RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 2006/2225 uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 10 januari 2008 [X] en Danscentrum [X], wonende, respectievelijk gevestigd te Utrecht, eisers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 april 2006, waarbij verweerder de bezwaren van eisers tegen het besluit van 25 juli 2005 ongegrond heeft verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder geweigerd met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling te verlenen voor het betrekken v[adres]s] te Utrecht (verder: het perceel) bij de in het buurpand aan de [adres] gevestigde dansschool. 1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 21 november 2007, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen. Eiser [X] en diens zoon [X] zijn voorts in persoon verschenen. Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, is niet verschenen. Verder zijn belanghebbenden [NN] in persoon verschenen. Overwegingen 2.1 Eisers hebben op 5 februari 2001 een principeaanvraag voor een bouwvergunning bij verweerder ingediend, waarmee zij hebben beoogd het perceel, zijnde een gemeentelijk monumentaal pand, te betrekken bij de aan de [adres] gelegen dansschool. De aanvraag is voorgelegd aan de Commissie Welstand en Monumenten, welke commissie op 12 maart 2002 te kennen heeft gegegeven niet akkoord te gaan met de ingediende aanvraag, aangezien de monumentale waarden van het perceel hierdoor worden aangetast. 2.2 Op 2 februari 2002 is namens eisers een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO bij verweerder ingediend teneinde het betrekken van het perceel bij het danscentrum mogelijk te maken. Bij besluit van 4 juni 2003 heeft verweerder de gevraagde vrijstelling verleend. Tegen dit besluit is door enkele omwonenden bezwaar gemaakt. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 3 februari 2004 die bezwaren gegrond verklaard, de verleende vrijstelling herroepen en voorts te kennen gegeven dat de vrijstellingsprocedure opnieuw in gang zal worden gezet. In het kader van die procedure hebben meerdere omwonenden, waaronder belanghebbenden [NN], bij brief van 21 juli 2003 hun zienswijze kenbaar gemaakt. Bij brief van 22 november 2004 heeft verweerder aan de commissie Stedelijke Ontwikkeling medegedeeld dat de ingediende zienswijzen geen aanleiding vormen om medewerking aan het verzoek om vrijstelling te onthouden en dat men dan ook voornemens is, na de Commissie Stedelijke Ontwikkeling te hebben gehoord en na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten, de gevraagde vrijstelling te verlenen. Nadat de Commissie Stedelijke Ontwikkeling had geadviseerd om de ingediende zienswijzen tegen het verzoek om vrijstelling gegrond te verklaren, op de grond dat de cultuurhistorische belangen zwaarder wegen dan het economische belang van aanvragers, heeft verweerder bij besluit van 25 juli 2005 de gevraagde vrijstelling geweigerd. Tegen dit besluit is door eiser [X] bij brief van 4 september 2005 bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het thans bestreden besluit ongegrond is verklaard. Verweerder heeft overwogen dat vrijstelling zou leiden tot een bouwplan waarbij de van oorsprong middeleeuwse bouwmuren verwijderd zouden moeten worden, hetgeen een onaanvaardbare aantasting van de harmonische architectuur en de monumentale waarde van het perceel zou inhouden. Verder verzet het behoud van de gave steegstructuur met aangrenzende woonbebouwing zich tegen de vrijstelling. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat het verbeteren van het woon- en verblijfsklimaat in de Utrechtse stegen prioriteit heeft. Ook het bestemmingsplan geeft aan dat het van belang is dat de woonfunctie in het plangebied wordt versterkt. Verweerder heeft aangegeven dat het sociaal-maatschappelijke belang van de dansschool is meegewogen in de belangenafweging, doch dat die belangen niet opwegen tegen de monumentale waarde van het perceel alsmede tegen het belang dat is gediend met het behoud van de woonfunctie in de steeg. 2.3 In beroep hebben eisers - samengevat - het volgende aangevoerd. Eisers zijn primair van mening dat belanghebbenden ten onrechte ontvankelijk zijn geacht in hun bezwaren tegen het besluit van 4 juni 2003, waarbij aan eisers de gevraagde vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO is verleend. Dit besluit is door verweerder dan ook ten onrechte herroepen naar aanleiding van die bezwaren. Verder zijn eisers van mening dat de monumentale waarde van het perceel, gezien de omschrijving daarvan in het Register gemeentelijke monumentenlijst, hoofdzakelijk betrekking heeft op de buitenzijde van het perceel. Nu de buitenzijde onaangetast blijft, zien eisers geen reden om vrijstelling te weigeren. Eisers hebben verder gewezen op het bedrijfseconomische belang dat zij hebben bij uitbreiding van de dansschool. Het voortbestaan van de dansschool komt naar hun mening ernstig in gevaar indien de gewenste uitbreiding niet kan worden gerealiseerd. Ter onderbouwing van het bedrijfseconomische belang hebben eisers de verklaring van 16 februari 2007 van Heijselaars Accountants overgelegd. Eisers menen dat hun belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de monumentale waarde van het perceel, temeer nu ook gedeputeerde staten het bouwplan zowel uit ruimtelijk als uit cultuurhistorisch oogpunt aanvaardbaar hebben geacht. 2.4 Met betrekking tot het beroep van Danscentrum [X] overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Uit het bezwaarschrift van 4 september 2005 blijkt dat enkel door eiser [X] in persoon bezwaar is gemaakt tegen het besluit van verweerder van 25 juli 2005 en niet door of namens Danscentrum [X]. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover hier van belang, geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Het recht om door te procederen komt derhalve in beginsel slechts toe aan de belanghebbende die daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen. Nu door Danscentrum [X] van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt en niet is gebleken dat dit die dansschool niet redelijkerwijs kan worden verweten, kan Danscentrum [X] niet worden ontvangen in zijn beroep tegen het bestreden besluit van 12 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.