RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/710105-08 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2008 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1955] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats] Gedetineerd in penitentiaire inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein raadsman mr. R.F. Ronday, advocaat te Mijdrecht 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 november 2008, waarbij de officier van justitie, mr. M.I.M. Dierick, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: met een vrouw met het syndroom van Down ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede hebben bestaan uit het aanraken, zoenen en fotograferen van de borsten van die vrouw, het tongzoenen van die vrouw en het voelen- en het brengen van de penis in de vagina van die vrouw; Feit 2: kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft gehad en heeft verspreid. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Voor wat betreft feit 1 baseert zij zich daarbij op de verklaring van slachtoffer [benadeelde], zoals afgelegd tijdens het studioverhoor op 15 april 2008, alsmede op de verklaringen van aangeefster [aangeefster] en van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met de houding van verdachte. Voor wat betreft feit 2 baseert de officier van justitie zich op de in de woning van verdachte aangetroffen afbeeldingen, de resultaten van het onderzoek naar de inbeslaggenomen computer, alsmede op de bekennende verklaring van verdachte. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1, voor zover ten laste is gelegd dat verdachte seksuele handelingen heeft verricht die bestaan uit het seksueel binnendringen van [benadeelde]. Hij wijst daarbij op de - in zoverre ontkennende - verklaring van verdachte. Tevens wist verdachte volgens de verdediging niet dat het slachtoffer niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te beiden. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging aangevoerd geen verweer te voeren. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1: De geloofwaardigheid van de verklaring van [benadeelde] In het dossier dat in deze zaak tegen verdachte is opgemaakt, bevinden zich allereerst de belastende verklaringen die direct of indirect van [benadeelde] afkomstig zijn. Voorts bevinden zich in het dossier de verklaringen van verdachte zelf, die de beschuldigingen die jegens hem zijn geuit ontkent voor zover deze inhouden het seksueel binnendringen van het lichaam en het betasten van de vagina van [benadeelde]. Bij de beoordeling van deze zaak staat de vraag centraal in hoeverre de rechtbank de verklaringen van [benadeelde] over het seksueel binnendringen van het lichaam en het betasten van de vagina geloofwaardig acht. Het studioverhoor Tijdens het studioverhoor op 15 april 2008 heeft [benadeelde] gewezen op haar vagina, naar aanleiding van de vraag waar verdachte haar heeft aangeraakt. Daarbij gebruikte zij de bewoording ‘vigana’ (pag. 51). Zij verklaarde dat verdachte met meerdere vingers in haar vagina ging (pag. 53). Op een plaatje dat haar werd getoond met een weergave van het menselijk lichaam, wees zij bij het noemen van het woord ‘vigana’ eveneens naar de vagina van de vrouw (pag 56). Zij heeft verklaard dat verdachte met meerdere vingers in haar vagina heeft gevoeld (pag 53).Voorts heeft [benadeelde] aangegeven, dat verdachte zijn broek uit heeft gedaan (pag 51) en die van haar heeft losgemaakt (pag 52). Toen een afbeelding van het lichaam van een man werd getoond, zei het slachtoffer dat dit [verdachte] was. Naar aanleiding van het wijzen op de penis op die afbeelding door de ondervraagster, werd aan het slachtoffer gevraagd wat hij daarmee kan. Hierop antwoordde het slachtoffer: “Hierin stoppen, bij mij”. Daarbij wees zij naar de vagina en gebruikte zij wederom de term ‘vigana’ (pag 56). Verderop in het interview heeft zij dit herhaald (pag 61). Ook heeft zij aangegeven, dat verdachte haar in haar mond kuste. Op de vraag waarmee hij dat deed, liet zij haar tong zien. Zij ervoer dit als stikken (pag 62). Overige verklaringen Aangeefster [aangeefster], de moeder van [benadeelde], heeft verklaard dat haar dochter uit het niets tegen haar heeft gezegd: “Ik wil niet met jongens neuken". Kort daarop begon [benadeelde] te vertellen over het incident met ‘ome [verdachte]’, aldus aangeefster. Tegen getuige [getuige 1] had [benadeelde] hier eveneens over gesproken. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [benadeelde] tegen haar heeft gezegd dat ‘ome [verdachte]’ op haar was gaan liggen. Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [benadeelde] tegen haar begon over ‘neuken’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [benadeelde] seksueel heeft betast en dat hij van plan was haar ook te neuken, omdat hij een relatie met haar wilde. Conclusie De rechtbank acht de verklaring van [benadeelde] geloofwaardig. Haar verklaring over het binnendringen met de vingers volgde weliswaar na een suggestieve vraag, die over het binnendringen met de penis volgde echter niet na een suggestieve vraag. Bovendien had het slachtoffer eerder in het verhoor, voordat zij verklaarde over het binnendringen met de vingers, verklaard dat verdachte haar borsten had betast. Hieraan waren geen suggestieve vragen vooraf gegaan en verdachte heeft het betasten van haar borsten ook erkend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat alles wat [benadeelde] heeft verklaard authentiek en overtuigend te achten is. De rechtbank ziet geen aanleiding bepaalde onderdelen van de verklaring wel en andere niet overtuigend te achten. Zij komt te meer tot dit oordeel, daar verdachte heeft toegegeven de intentie te hebben gehad gemeenschap met [benadeelde] te hebben. Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat [benadeelde] zowel tegen aangeefster, als tegen genoemde getuigen, uit het niets over ‘neuken’ is beginnen te spreken. Niemand heeft eerder met haar over dit onderwerp gesproken. Dat zij hierbij niet uitdrukkelijk heeft gesproken over de handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank zal de verklaring van [benadeelde], zoals afgelegd tijdens het studioverhoor, derhalve als uitgangspunt hanteren voor het bewijs. Wilsbekwaamheid Voorts dient beoordeeld te worden in hoeverre verdachte zich ervan bewust is geweest dat [benadeelde] niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verdachte hieromtrent verklaard, dat hij wist dat [benadeelde] een geestelijke handicap heeft, aangezien je dit aan haar kunt zien. Ook heeft hij verklaard dat hij zich ervan bewust was dat een relatie met haar niet gelijkwaardig zou zijn . De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het bewustzijn over de toestand van [benadeelde] bij verdachte aanwezig is geweest en voorts dat hij aan haar heeft gemerkt dat zij niet wilde dat hij seksuele handelingen met haar verrichtte. Overig bewijs In maart 2008 is [benadeelde] met haar verhaal over ‘ome [verdachte]’ naar buiten gekomen, zo volgt uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Tegen getuige [getuige 1] heeft [benadeelde] op 6 maart 2008 gezegd dat zij twee dagen daarvoor met ‘ome [verdachte]’ mee naar zijn huis was gegaan. Verdachte heeft verklaard dat het contact met [benadeelde] in september 2007 is begonnen en dat zij drie keer bij hem is geweest. De rechtbank leidt hieruit af dat feit 1, voor zover bewezenverklaard, in de periode van 1 september 2007 2008 tot en met 31 maart 2008 heeft plaatsgevonden. Aan de hand van de verklaringen van zowel verdachte, als die van aangeefster en de getuigen, kan worden afgeleid dat de plaats van het delict in [woonplaats] is gelegen. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat [benadeelde] met hem mee naar zijn huis te [woonplaats] is gegaan en dat hij aldaar seksuele handelingen bij haar heeft verricht. Volgens verdachte hebben deze seksuele handelingen bestaan uit het aanraken en zoenen van de borsten van [benadeelde], het omhoog trekken van haar bovenkleding en het fotograferen van de ontblote borsten van [benadeelde]. Ook [benadeelde] heeft verklaard dat verdachte foto’s van haar borsten heeft gemaakt. Deze foto’s zijn aangetroffen in de woning van verdachte. De rechtbank leidt uit de verklaring van [benadeelde] af dat de seksuele handelingen mede hebben bestaan uit het tongzoenen van [benadeelde], het voelen met zijn vingers over en in de vagina van [benadeelde] en het brengen van de penis in de vagina van [benadeelde]. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde handelingen naar hun aard als onmiskenbaar seksueel gericht en in strijd met de in de maatschappij geldende sociaal ethische normen zijn aan te merken en daarmee als ontuchtig zijn te bestempelen. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als hierna onder bewezenverklaring vermeld. Feit 2: Evenals de officier van justitie en de verdediging, acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op: de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2008; het proces-verbaal van het onderzoek naar de gegevensdragers van verdachte; de emailuitwisseling tussen verdachte en ‘[naam]’. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1. Primair hij in de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2008 te [woonplaats], met [benadeelde], van wie hij, verdachte, wist dat die [benadeelde] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [benadeelde] onvolkomen in staat was daartegen weerstand te bieden, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, bestaande voornoemde handelingen uit, - het omhoog trekken, van de bovenkleding van die [benadeelde] en - het aanraken van de borsten van die [benadeelde] en - het zoenen van de borsten en de wangen en de mond en de buik van die [benadeelde] en - het tongzoenen met die [benadeelde] en - het fotograferen van de ontblote borsten van die [benadeelde] en - het voelen met zijn vingers over de vagina van die [benadeelde] en - het met meer vingers in de vagina van die [benadeelde] gaan en voelen en - het brengen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde]; 2. hij op tijdstippen in de periode van 2 januari 2007 tot en met 14 juli 2008, te [woonplaats], 235 afbeeldingen en een gegevensdrager bevattende meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, heeft verspreid en/of in bezit gehad, te weten onder meer - 3 afbeeldingen van het seksueel binnendringen van die voornoemde personen waarbij een volwassen man zijn stijve penis in de vagina van een geheel of gedeeltelijk naakt persoon heeft ((ondermeer) afbeelding(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.