RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2061 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 22 april 2008 in de zaak van [W], en anderen wonende te Utrecht, eisers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Inleiding 1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 juli 2007 (het bestreden besluit), waarbij verweerder het bezwaar van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eisers tot het nemen van een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, ongegrond heeft verklaard. 1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 30 januari 2008, waar eisers [eisers] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. drs. H.A. Pasveer, advocaat te Den Bosch. Namens verweerder zijn verschenen mr. H.P. de Keijzer en R.J. Reuling, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Overwegingen 2.1 In dit geding staat de route van buslijn 39 door de wijk Terwijde in de vinex-locatie Leidsche Rijn te Utrecht centraal. Daarbij spelen twee alternatieve routes voor deze buslijn een rol: enerzijds een route via de Musicalkade en anderzijds een route via de Jean Gilbertlaan. Verweerder heeft meermalen aan de bewoners van Leidsche Rijn, waaronder eisers, toegezegd dat buslijn 39 niet door de Jean Gilbertlaan zou gaan rijden en dat de Jean Gilbertlaan ter hoogte van de Walter Kollolaan zou worden afgesloten voor al het verkeer met uitzondering van fietsers en voetgangers (de zogenoemde 'knip'). In verband met werkzaamheden aan de Musicalkade, de oorspronkelijke route van buslijn 39, heeft verweerder de Jean Gilbertlaan eind 2005 als overbruggingsperiode tijdelijk in gebruik genomen als doorgaande weg, waarover ook buslijn 39 rijdt. Verweerder heeft uiteindelijk besloten buslijn 39 definitief door de Jean Gilbertlaan te laten rijden. 2.2 Om te bewerkstelligen dat het betreffende gedeelte van de Jean Gilbertlaan toch autoluw wordt, hebben eisers bij brief van 16 oktober 2006 verweerder verzocht een verkeersbesluit te nemen op grond van artikel 15 van de Wegenverkeerswet 1994, op basis waarvan de Jean Gilbertlaan, overeenkomstig de door verweerder gedane toezeggingen, ter hoogte van de Walter Kollolaan wordt afgesloten voor al het verkeer met uitzondering van fietsers en voetgangers. 2.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van 16 oktober 2006, ongegrond verklaard en geweigerd het gevraagde verkeersbesluit te nemen. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit een in opdracht van verweerder verricht onderzoek naar voren is gekomen dat de route via de Jean Gilbertlaan vanwege de bereikbaarheid voor de meeste wijkbewoners en vanwege veiligheidsaspecten, alsmede met het oog op de optimalisatie van het gebruik van het openbaar vervoer, de beste mogelijkheden biedt. 2.4 De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zie onder meer de uitspraak van 21 juli 2004 (LJN: AQ3677), verweerder bij de weigering een verkeersbesluit te nemen een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van zo'n besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. 2.5 De hier in geding zijnde weigering van verweerder een verkeersbesluit te nemen, kan, indien de voorgeschiedenis buiten beschouwing wordt gelaten, gelet op de hiervoor geschetste wijze van toetsen, naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de rechterlijke toets doorstaan. Van strijd met de wet is niet gebleken. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de relevante feiten en belangen, en die belangen afgewogen. Aan het besluit is echter het nodige voorafgegaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het bestreden besluit in overeenstemming is met het recht, gelet op de door verweerder gedane toezeggingen. 2.6 Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij niet de bevoegdheid heeft het gevraagde verkeersbesluit te nemen, aangezien een zodanig besluit de busroute feitelijk onmogelijk zou maken en daarmee de aan de vervoerder op grond van de Wet personenvervoer 2000 toekomende wettelijke bevoegdheid om busroutes vast te stellen op oneigenlijke wijze zou worden verhinderd. De rechtbank volgt dit betoog niet. De bevoegdheid van verweerder verkeersbesluiten te nemen, waaronder het door eisers gevraagde besluit, is neergelegd in de Wegenverkeerswet 1994. Het autoluw worden van de Jean Gilbertlaan is alleen mogelijk door het nemen van een verkeersbesluit. Verweerder heeft zich aanvankelijk ook steeds op het standpunt gesteld dat bedoeld besluit c.q. maatregel moest en zou worden genomen. Daarnaast is in dit kader van belang dat verweerder, zo is uit de ter zitting gegeven toelichting gebleken, samen met de vervoerder de busroutes vaststelt. Verweerder neemt de benodigde verkeersbesluiten, de vervoerder stelt op grond van de Wet personenvervoer 2000 de busroute vast, maar dat doet dat in samenspraak met verweerder en alleen als de route de instemming van verweerder heeft. 