RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummers: 16/601399-08 [P] 10/641282-08 (tul) vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juni 2009 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [1985] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in P.I. Arnhem – De Berg, Arnhem Noord, raadsman mr. D. Vermaat, advocaat te Barendrecht, raadsvrouwe mr. L.E. Toet, advocaat te Barendrecht. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 11 maart 2009 en 29 mei 2009, waarbij de officier van justitie, mr. J. Beumer-Gonggrijp, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging, zoals ter terechtzitting van 11 maart 2009 gewijzigd, is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: [slachtoffer 1] heeft vermoord c.q. gedood; Feit 2 primair: heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te doden; Feit 2 subsidiair: die [slachtoffer 2] heeft mishandeld; Feit 3: buschauffeur [benadeelde 2] heeft beledigd. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1, feit 2 primair en feit 3 heeft begaan. Ter zake van feit 1 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte op 26 november 2008 [slachtoffer 1] heeft vermoord door hem meerdere malen met een mes te steken. Zij baseert zich daarbij op de conclusie van de patholoog dat het overlijden van [slachtoffer 1] is veroorzaakt door steekwonden, één in het hart en één in het bovenbeen. De getuigenverklaringen van [getuige], [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 2]. Tevens baseert zij zich op de verklaringen van verdachte, waaronder zijn eerste verklaring bij de politie waar hij heeft verklaard dat hij niet wist dat hij hiertoe in staat was. Verdachte heeft verklaard dat hij continu geprobeerd heeft zich rustig te houden maar dat het in zijn hoofd zat dat hij iets wilde doen. Tevens heeft verdachte tijdens dit verhoor verklaard dat hij eraan dacht om naar het huis [slachtoffer 1] te gaan om hem aldaar vervolgens neer te steken, maar dat hij zich daar tegen had verzet. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes heeft gepakt omdat hij boos was. Verdachte heeft vervolgens bekend dat hij [slachtoffer 1] met messteken om het leven heeft gebracht. Ter zake van feit 2 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte op 26 november 2008 gepoogd heeft [slachtoffer 2] van het leven te beroven. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 2], waarin zij heeft verklaard dat verdachte haar keel heeft dicht geknepen, op haar heeft gezeten en haar hoofd meerdere malen tegen de grond heeft geslagen. Verdachte heeft haar meerdere malen tegen haar hoofd geschopt en gestompt en haar vijf meter over de grond gesleept, aldus [slachtoffer 2] in haar verklaringen. De officier van justitie baseert zich tevens op het door het Leids Universitair Medisch Centrum geconstateerde letsel bij [slachtoffer 2]. Tot slot baseert zij zich op de verklaring van verdachte. Verdachte bekent dat hij [slachtoffer 2] op 26 november 2008 met twee handen heeft geprobeerd te wurgen en dat hij dit een beetje hard deed, maar dat hij haar ook af en toe heeft los gelaten, zodat zij kon praten. Verdachte heeft bekend dat hij bovenop [slachtoffer 2] is gaan zitten en haar tegen het hoofd heeft geslagen, aan haar haren heeft getrokken en haar tegen de benen heeft geschopt. Ter zake van feit 3 is de officier van justitie van oordeel dat verdachte op 11 mei 2008 de heer [benadeelde 2], heeft beledigd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [benadeelde 2] dat verdachte tegen hem heeft gezegd “jij bent een teringflikker”en verdachte die [benadeelde 2] vervolgens in het gezicht heeft gespuugd, alsmede op de verklaring van verdachte, waarin hij heeft bekend dat hij [benadeelde 2] in zijn gezicht heeft gespuugd. