RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 09/987 uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2009 inzake Stichting ter behoud van Monumenten Lage Vuursche, gevestigd te Baarn, verzoekster, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn, verweerder. Inleiding 1.1 Het verzoek heeft betrekking op het besluit van verweerder van 2 april 2009, waarbij verweerder heeft besloten om bestuursdwang toe te passen als verzoekster niet binnen één week ten aanzien van het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) navolgende voorzieningen heeft getroffen: 1 - de achterzijde (oostzijde) en de rechterzijkant (zuidzijde) van het pand inpandig gedeeltelijk stutten; en 2 - aan de voorzijde (westzijde) van het pand een hekwerk plaatsen. Het hekwerk dient op een afstand van 4 meter ten opzichte van de voorgevel geplaatst te worden en dient (zichtbaar) voorzien te zijn van waarschuwingsborden met de tekst ‘instortingsgevaar’ en ‘verboden toegang’; 3 - het riet verwijderen; en 4 - de totale kapconstructie demonteren, en voordien een fotoreportage van de kapconstructie maken en/of opnamen van de kapconstructie maken; 5 - de kapconstructie opslaan; 6 - de linker binnengevel (die door het verwijderen van de kap een buitengevel wordt) door middel van een zeil afdekken, dit ter bescherming tegen weersinvloeden. In dit besluit heeft verweerder verzoekster erop gewezen dat de kosten die hij moet maken om zelf de betreffende voorzieningen in/aan/nabij het pand te treffen bij verzoekster in rekening zullen worden gebracht. 1.2 Het verzoek is op 15 april 2009 ter zitting behandeld, waar namens verzoekster is verschenen [X], bestuurslid van de stichting ter behoud van monumenten Lage Vuursche, bijgestaan door mr. M.E.W.M. Pals-Reiniers, advocaat te Eindhoven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Witteveen, H.M. van Ravenswaaij en J.J. Duijst, allen werkzaam bij de gemeente Baarn. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure. 2.3 De aanschrijving heeft betrekking op het pand [adres] te [woonplaats]. Het betreft een (vervallen) voormalige smederij, die is aangewezen als rijksmonument en is gelegen binnen het beschermd dorpsgezicht [woonplaats]. Verzoekster is sedert 1 juli 2008 eigenaresse van het pand. 2.4 Op 9 maart 2009 heeft H.M. van Ravenswaaij, ex-bouwinspecteur, werkzaam als senior medewerker vergunningverlening bij verweerder, de toestand van het pand geïnspecteerd en gefotografeerd. De resultaten van deze inspectie zijn vastgelegd in het opnamerapport van 10 maart 2009 met bijgevoegde foto’s. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien verzoekster aan te schrijven. Ter zitting is van de zijde van verweerder bevestigd dat de aanschrijving neergelegd in het besluit van 2 april 2009 is gebaseerd op artikel 1a van de Woningwet. 2.5 Verzoekster heeft betoogd dat de last onzorgvuldig is voorbereid, ondeugdelijk is gemotiveerd en disproportioneel is, aangezien de opgedragen maatregelen verder gaan dan noodzakelijk om de onveilige situatie ongedaan te maken. 2.6 Artikel 5:21 van de Awb bepaalt dat onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet luidt als volgt: De eigenaar van een bouwwerk, standplaats, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, die standplaats, dat open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Artikel 100d van de Woningwet luidt - voor zover van belang- als volgt: Een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III of IV kan inhouden dat voorzieningen gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen. 2.7 Uit het samenstel van de artikelen 1a en 100d Woningwet volgt dat een aanschrijving tot het treffen van maatregelen op grond van de Woningwet gericht moet zijn op naleving van het bepaalde bij of krachtens genoemde hoofdstukken van de Woningwet. Uit het besluit van 2 april 2009, en de onderliggende stukken, blijkt dat de maatregelen genoemd in overweging 1.1, onder 4 en 5, niet zijn gericht op het beëindigen van de onveilige situatie ter plaatse, maar beogen het monumentenbelang te dienen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de Rijksdienst (RACM) telefonisch heeft geadviseerd deze voorschriften op te nemen, teneinde in een later stadium reconstructie van de kapconstructie mogelijk te maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de voorschriften 4 en 5 niet kunnen worden verbonden aan een aanschrijving gebaseerd op artikel 1a van de Woningwet. Hierin is reden gelegen het primaire besluit in zoverre te schorsen. Aangezien de maatregelen 4 en 5 samenhangen met de maatregelen 1, 3 en 6 wordt daarin aanleiding gezien het primaire besluit ook in zoverre te schorsen. 2.8 Voor de te treffen voorlopige voorziening bestaat nog een reden. Anders dan bij de sloopvergunning op grond van de bouwverordening, die niet is vereist indien wordt gesloopt om uitvoering te geven aan een aanschrijving op grond van de Woningwet (artikel 8.1.1, tweede lid, van de bouwverordening van de gemeente Baarn), geldt voor de sloop van (een gedeelte van) een (rijks)monument dat moet worden beschikt over een monumentensloopvergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.