet op de geneesmiddelenvoorziening (WOG). Dit verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank dient Sigraplus op grond van het toedieningscriterium als geneesmiddel te worden aangemerkt. Essentieel in het toedieningscriterium is de mogelijke functie van het product. Kan een product worden toegediend om een medische diagnose te stellen of om organische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, dan wordt het als geneesmiddel beschouwd. Daarbij is voorts van belang het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 1991, NJ 1992, 674, waarin is uitgemaakt dat aan de hand van het toedieningscriterium “niet enkel de producten met een reële inwerking op de organische functies onder de definitie van geneesmiddel worden gebracht, maar ook de producten die niet de aangekondigde werking hebben”. Het feit dat Sigraplus niet deed wat het beloofde –de bloedtoevoer naar de penis bevorderen- sluit de toepasselijkheid van het toedieningscriterium dus geenszins uit. Inzake de bevoegdheid tot het uitoefenen van de artsenijbereidkunst valt nog op te merken dat het feit dat [bedrijf 8] een apotheker in dienst had, gelijk van de zijde van medeverdachte [medeverdachte C] is aangevoerd, de verdachte niet kan disculperen. Immers, feitelijk is op geen enkele wijze gebleken dat die apotheker op enige wijze betrokken is geweest bij het capsuleren, verpakken en etiketteren van de Sigraplus, welke verrichtingen krachtens artikel 1 lid 1 onder j, ten eerste, WOG mede onder het bereiden van geneesmiddelen moeten worden begrepen. Bovendien moet uit de artikelen 2 en 14 van de WOG worden afgeleid dat een apotheker van zijn bevoegdheid tot uitoefening van de artsenijbereidkunst slechts gebruik mag maken indien hij is ingeschreven in het register van gevestigde apothekers. De door medeverdachte [medeverdachte C] opgevoerde apotheker betrof geen gevestigde apotheker, hij was in loondienst van [bedrijf 8] Die onderneming noch medeverdachte [medeverdachte C] zelf, tenslotte, beschikten over een vergunning tot het bereiden of afleveren van geneesmiddelen (vgl. V5-2), zodat de bevoegdheid tot het uitoefenen van de artsenijbereidkunst evenmin kan worden ontleend aan het gestelde in artikel 2 lid 1 sub 4 WOG. Opzettelijk De verdediging heeft verweer gevoerd inzake het bestanddeel ‘opzettelijk’. Daarbij is erop gewezen dat de verdachte niet wist en niet hoefde te weten dat Sigraplus ingevolge de WOG als een geneesmiddel had te gelden en daaraan de conclusie verbonden dat de verbodsbepaling van artikel 2 lid 3 dus niet opzettelijk is overtreden. Dit verweer wordt verworpen. In HR 18 maart 1952, NJ 1952, 314 en 315 en in HR 24 juni 1952, NJ 1952, 710 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het opzet in zijn algemeenheid niet op het overtreden van het verbod behoeft te zijn gericht, ook niet in die gevallen waarin de strafbepaling is geformuleerd in de vorm van opzettelijke overtreding van een wettelijk voorschrift. De Hoge Raad overweegt in dat verband “dat in het algemeen feiten strafbaar behoren te zijn, zowel wanneer de dader beseft heeft als wanneer hij had behoren te beseffen, dat zijn gedraging was van een onrechtmatigheid die uitdrukking vond in haar strafbaarstelling, en dan in beide gevallen ook strafbaar kunnen zijn tot eenzelfde maximum, zodat alleen bij afwezigheid van alle schuld ten aanzien van die onrechtmatigheid strafbaarheid ontbreekt.” Het voorgaande komt erop neer dat kennis van de wet, ook de ingewikkelde ordeningswet, in beginsel –behoudens verschoonbare dwaling ten aanzien van het recht- wordt voorondersteld. Deze opvatting is ook thans nog geldend recht, zoals kan worden opgemaakt uit HR 24 april 2007, LJN AZ8783. Vervolgens dient zich de vraag aan of de verdachte zich kan beroepen op verschoonbare rechtsdwaling in welk geval hij wegens afwezigheid van alle schuld zou dienen te worden ontslagen van alle rechtvervolging. Ook dit verweer mist doel. Indachtig het adagium dat een ieder wordt geacht de wet te kennen, plegen (en dienen) aan een geslaagd beroep op verschoonbare rechtsdwaling zeer hoge eisen te worden gesteld. Eén van de hier relevante eisen houdt in dat degene die zich op een bepaalde wijze in of in een bepaald segment van het maatschappelijk verkeer begeeft, in dit geval de handel in erectiebevorderende middelen, de nodige inspanningen aan de dag legt om zich te informeren omtrent de relevante regelgeving. Bovendien dient aan de aangezochte informatiebron een zodanig gezag te kunnen worden toegekend dat de betrokkene in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Dat de verdachte zodanige informatie heeft ingewonnen dan wel heeft laten inwinnen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Illustratief in dit verband is de verklaring van de heer [getuige P.] (V 7-2) waarin te lezen staat dat aan een door hem opgestelde lijst met vereisten waaraan een legale introductie op de markt van Sigraplus zou dienen te voldoen (D-124), niet of nauwelijks uitvoering is gegeven. Hetgeen hiervoor is overwogen geldt mutatis mutandis evenzeer met betrekking tot de farmaceutische specialité/het farmaceutisch preparaat Sigraplus. Bewezenverklaring t.a.v. feit 3: Uit het hiervoor overwogene volgt dat alle verdachten ([medeverdachte A], [medeverdachte D], [medeverdachte B], [verdachte] en [medeverdachte C]) kunnen worden aangemerkt als medeplegers van de genoemde WOG-misdrijven. De vraag of de verdachten gezamenlijk ‘een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ hebben gevormd, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Gegeven de duur van de samenwerking en de onderlinge verhoudingen die tussen de verdachten hebben bestaan, is sprake geweest van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Elk van de verdachten had daarbinnen een eigen taak(accent), die in hoofdlijnen als volgt kan worden geschetst: [medeverdachte C] hield zich bezig met de bereiding en verpakking, [verdachte] en [medeverdachte B] met de afzet, [medeverdachte D] was belast met de financiële en juridische gang van zaken, terwijl [medeverdachte A] fungeerde aan financier. Uit het onderzoek is evenzeer duidelijk geworden dat de betrokkenen ook tot op grote hoogte bekend waren met elkanders rol in de handel in de verboden middelen. Tot slot is van belang dat de samenwerking tussen deze vijf verdachten juist zag op het plegen van de bewezenverklaarde WOG-misdrijven, zodat daarmee ook het door de wet bedoelde oogmerk van de organisatie gegeven is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de ‘criminele organisatie’ zich voor wat betreft [medeverdachte A], [medeverdachte D] en [medeverdachte B] tevens uitstrekte tot het daadwerkelijk zelf plegen van witwassen. Voor [medeverdachte A] en [medeverdachte D] vloeit dit goeddeels ook voort uit de bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde feiten. Voor [medeverdachte B], die van dit feit is vrijgesproken, vraagt dit nader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.