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft ter zake van feit 1 betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met een mes in diens lichaam heeft gestoken tengevolge waarvan deze is overleden. Echter, dat verdachte eerst na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld, kan volgens de verdediging niet wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte dient dan ook van de aan hem tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag heeft de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweer en betoogd dat verdachte derhalve moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Met betrekking tot feit 2 primair heeft de verdediging betoogd nu dat verdachte nimmer opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 2] er geen sprake is van een poging tot doodslag. Verdachte dient óók voor dit feit te worden vrijgesproken. Ten aanzien het van onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De vindplaatsvermeldingen, voorkomende in de - navolgende - motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0915/08-018518C. Daar waar wordt verwezen naar het proces-verbaal van forensische opsporing en/of andere bewijsmiddelen zal dit worden vermeld. Nu de gebeurtenissen met betrekking tot feit 2 in tijd eerder plaats hebben gevonden dan feit 1, zal de rechtbank als eerste feit 2 bespreken. Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Korte voorgeschiedenis Verdachte en [slachtoffer 2] hebben sinds januari 2007 een vaste relatie. Beiden zijn afkomstig van Aruba. Verdachte heeft op jonge leeftijd zijn moeder verloren en heeft in Nederland bij verschillende familieleden en/of vrienden gewoond. [slachtoffer 2] studeerde in Utrecht. In mei 2008 heeft [slachtoffer 2] een miskraam gehad. Gedurende de relatie is verdachte wel eens agressief tegen [slachtoffer 2], aldus [slachtoffer 2]. Tevens kan verdachte jaloers en achterdochtig zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij het alleen maar goed met haar wilde hebben en dat zij het enige was wat hij nog had. 26 november 2008 Het gedrag van verdachte is volgens [slachtoffer 2] op 26 november 2008 normaal. Dit gedrag verandert echter als het stel bij hun woning aan het [adres] te Utrecht een collega van [slachtoffer 2] in de lift tegen komt. Omdat verdachte niet wil dat het bekend wordt dat zij die vrijdag daarop naar Aruba zullen gaan, vertelt [slachtoffer 2] haar collega een verzonnen verhaal over wanneer deze vakantie zal gaan plaatsvinden. Verdachte confronteert haar later met het door haar verzonnen verhaal en merkt daarbij op: “oh, jij kan dus heel goed liegen”. Verdachte raakt hierdoor overtuigd dat zij wel vaker leugens vertelt en zij krijgen hierover ruzie. Het stel rijdt vervolgens op initiatief van verdachte met de auto langs [EX], een ex-vriend van [slachtoffer 2], waar verdachte een discussie met [EX] begint. Deze discussie gaat over het feit of [EX] zou roddelen over verdachte. Nadat [EX] dit ontkent, stappen verdachte en [slachtoffer 2] weer in de auto. Verdachte vertelt haar dat het nu haar beurt is om te praten en dat dit de dag is dat hij zijn gevoel zal volgen, aldus [slachtoffer 2]. Verdachte wil hoe dan ook van [slachtoffer 2] zijn vermoeden bevestigd krijgen dat zij vreemd gaat. Als zij blijft ontkennen, wordt verdachte bozer en bozer. Hij rijdt met haar naar een afgelegen plek ergens in het arrondissement Utrecht, alwaar zij beiden uit de auto stappen. [slachtoffer 2] verklaart dat verdachte haar vervolgens probeert te wurgen. Verdachte pakt haar met beide handen bij haar keel. Zij wil spreken maar dat lukt niet meer, waarna ze bijna flauw valt. Zij kan geen adem meer halen en haar armen vallen langs haar lijf. Zij voelt dat ze geen kracht meer heeft, aldus [slachtoffer 2]. Zij verklaart dat zij op een gegeven moment op de grond ligt en dat verdachte vervolgens