RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/600127-09 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juni 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats] thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Breukelen 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 mei 2009, waarbij de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: (feit 1 en 2) tweemaal een portemonnee met inhoud heeft gestolen; (feit 3, 5, 6 en 7) telkens de aangevers heeft opgelicht tot afgifte van geld; (feit 4) een politieambtenaar heeft beledigd; (feit 8) samen met een ander een winkeldiefstal heeft gepleegd. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Van het onder 7 ten laste gelegde feit dient verdachte te worden vrijgesproken. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 3, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten (de ‘oplichting-feiten’), nu – kort gezegd - geen sprake is geweest van samenweefsel van verdichtsels dan wel dat het samenweefsel van verdichtsels heeft geleid tot de afgifte van het goed. Ook ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde feit is de verdediging van mening dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat er geen sprake was van een voltooide diefstal. Ten aanzien van de onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde feiten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feit 1: Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 mei 2009 verklaard dat hij op 5 februari 2009 te Amersfoort bij aangeefster aan de deur is geweest en heeft gevraagd of hij mocht bellen. Volgens verdachte zag hij buiten op 30 centimeter afstand van de voordeur een portemonnee liggen en deze heeft hij in zijn zak gestoken. Verdachte wist, volgens zijn verklaring ter zitting, wel dat de portemonnee van aangeefster moest zijn, maar dacht tegelijkertijd “gevonden, mooi meegenomen”. In de portemonnee bleek achteraf geen geld te zitten, maar wel diverse pasjes, die verdachte vervolgens op straat heeft gegooid. Dit laatste werd geconstateerd door de politie die op dat moment ter plaatse kwam . Aangeefster [aangever 1] heeft aangifte gedaan van diefstal van de portemonnee . De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte heeft geen ander oogmerk gehad dan zich de heerschappij over het goed te verschaffen en heeft bovendien verklaard dat hij wel wist dat de portemonnee van aangeefster [aangever 1] moest zijn. Ten aanzien van feit 2: Verdachte heeft ter terechtzitting van 20 mei 2009 verklaard dat hij op 31 januari 2009 te Amersfoort in de woning van aangeefster is geweest om te bellen en dat hij een glas water heeft gedronken. Verdachte weet niets van een weggenomen portemonnee. Aangeefster [aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte in de woning is geweest om te bellen en dat hij een glas water heeft gedronken. Toen verdachte naar buiten is gegaan, ontdekte zij binnen enkele minuten dat haar portemonnee, die nog op de tafel lag in de huiskamer toen verdachte was binnengekomen, weg was. In de portemonnee zaten diverse pasjes en muntgeld. De rechtbank overweegt dat verdachte niet betwist dat hij in de woning is geweest, Aangeefster is voorts helder en stellig in haar aangifte. Voorts blijkt, onder meer uit het verhandelde ter zitting, uit de onder 1 besproken bewezenverklaring en uit vele veroordelingen voor soortgelijke zaken, dat verdachte er een gewoonte van maakt zich met smoesjes toegang te verschaffen tot woningen, met het doel daar geld of goederen weg te nemen, of bewoners te bewegen geldbedragen aan hem te geven. De gang van zaken als omschreven door aangeefster komt overeen met deze vaste modus operandi van verdachte. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster aangaande de weggenomen portemonnee dan ook betrouwbaar en geloofwaardig en acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3: Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend op 12 januari 2009 bij de woning van aangever [aangever 3] te zijn geweest. Volgens verdachte is hij enkel op 2 januari 2009 aan de deur geweest om te zeggen dat de schuurdeur openstond. Het feit dat zijn bankpas in bezit is geweest van aangever is naar de stelling van verdachte mogelijk, want die was hij verloren. Aangever [aangever 3] heeft bij de politie verklaard dat de man die op 2 januari 2009 aan de deur is geweest om te vertellen dat de schuurdeur openstond, ook op 4, 7 en 12 januari 2009 aan de deur is geweest. Op 7 januari 2009 kwam diezelfde man aan de deur en vertelde dat zijn vrouw moest bevallen en in het ziekenhuis in Utrecht lag. De man vroeg aangever of hij hem naar Utrecht kon brengen. Toen dat niet mogelijk bleek te zijn, vroeg de man aan aangever of hij 15 euro kon lenen, zodat hij met het openbaar vervoer naar Utrecht kon. Daarbij heeft de man zijn bankpas als onderpand gegeven. De bankpas stond op naam van verdachte. Daarop heeft aangever de man 20 euro gegeven. Op 12 januari 2009 stond dezelfde man weer voor de deur en vroeg aangever mee te lopen om het geleende geld te pinnen. Aangever heeft de man verzocht dit zelf te doen, waarop hij de bankpas heeft teruggegeven. De man is vervolgens niet meer verschenen. Op 6 februari 2009 heeft een fotobewijsconfrontatie plaatsgevonden met aangever [aangever 3]. Aangever heeft daarbij de foto van verdachte aangewezen, als zijnde de man die bij hem aan de deur is geweest. Gelet op de gedetailleerde verklaring van aangever, de fotoherkenning en de verklaring van verdachte dat hij wel de man is geweest die op 2 januari 2009 aan de deur is geweest bij aangever, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. Door middel van een listige kunstgreep, te weten het aanbieden van de bankpas als onderpand, en een samenweefsel van verdichtsels, te weten diverse leugens, zoals die over de bevalling van zijn vrouw is aangever