RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 09/2751 1a uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 oktober 2009 in de zaak van [verzoekster] C.V., statutair gevestigd te [vestigingsplaats], verzoekster, [verzoeker 1], beherend vennoot van verzoekster, wonende te [woonplaats], verzoeker 1, en [verzoeker 2], beherend vennoot van verzoekster, wonende te [woonplaats], verzoeker 2, tegen het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Utrecht, (hierna: het college) en de burgemeester van Utrecht, hierna samen: verweerders. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van 14 september 2009, verzonden op 16 september 2009, (het bestreden besluit), waarbij het college de aan verzoekers verleende drank- en horecavergunning voor het horecabedrijf [verzoekster] CV, gevestigd op het perceel [perceel] aan de [adres] te [vestigingsplaats], op grond van artikel 31, tweede lid, sub d, van de Drank- en Horecawet (DHW) in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder b, van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (hierna: Wet Bibob) met onmiddellijke ingang heeft ingetrokken. Bij ditzelfde besluit heeft de burgemeester de aan verzoekers verleende exploitatievergunning op grond van de artikelen 3, eerste lid, aanhef en onder b, 4 en 7, eerste lid, van de Wet Bibob en artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Horecaverordening Utrecht 2004 (hierna: Horecaverordening) ingetrokken. 1.2 Het verzoek is op 15 oktober 2009 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen mr. Ch.Y.M. Moons, advocaat te Amsterdam, en verzoekers in persoon. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. G.N. Sloote en [A], beiden werkzaam bij de gemeente Utrecht (afdeling juridische zaken respectievelijk afdeling openbare orde en veiligheid). Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 Verzoekers zijn sinds 2007 beherend vennoten en leidinggevenden van verzoekster. Aan hen en aan verzoekster is op 9 februari 2007 op grond van artikel 3 van de DHW een drank- en horecavergunning verleend. Daarnaast is aan hen op dezelfde datum op grond van artikel 2 van de Horecaverordening een exploitatievergunning verleend. 2.4 Naar aanleiding van informatie van de politie heeft de burgemeester op grond van de Beleidsregel toepassing Wet Bibob (gepubliceerd in het Gemeenteblad van Utrecht 2005, nr. 57) een onderzoek ingesteld naar de vraag of de aan verzoekers verleende vergunningen terecht zijn verleend en of en in welke mate het risico aanwezig is dat deze vergunningen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en/of het benutten van onrechtmatig verkregen voordelen. In dit kader is verzoeker 1 verzocht een vragenformulier Wet Bibob in te vullen. Na kennisname van het door verzoeker 1 ingevulde vragenformulier en de door hem daarbij overgelegde stukken, hebben verweerders reden gezien advies in te winnen bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het Bureau). 2.5 Het Bureau heeft op 25 mei 2009 advies (hierna: Bibob-advies) uitgebracht. Dit Bibob-advies is voor verweerders aanleiding geweest verzoekers bij brief van 23 juni 2009 (verzonden 2 juli 2009) in kennis te stellen van het voornemen de aan verzoekers verleende drank- en horecavergunning en exploitatievergunning in te trekken. 2.6 Nadat verzoekers op 15 juli 2009 naar aanleiding van dit voornemen hun zienswijzen naar voren hadden gebracht, hebben verweerders op 14 september 2009 het thans bestreden besluit genomen, waarbij de aan verzoekers verleende drank- en horecavergunning en exploitatievergunning, overeenkomstig het voornemen, met onmiddelijke ingang zijn ingetrokken. Tegen dit besluit is door verzoekers bezwaar gemaakt, daarnaast is het onderhavige verzoek gedaan. 2.7 Verweerders hebben de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en daarbij met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Awb meegedeeld dat de kennisneming van het Bibob-advies van 25 mei 2009 om gewichtige redenen tot de rechtbank beperkt dient te blijven. 2.8 De rechtbank heeft op 8 oktober 2009 beslist dat de beperking van de kennisneming van het Bibob-advies gerechtvaardigd wordt geacht. Op 12 oktober 2009 is namens verzoekers toestemming verleend om mede op grond van dit advies uitspraak te doen. 2.9 Ingevolge artikel 3 van de DHW is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de DHW kan een vergunning worden ingetrokken, indien er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om: . uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of . strafbare feiten te plegen. In het tweede lid van artikel 3 van de Wet Bibob is bepaald dat voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van: . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, . in geval van vermoeden de ernst daarvan, . de aard van de relatie, en . de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, de mate van het gevaar vastgesteld op basis van: . feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven, . ingeval van vermoeden de ernst daarvan, . de aard van de relatie, en . het aantal van de gepleegde strafbare feiten. Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien: . hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan, . hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of . een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel vindt de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaats indien deze evenredig is met: . de mate van het gevaar en . voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten. Artikel 4, tweede lid, van de Wet Bibob bepaalt dat indien de betrokkene, niet zijnde de gegadigde, de partij aan wie een overheidsopdracht is gegund of de onderaannemer, weigert aanvullende gegevens te verschaffen in het geval, bedoeld in artikel 12, derde lid, dit wordt aangemerkt als ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester, voor zover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.