bovenop haar komt zitten. Zij voelt dat verdachte haar ook meerdere malen op haar hoofd schopt en stompt en dat haar hoofd vervolgens meerdere malen door verdachte op de grond wordt geslagen. Zij heeft het gevoel gehad dat zij het leven zou laten. Verdachte bekent dat hij [slachtoffer 2] de desbetreffende dag met twee handen om haar nek heeft gewurgd. Verdachte verklaart dat hij dit een beetje hard heeft gedaan, maar dat hij haar af en toe ook los laat zodat zij kan praten. Hij heeft haar hierna met open handen op haar gezicht en hoofd geslagen en haar tevens tegen de benen getrapt. De mishandeling duurt ongeveer 10 tot 15 minuten, aldus verdachte. Het voorgaande vindt bevestiging in het proces-verbaal van het onderzoek door de technische recherche. Hierin zijn foto’s opgenomen, waarop bij [slachtoffer 2] letsel in haar oog, op haar handen en benen te zien is. Tevens zijn er in de hals van [slachtoffer 2] meerdere bloeduitstortingen zichtbaar. Ten aanzien van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. Gelet op de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, moeten zij naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als zozeer gericht op het mogelijke gevolg dat [slachtoffer 2] zou stikken dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 2] zou komen te overlijden. De rechtbank acht voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen en verwerpt derhalve het standpunt van de verdediging dat er bij verdachte geen sprake zou zijn van opzet op haar dood. Voorts acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij haar alleen met open handen heeft geslagen en alleen tegen de benen heeft getrapt niet aannemelijk, gelet op [slachtoffer 2]’s gedetailleerde verklaring. Verdachte is doorgegaan met het martelen van [slachtoffer 2], ook nadat zij namen heeft genoemd. Met die namen nam verdachte kennelijk geen genoegen. Verdachte vraagt uiteindelijk aan [slachtoffer 2] of ze vreemd is gegaan met [slachtoffer 1], waarop zij zegt dat dit waar is omdat ze anders bang is om nog meer klappen te krijgen. Dan houdt verdachte op: hij heeft uiteindelijk de naam gehoord die hij wilde horen en welke naam zijn vermoedens bevestigden. [slachtoffer 2] vertelt dan aan verdachte dat zij samen met [slachtoffer 1] en [getuige] is vreemdgegaan. Verdachte en [slachtoffer 2] stappen vervolgens in de auto en rijden terug naar hun woning aan het [adres], waar vervolgens het onder feit 1 ten laste gelegde plaatsvindt. Ten aanzien van feit 1, de moord c.q. doodslag op [slachtoffer 1], overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat [slachtoffer 1] in de nacht van 26 november op 27 november 2008 in een studentenflat aan het [adres] te [slachtoffer 2] is overleden. Uit het sectierapport volgt dat de oorzaak van het intreden van de dood was gelegen in het door messteken teweeggebrachte functieverlies van het hart en de linkerlong, in combinatie met weefselschade door verbloeding. De verdachte bekent [slachtoffer 1] die betreffende nacht met een mes te hebben gestoken. Verdachte heeft hierover bij de politie verklaard: “Ik stak hem in zijn buik. Ik heb een paar keer geprobeerd hem te steken. Soms lukte het niet. Hij maakte slaande bewegingen en ik voelde ineens dat ik hem raakte. Ik voelde dat het mes erin ging. Ik denk dat ik hem twee of drie keer echt geraakt heb. Ik zag bloed. Ik zag bloed bij zijn buik. [slachtoffer 1] lag op de grond.” Getuigen [slachtoffer 2] en [getuige] hebben gezien dat verdachte [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken. Op grond van deze bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Voorbedachten rade De vraag of dit met voorbedachten rade is gebeurd, moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende feitelijke gang van zaken. Nadat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te