2.7 De vraag of in onderhavig geval bij eisers het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat de route van buslijn 39 niet door de Jean Gilbertlaan zou komen, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat daarover door verweerder concrete toezeggingen zijn gedaan, ook aan eisers. Zo valt in het antwoord van verweerder van 21 maart 2006 op schriftelijke vragen van een aantal gemeenteraadsleden onder meer het volgende te lezen: "Tijdens de Bereikbaarheidsavonden 2004, de informatieavond van april 2005 over het openbaar vervoer en op de internetsite/E-news is aan de hand van de fasering gecommuniceerd dat de route van lijn 39 via de Jean Gilbertlaan en de twee bushalten op deze laan tijdelijk waren. Hierbij is aangegeven dat de definitieve route - conform het door de raad vastgestelde plan 'Actualisatie Openbaar Vervoer Leidsche Rijn' - via de Musicalkade loopt. (...) Aangezien daarnaast de definitieve route via de Musicalkade en De Wetering-Noord gereed is, is (zoals beloofd aan de omwonenden van de Jean Gilbertlaan) besloten om de bus vanaf dat moment zijn definitieve route te laten rijden." Voorts staat in voornoemde brief van verweerder aan de gemeenteraadsleden het volgende vermeld: "Aan omwonenden van de Jean Gilbertlaan is beloofd dat de bus in het voorjaar van 2006 zijn definitieve route via de Musicalkade zou gaan rijden. De verwachting is dat voorstellen om de bus definitief via de Jean Gilbertlaan te laten rijden, op veel weerstand zullen stuiten." Verweerder heeft bovenstaande toezeggingen niet ontkend, hetgeen blijkt uit het bestreden besluit en de pleitnotitie van de gemeente Utrecht in het door eisers aangespannen kort geding. Partijen zijn verdeeld over de vraag wat het gevolg moet zijn van deze toezeggingen. 2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel het juist is dat hij tot voor kort negatief stond ten opzichte van het permanent handhaven van de busroute van lijn 39 door de Jean Gilbertlaan, er aanwijzingen waren dat continuering van deze tijdelijke busroute tot de mogelijkheden behoorde. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat de inzichten omtrent de meest wenselijke openbaar vervoerroutes met het gereedkomen van de nieuwe stadswijken aan de hand van de opgedane ervaringen kunnen veranderen. In zoverre is sprake van voortschrijdend inzicht. Dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de verwachtingen die bewoners (mochten) hebben, mag volgens verweerder niet tot gevolg hebben dat er geen ruimte meer bestaat voor wijziging van de busroute, indien deze wijziging in de opvatting van de meerderheid van de wijkbewoners, de wijkraad, de gemeente Utrecht, de concessieverlener Bestuur Regio Utrecht en de vervoerder een aanmerkelijke verbetering inhoudt. Vanwege de bereikbaarheid van de meeste wijkbewoners, en gelet op de veiligheidsaspecten en de optimalisatie van het gebruik van het openbaar vervoer is de route door de Jean Gilbertlaan volgens verweerder het beste alternatief. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat een zorgvuldige procedure is gehanteerd, dat uitgebreid vervoersonderzoek is verricht en dat tevens bewonersalternatieven zijn onderzocht. 2.9 Eisers hebben de bevoegdheid van verweerder in deze erkend. In een blanco situatie, dat wil zeggen zonder voorgeschiedenis, zouden zij de keuze van verweerder niet hebben betwist. In dit geval is er echter geen blanco situatie, aldus eisers, vanwege de harde toezeggingen door verweerder aan de omwonenden. Van een bestuursorgaan mag toch worden verwacht dat deze zich aan die gedane toezeggingen houdt. Eisers hebben aangevoerd dat het op grond van jurisprudentie van de ABRvS slechts mogelijk is om terug te komen op eerder gedane toezeggingen indien aan drie vereisten is voldaan: er moet sprake zijn van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.