RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 07/2940 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 12 september 2008 in de zaak van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, gevestigd te Houten, eisers, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, verweerder. Inleiding 1.1 Bij primair besluit van 6 december 2005 heeft verweerder het verzoek van de heer en mevrouw [A] om handhavend op te treden tegen het gebruik door eisers van naastgelegen deelpercelen (kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie D, nrs. 21 en 42) als loswal/overslagplaats, afgewezen. 1.2 Bij beslissing op bezwaar van 8 mei en 27 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van de heer en mevrouw [A] gegrond verklaard, het primaire besluit van 6 december 2005 ingetrokken en eisers aangeschreven om het gebruik als loswal/overslagplaats van de betreffende deelpercelen per 15 september 2006 te beëindigen op straffe van een dwangsom van € 750,- per week met een maximum van € 15.000,-. 1.3 Tegen deze beslissing op bezwaar hebben eisers beroep aangetekend, welk beroep door deze rechtbank bij uitspraak van 30 juli 2007 (SBR 06/2447) gegrond is verklaard. Verweerder is hierbij opgedragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van de heer en mevrouw [A] te nemen. In deze procedure hebben de heer en mevrouw [A] als partij deelgenomen. 1.4 Ter uitvoering van deze uitspraak van de rechtbank heeft verweerder de beslissing op bezwaar van 4 september 2007 (het bestreden besluit) genomen, waarbij verweerder het bezwaar van de heer en mevrouw [A] tegen het besluit van 6 december 2005 gegrond heeft verklaard. Tegen het besluit van 4 september 2007 hebben eisers beroep ingesteld. 1.5 Het beroep is - gezamenlijk met het beroep van de heer en mevrouw [A] (geregistreerd onder nummer SBR 07/2957) - behandeld ter zitting van 28 augustus 2008, waar eisers zijn verschenen bij hun gemachtigde R.S.P. Plaizier en H.M. Lokhorst, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Namens verweerder is verschenen mr. C.P.W. van den Berg, werkzaam bij de gemeente Oudewater. Overwegingen 2.1 Voor de feiten in deze zaak en het voortraject verwijst de rechtbank naar de procedure met nummer SBR 06/2447, die heeft geleid tot de uitspraak van 30 juli 2007 van deze rechtbank. In deze uitspraak is door de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil was dat het gebruik als loswal/overslagplaats niet overeenkomstig de bestemming van de deelpercelen is. Ten aanzien van de beroepsgrond van eisers dat het gebruik van de deelpercelen D21 en D42 onder het overgangsrecht valt, heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat ten aanzien van (lichte) onderhoudswerkzaamheden op het perceel sprake is van voortgezet gebruik dat onder het overgangsrecht valt. Verder was niet in geschil dat het gebruik in 2005 was geïntensiveerd. De rechtbank heeft ten aanzien van dit geïntensiveerde gebruik als loswal/overslagplaats uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat dit niet onder het overgangsrecht viel. Het beroep van eisers is door de rechtbank vervolgens gegrond verklaard omdat verweerder ten aanzien van het intensievere gebruik van de deelpercelen als loswal/overslagplaats bevoegd was om handhavend op te treden, maar dat deze bevoegdheid ontbrak ten aanzien van het lichte gebruik als loswal/overslagplaats, nu dit gebruik onder het overgangsrecht viel. Aangezien in de eerste beslissing op bezwaar geen onderscheid was gemaakt tussen licht en intensief gebruik kwam de rechtbank tot het oordeel dat de aanschrijving te ruim was geformuleerd, zodat de beslissing op bezwaar vernietigd diende te worden. Door geen van partijen is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 30 juli 2007 van deze rechtbank. 2.2 In beroep stellen eisers zich op het standpunt dat er voor verweerder geen reden bestaat om voor het gebruik van het haventje ‘Het vette varken’ (waarmee wordt gedoeld op de deelpercelen D20, 21 en 42) een preventieve dwangsom op te leggen. Voorts zijn eisers van mening dat verweerder met deze lastgeving een invulling aan het toegestane gebruik van het perceel geeft die haaks staat op de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarin is bepaald dat het gebruik wordt beschermd door overgangsrecht. Eisers hebben daarbij gesteld dat voor herhaling van intensivering van het gebruik niet gevreesd hoeft te worden, omdat elders grondstofdepots bestaan die gebruikt kunnen worden. 2.3 Deze rechtbank heeft het standpunt dat verweerder ten aanzien van het lichte gebruik van de deelpercelen D21 en D42 als loswal/overslagplaats een handhavingsbevoegdheid toekwam in haar hiervoor genoemde uitspraak van 30 juli 2007 reeds uitdrukkelijk en zonder enig voorbehoud verworpen en ten aanzien van het geïntensiveerde gebruik als loswal/overslagplaats uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat dit niet onder het overgangsrecht valt, zodat ook in de onderhavige procedure hier vanuit dient te worden gegaan. Indien eisers het met dit oordeel van de rechtbank niet eens waren, had het op hun weg gelegen tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen. Aan de beroepsgrond dat het kennelijk gaat om een preventieve dwangsom en het bestreden besluit daarom voor vernietiging in aanmerking komt, komt de rechtbank dan ook niet toe. 2.4 Gelet op de opdracht van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit de aanschrijving scherper geformuleerd, door aan te geven welke activiteiten als intensief gebruik worden aangemerkt, waartegen handhavend kan en zal worden opgetreden. Als meer intensief gebruik is het volgende gebruik aangemerkt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.