wurgen, gaat het stel naar hun woning aan het [adres] te [slachtoffer 2]. Voor de woning, in de gang van de betreffende studentenflat, zet het stel de ruzie voort over het vermeend vreemdgaan van [slachtoffer 2]. De getuigen [getuige 1] en [getuige 3], buren van [slachtoffer 2], zijn na de aankomst van verdachte en [slachtoffer 2] geruime tijd bezig om verdachte rustig te krijgen, met wisselend succes. Zij slagen erin om de doodsbange [slachtoffer 2], die er sterk gehavend uitziet na de eerdere mishandelingen door verdachte, uit de handen van verdachte te houden, echter het lukt hen niet om verdachte weg te krijgen of [slachtoffer 2] onder begeleiding van iemand -maar zonder verdachte- naar het ziekenhuis te laten gaan. Hoewel verdachte op dat moment geen geweld meer uitoefent op [slachtoffer 2], durven de buren, gelet op de agressieve houding en de dreigementen van verdachte, niet de politie te bellen. Uiteindelijk -nadat er uren verstreken zijn- komt [getuige 1] met het voorstel of er geen gezamenlijke kennissen kunnen bemiddelen. Het is dan al laat en [slachtoffer 2] komt met het voorstel om [getuige] te laten bemiddelen. Hoewel verdachte daar aanvankelijk mee heeft ingestemd, weigert verdachte vervolgens weer. Meerdere malen zegt verdachte dat hij niet wil dat [getuige] langskomt, maar toch stemt hij daar uiteindelijk in toe en geeft zijn mobiele telefoon aan [slachtoffer 2]. Het is dan inmiddels na middernacht als [slachtoffer 2] [getuige] opbelt met het verzoek of "jullie even willen komen". [getuige] is op dat moment de vriendin van [slachtoffer 1] en zij verklaart bij de politie dat zij en [slachtoffer 1] altijd samen waren en dat [slachtoffer 2] hiervan op de hoogte was. Getuige [getuige 1] hoort verdachte op het moment dat [slachtoffer 2] [getuige] aan het bellen is zeggen “je hebt geen idee wat je doet, bel maar en kijk wat er gebeurt”. Na het telefoongesprek hoort zij dat verdachte tegen [slachtoffer 2] zegt “je weet niet wat je nou gedaan hebt”. Verdachte, die bij het telefoongesprek aanwezig was, zegt dat hij het geen goed idee vindt dat zij komen. Hij verklaart tegenover de politie dat hij wist dat het dan niet goed zou aflopen. Verdachte wordt vervolgens woedend en gaat de woning binnen. In de woning snuift verdachte cocaïne en pakt een mes uit de keukenlade. Verdachte stopt het mes vervolgens voor in zijn broeksband zodat niemand het kan zien. Verdachte neemt die bewuste avond cocaïne omdat hij weet dat die man (lees: het slachtoffer) zou komen en omdat hij kracht zoekt. Verdachte loopt vervolgens de woning uit en voegt zich bij de anderen op de gang. Als [getuige] en [slachtoffer 1] bij de flat aankomen en aanbellen, beantwoordt verdachte de intercom en doet via de intercom de deur van het flatgebouw open. Voor verdachte is het op dat moment duidelijk dat ook [slachtoffer 1] mee is gekomen. [getuige] heeft daarover verklaard dat zij via de intercom tegen verdachte zei: “[slachtoffer 1] en ik zijn er” .Verdachte ziet [getuige] als eerste uit de lift komen en ziet dat [slachtoffer 1] achter haar aan de lift uit komt. Verdachte begroet [slachtoffer 1] en geeft hem vervolgens een hand. Verdachte confronteert [slachtoffer 1] vrijwel onmiddellijk met het vreemdgaan van [slachtoffer 2] en verklaart vervolgens dat hij [slachtoffer 1] ziet denken: “Als dat alles maar is”. Verdachte verklaart tegenover de politie dat hij dit een rare reactie vindt en wordt hierdoor “para” . [getuige] voelt dat verdachte vervolgens tussen haar en de muur ruimte maakt zodat verdachte naar [slachtoffer 1] toe kan gaan , hierna ziet zij verdachte op [slachtoffer 1] afrennen. Dit gebeurt volgens [getuige] op een explosieve manier. Verdachte steekt [slachtoffer 1] vervolgens met het mes neer. Volgens getuige [getuige 2] maakte [slachtoffer 1], door de plotselinge aanval en doordat hij met zijn handen in zijn zakken stond, geen schijn van kans. Verdachte verklaart dat hij eerst niet voluit wilde steken. De tweede keer gaat het volgens verdachte ook niet maar de derde keer gaat het heel gemakkelijk. Verdachte heeft het mes onderhands vast en voelt dat het mes erin glijdt. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat verdachte anders dan in een opwelling, maar na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer 1] heeft doodgestoken. Anders gezegd, verdachte had tijd zich te beraden over het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft -sinds het moment dat hij [slachtoffer 2] beschuldigde van vreemdgaan- een proces doorgemaakt, waarbij hij steeds bozer werd en fors geweld heeft toegepast om de naam van degene met wie hij vermoedde dat zij was vreemdgegaan “uit haar te slaan”. Dat leidt er dan ook toe dat [slachtoffer 2] -uiteindelijk- de naam van [slachtoffer 1] aan verdachte noemt. Als [slachtoffer 2] dan die avond [getuige] opbelt, wordt voor verdachte duidelijk dat hij geconfronteerd zou gaan worden met de persoon die hem zo vernederd heeft door met zijn vriendin -die volgens verdachte het enige was dat hij nog had- vreemd te gaan. Voor verdachte staat dan vast wat er moet gebeuren en hij zegt tegen [slachtoffer 2] “Je weet niet wat je hebt gedaan” - alsof verdachte bij voorbaat de schuld van wat komen gaat bij [slachtoffer 2] neerlegt. Direct na het telefoongesprek pakt verdachte een mes uit de keukenla en verstopt dit in zijn broeksband. Hij snuift cocaïne om zichzelf kracht te geven, zoals hijzelf bij de politie verklaart. Vrijwel direct nadat [slachtoffer 1] uit de lift stapt confronteert verdachte hem op boze toon met zijn vriendin te zijn vreemdgegaan en vrijwel direct daarna stormt verdachte op [slachtoffer 1] af en steekt hem meerdere malen. [slachtoffer 1] eerst nog in zijn been geraakt te hebben, is verdachte doorgegaan met steken en heeft hij hem in de borst geraakt en wel zo hard en diep dat niet alleen het hart is geraakt, maar ook long en lever. Deze gang van zaken getuigt van berekenend gedrag van een man die buitengewoon kwaad is en er op gebrand is om de hem aangedane vernedering te wreken. Ook het feit dat, als op een gegeven moment de politie - via via gewaarschuwd dat er iets niet goed gaat met [slachtoffer 2], naar [slachtoffer 2] belt, verdachte opneemt en de politie naar een oud, dus verkeerd, adres laat komen, duidt erop dat verdachte berekenend te werk kan gaan. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij dat deed omdat hij niet wilde dat hij zou worden opgepakt om hetgeen hij [slachtoffer 2] had aangedaan. Verdachte laat zo zien dat hij het vermogen heeft de gevolgen van zijn daden te beseffen en de kansen om daaraan te ontkomen, te willen benutten. Aan het bestaan van voorbedachte raad doet overigens niet af dat verdachte de uitvoering van zijn eerder genomen besluit eventueel afhankelijk heeft gesteld van de reactie van [slachtoffer 1] op zijn mededeling dat zijn vriendin vreemd gaat. Nu de rechtbank de impliciet primair tenlastegelegde moord bewezen acht, behoeft het verweer van de verdediging dat verdachte bij de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag heeft gehandeld uit (putatief) noodweer, geen bespreking. Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigende bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, waar verdachte heeft verklaard dat hij [benadeelde 2] op 11 mei 2008 te Utrecht heeft beledigd door hem in zijn gezicht te spugen; - de aangifte van [benadeelde 2] van 11 mei 2008, inhoudende dat aangever verdachte hoorde zeggen dat hij, aangever, een teringflikker was en dat hij, aangever, voelde en zag dat aangever hem bespuugde. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.