RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/446454-07 (ontneming) beslissing van de rechtbank d.d. 9 december 2008 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] geboren op [1968] te [geboorteplaats] wonende te [adres], [woonplaats] raadsman mr. J.M. van Dam, advocaat te ‘s-Gravenhage 1 De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering, die binnen de in artikel 511b van het wetboek van strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; - het strafdossier onder parketnummer 16/446454-07 waaruit blijkt dat verdachte op 9 december 2008 door de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht is veroordeeld terzake van onder meer medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 13 december 2006 tot en met 9 mei 2007, tot de in die uitspraak vermelde straf; - het proces-verbaal (nummer PL0960/07-015507 met pagina 138 t/m 151) van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting; - de overige stukken; Tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 25 november 2008 is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door raadsman mr. J.M. van Dam, advocaat te ‘s-Gravenhage. 2 De beoordeling. Dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 december 2008 waarin veroordeelde is veroordeeld terzake van onder meer medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de periode van 13 december 2006 tot en met 9 mei 2007 te Lopik. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in het voormeld vonnis opgesomde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in art. 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad. De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie wordt geschat op € 53.700,-. De rechtbank is van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in proces-verbaal nr. PL0960/07-015507 en overgenomen door de officier van justitie niet geheel juist is. De rechtbank hanteert onderstaande berekening ter vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en gaat daarbij in afwijking van het proces-verbaal en het standpunt van de officier van justitie onder andere uit van één eerdere oogst. De rechtbank zal het terug te betalen bedrag derhalve vaststellen op € 17.482,50, en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen. Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten: - aannemelijk is geworden dat veroordeelde een kwekerij in hennepplanten had aan de [adres] te [woonplaats]; - aannemelijk is geworden dat veroordeelde in ieder geval één maal heeft geoogst. De rechtbank ziet in het dossier geen aanwijzingen voor meerdere oogsten; - de rechtbank stelt vast dat de gemiddelde oogst per plant naar uit ervaringsregels en politie-onderzoek is gebleken bij een professionele kwekerij als bij veroordeelde is aangetroffen 22 gram per plant oplevert; - de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep bij een professionele kwekerij volgens ervaringsregels € 2,37 is. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel: 1 oogst x 430 planten x 22 gram x € 2,37 = € 22.420,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.