bewogen tot afgifte van het geld. Het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van feit 4: Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij op de dag van zijn aanhouding, 5 februari 2009, inspecteur van politie [verbalisant 1] heeft uitgescholden en beledigd. Volgens zijn verklaring ter zitting zou het goed kunnen dat hij daarbij de woorden ‘mafkees’, ‘hondelul’ en ‘hoerenzoon’ heeft gebruikt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft dit opgetekend in zijn proces-verbaal van bevindingen Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van feit 5: Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij op 3 februari 2009 te Amersfoort bij aangever aan de deur is geweest om te bellen. Vervolgens heeft verdachte aan aangever gevraagd of hij hem naar Soest kon brengen en dat aangever toen heeft gezegd: “Ga maar met de bus”, waarop aangever 10 euro heeft gegeven. Aangever [aangever 4] heeft bij de politie verklaard dat op 3 februari 2009 de deurbel ging en dat de man hem direct een hand gaf en groette met ‘hallo buurman’. De man vertelde vervolgens dat hij verderop woonde en zijn sleutels ergens had laten liggen en vroeg of hij mocht bellen. Aangever heeft vervolgens de man binnengelaten om te bellen. Daarna zei de man dat hij geld nodig had om naar Soest te gaan, waarop aangever eerst 5 euro wilde geven, maar toen de man om 10 euro vroeg, heeft aangever hem 10 euro gegeven. Daarop is de man weggegaan. Op 13 februari 2009 heeft een fotobewijsconfrontatie plaatsgevonden met aangever [aangever 4]. Aangever heeft daarbij de foto van verdachte aangewezen, als zijnde de man die bij hem aan de deur is geweest. Gelet op de gedetailleerde verklaring van aangever, de fotoherkenning en de verklaring van verdachte dat hij wel de man is geweest die op 3 februari 2009 aan de deur is geweest bij aangever, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan. Door middel van een samenweefsel van verdichtsels, te weten een opeenstapeling van leugens, is aangever bewogen tot afgifte van het geld. Het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van feit 6: Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend op 31 januari 2009 te Amersfoort bij aangeefster [aangever 5] aan de deur te zijn geweest. Aangeefster [aangever 5] heeft bij de politie verklaard dat op 31 januari 2009 een man aan de deur verscheen. De man groette met ‘dag buurvrouw’. De man vertelde dat hij iets verderop woonde en dat hij de sleutel van zijn woning, geld en andere zaken thuis had liggen en vroeg of hij even mocht bellen. Aangeefster heeft vervolgens de man binnengelaten om te bellen. Daarna zei de man dat hij naar zijn moeder moest en dat hij dat met de trein ging doen. Hij vroeg vervolgens of aangeefster hem 30 euro kon geven. Op de vraag van de man van aangeefster hoe zij wisten dat ze het geld terug zouden krijgen, antwoordde de man dat hij op nummer 5a woonde. De man van aangeefster heeft vervolgens een biljet van 50 euro gegeven aan de man. Daarop is de man vertrokken. De man bleek, volgens aangeefster, achteraf niet op nummer 5a te wonen. Op 16 februari 2009 heeft een fotobewijsconfrontatie plaatsgevonden met aangeefster [aangever 5]. Aangeefster heeft daarbij de foto van verdachte aangewezen, als zijnde de man die bij haar aan de deur is geweest. Gelet op de gedetailleerde verklaring van aangeefster, de fotoherkenning en in samenhang bezien met de modus operandi van de onder 3 en 5 bewezenverklaarde feiten, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan. Door middel van een samenweefsel van verdichtsels, te weten een opeenstapeling van leugens, is aangeefster bewogen tot afgifte van het geld. Het daaromtrent gevoerde verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van feit 7: Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend op 2 februari 2009 te Amersfoort bij aangever [aangever 6] aan de deur te zijn geweest. Weliswaar hebben aangever en zijn vrouw een gelijkluidende verklaring afgelegd, maar er bevindt zich in het dossier geen objectief steunbewijs. De enkele verklaring van verbalisant [verbalisant 2] dat hij het signalement en de werkwijze herkent als zijnde verdachte is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal verdachte van het onder 7 tenlastelegde vrijspreken. Ten aanzien van feit 8: Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 22 januari 2009 samen met een ander in de slijterij [bedrijf] te Amersfoort was en dat zij flessen whiskey wilden stelen. Verdachte heeft de flessen in zijn tas gedaan. Volgens verdachte ter zitting zag hij dat de bedrijfsleider hen had gezien en bij de uitgang ging staan, waarop verdachte in de winkel zijn tas weer heeft geleegd en toen de winkel is uitgelopen. Uit de verklaring van aangever [aangever 7] bij de politie blijkt dat hij via de bewakingscamera in de winkel zag dat twee mannen vier flessen whiskey uit de schappen pakten en deze in een rugtas stopten. Daarop is aangever naar de uitgang gelopen en zag hij dat de man met de rugtas, zijnde verdachte, heen en weer drentelde voor hem en de uitgang. Daarop heeft aangever gevraagd of hij hem kon helpen met de vier flessen whiskey. Verdachte schrok en liep met de rugtas de winkel weer in. Hij zette de flessen terug en liep naar de uitgang. De rechtbank overweegt, dat verdachte door de flessen weg te nemen uit het schap en in zijn rugtas te stoppen, zich de heerschappij over de goederen heeft verschaft. Doordat aangever bij de uitgang ging staan en verdachte aansprak, is verdachte weer terug de winkel ingegaan om de flessen terug te zetten. Van een vrijwillige terugtred is in deze geen sprake meer. De rechtbank verwerpt dan ook het door de raadsman daaromtrent gevoerde verweer. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8 tenlastegelegde heeft begaan. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.