RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/330 uitspraak van de voorzieningenrecht[verzoeker 1]8 i[verzoeker 2]kers], Gevestigd te Enschede respectievelijk te Groningen, verzoekers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op de besluiten van 14 november 2007, nader toegelicht bij brief van 23 november 2007, waarbij [verzoeker 1[naam]ende] zijn aangeschreven het illegale gebruik van het pand [naam] (hierna: het pand) aan de percelen [adres] (hierna: de percelen), ten behoeve van concerten en grootschalige feesten (waaronder dance-evenementen), die niet gelieerd zijn aan het cultureel programma van de gemeente Utrecht in het pand vanaf 14 december 2007 niet meer te laten plaatsvinden, onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 100.000,-. 1.2 Het verzoek is op 18 januari 2008 ter zitting behandeld, waar namens verzoekers is verschenen mr. A. Prascevic, bijgestaan door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.T.J. Oosterwegel en J. van der Leij, beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht. Namens [belanghebbende] is P.H. van der Plaats ter zitting verschenen. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij besluiten van 14 november 2007 een last onder dwangsom heeft opgelegd aan [verzoeker 1] en aan [belanghebbende] Nu aan [verzoeker 2] geen last onder dwangsom is opgelegd, zal naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bezwaar van [verzoeker 2] tegen de besluiten van 14 november 2007 bij het te nemen besluit op bezwaar niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit betekent dat het verzoek om voorlopige voorziening, voor zover dit is ingediend door [verzoeker 2], moet worden afgewezen. 2.4 Op de percelen rust ingevolge het geldende bestemmingsplan “Cartesiusweg, 1e deel der gemeente Utrecht” de bestemming “Industrie II”. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende planvoorschriften mogen op de percelen uitsluitend industriële, ambachtelijke, groothandels- en vervoersbedrijven met bijbehorende voorzieningen worden gevestigd. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden bouwwerken en gronden te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming ingevolge het plan, nadat deze is verwezenlijkt. Bij besluit van 2 februari 1993 heeft verweerder naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van 24 juni 1992 vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het gebruik van het pand ten behoeve van opnamestudio, congrescentrum, theater en dergelijke, een en ander overeenkomstig de beschrijving en tekening. 2.5 Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde gebruik strijdig is met de ingevolge het bestemmingsplan ter plaatse geldende bestemming. [verzoeker 1] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de voorgenomen activiteiten in het pand vallen binnen de bij besluit van 2 februari 1993 verleende vrijstelling en derhalve geen sprake is van een (dreigende) overtreding. Voorts heeft [verzoeker 1] aangevoerd dat, voor zover sprake is van activiteiten die vallen buiten de verleende vrijstelling, zij niet als overtreder kan worden aangemerkt. 2.6 Ingevolge art. 125, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang. Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen. Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Awb, strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. 2.7 Met betrekking tot het betoog van [verzoeker 1] dat, voor zover sprake is van activiteiten die vallen buiten de verleende vrijstelling, zij niet als overtreder kan worden aangemerkt, overweegt de voorzieningenrechter dat ingevolge artikel 14 van de planvoorschriften ook het in gebruik geven en het laten gebruiken strijdig gebruik oplevert. Indien moet worden geoordeeld dat het pand in strijd met verleende vrijstelling wordt gebruikt, moet naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter [verzoeker 1] als verhuurder worden aangemerkt als overtreder. Voor zover [verzoeker 1] heeft beoogd te stellen dat zij het niet in haar macht heeft aan een overtreding een einde te maken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat [verzoeker 1] geacht moet worden middels de huurovereenkomst zeggenschap te hebben over de activiteiten die in het pand plaatsvinden. De voorzieningenrechter verwijst dienaangaande naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 juli 2004, 200308097/1, JB 2004,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.