vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 269528 / KG ZA 09-645 Vonnis in kort geding van 24 juli 2009 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JOINT PORT STAFF GROEP HOLDING B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres, advocaat mr. J.G.M. Hovius te Zwolle, tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FNV BONDGENOTEN, AFDELING HAVENS/VERVOER, gevestigd te Utrecht, gedaagde, advocaat mr. M.J. Klinkert te Utrecht. Partijen zullen hierna JPS en FNV Bondgenoten genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de mondelinge behandeling - pleitnota en producties van JPS - pleitnota en producties van FNV Bondgenoten. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. JPS voert een uitzendbureau, dat werkzaam is in de haven van Rotterdam en dat tot voor kort alleen administratief personeel aan havenbedrijven leverde. 2.2. FNV Bondgenoten is een vakbond, die is aangesloten bij de FNV (Federatie Nederlandse Vakbeweging). FNV Bondgenoten is partij bij – onder meer – collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO’s), die met werkgevers in de haven van Rotterdam werden en worden afgesloten. 2.3. Het onderhavige geschil betreft een arbeidspool ofwel havenpool in de haven van Rotterdam. Een havenpool is een zelfstandige of onzelfstandige onderneming, die gekwalificeerde havenarbeidskrachten aan havenbedrijven verhuurt. 2.4. In de hierna te noemen besluiten van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) is ten aanzien van de havenpool waar het hier om gaat, onder meer het volgende vermeld: * In 1916 is in de haven van Rotterdam de eerste havenpool opgericht in de vorm van een samenwerkingsverband van gezamenlijke havenwerkgevers, met als doel de beschikbare havenarbeidscapaciteit, waarin door de aard van het ladingaanbod en de diversiteit van de verschillende havenbedrijven zich grote pieken en dalen voordoen, op een zo zorgvuldig mogelijke wijze te verdelen. Met name hebben de havenwerkgevers in kwestie daarmee beoogd enerzijds om zoveel mogelijk te voorkomen dat personeel werkloos werd en anderzijds om te beschikken over een personeelsbestand dat bij piekbelasting kon worden ingezet. * Gelet op het grote maatschappelijke belang van de Rotterdamse haven en ter bestrijding van slechte sociale omstandigheden van havenarbeiders droeg de overheid financieel bij in de leegloopkosten van de werkgevers, dat wil zeggen de kosten van afvloeiing van arbeidskrachten. * Na omvorming en juridische verzelfstandiging van het genoemde samenwerkingsverband van havenwerkgevers is de havenpool vanaf 1968 voortgezet door de Stichting Samenwerkende Havenbedrijven, hierna: SSHB. De werknemers in de havenpool werden geacht werknemers van de gezamenlijke samenwerkende havenbedrijven te zijn, doch zij waren in dienst van SSHB en kregen hun loon doorbetaald, ook als zij tijdelijk niet waren uitgezonden. * Naar aanleiding van het voornemen van de overheid om de financiering van de havenpool te beëindigen, hebben de bij SSHB betrokken havenwerkgevers met de vervoersbonden van FNV en CNV (Christelijk Nationaal Vakverbond) overleg gevoerd en overeenstemming bereikt over een reorganisatie van SSHB. Het overlegresultaat is vastgelegd in het “Akkoord Modernisering SHB Rotterdam” van 26 november 1994, hierna: het Havenakkoord. * Ter uitvoering van het Havenakkoord is SHB Havenpool Rotterdam B.V. opgericht, hierna te noemen: SHB. SHB heeft de bedrijfsactiviteiten van SSHB overgenomen. * De werknemers van SHB verrichtten fysieke laad- en loswerkzaamheden van diverse soorten goederen. Hun arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd in een CAO. * Veel van de bedrijfsCAO’s die in de haven van Rotterdam door de sociale partners zijn afgesloten, bestaan uit zogeheten A-artikelen en B-artikelen. De A-artikelen hebben betrekking op feiten en omstandigheden die voor alle werkgevers min of meer gelijk zijn. De onderhandelingen over deze A-artikelen worden door de werkgeversverenigingen namens hun leden met de vakbonden gevoerd. De B-artikelen richten zich specifiek op de onderneming van elke werkgever afzonderlijk. 2.5. In het onder 2.4 genoemde Havenakkoord is onder meer het volgende opgenomen. Onder “Inhurende bedrijven”: - De betrokken werkgevers, ook aangeduid als de inhurende bedrijven, verplichten zich bij een vraag naar tijdelijk personeel uitsluitend SHB daarvoor in te schakelen. - SHB verplicht zich te allen tijde gekwalificeerd personeel te leveren. SHB kan daarvoor, indien nodig, gebruik maken van gekwalificeerd personeel van andere verhurende bedrijven (derden). Onder “Verhurende bedrijven (derden)”: - Verhurende derde-bedrijven die SHB wil inschakelen, dienen ook door de vervoersbonden van FNV en CNV te worden erkend. De erkenning vindt plaats door overeenstemming tussen het desbetreffende verhurende bedrijf en de bonden over de arbeidsvoorwaarden bij tewerkstelling in de haven. - De verhurende bedrijven hebben een contractuele relatie met de inhurende bedrijven en met SHB. In de Bijlagen, onder “5. Kwalifikatie”: - Teneinde altijd aan de leveringsverplichting te kunnen voldoen, streeft SHB ernaar de medewerkers in twee functies inzetbaar te maken. 2.6. De in het Havenakkoord overeengekomen verplichtingen van inhurende bedrijven en SHB zijn neergelegd in de afzonderlijke bedrijfsCAO’s. Het aan SHB verleende recht om als eerste aan de vraag naar tijdelijke arbeidskrachten te voldoen en om zo nodig bij uitsluiting te bemiddelen, is in die CAO’s als artikel A9 opgenomen. Dit recht van SHB wordt ook aangeduid als het voorkeursrecht van SHB. Twee mededingingsrechtelijke geschillen over de havenpool, waarover afstemming tussen de NMa en de Europese Commissie heeft plaatsgevonden. 2.7. In 1998 heeft Van Eck Havenservice B.V., een uitzendbureau in de haven van Rotterdam, aan de NMa verzocht op te treden tegen vermeende, door SSHB en SHB gepleegde overtredingen van het verbod op mededingingsafspraken als bedoeld in art. 6 Mededingingswet (Mw.) en van het verbod op misbruik van een economische machtspositie als bedoeld in artikel 24 Mw. De zaak is bekend onder nummer 1012. De klacht zag met betrekking tot artikel 6 Mw. op het aan SHB verleende voorkeursrecht. Met betrekking tot artikel 24 Mw. zag de klacht op het vermeende misbruik door SHB van haar monopoliepositie op de markt van inhuur van tijdelijke arbeidskrachten door de havenbedrijven. Bij besluit van 14 december 2000 heeft de NMa geoordeeld, onder verwijzing naar uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ-EG), dat er geen sprake was van overtredingen van artikel 6 Mw. door SSHB of SHB, omdat het voorkeursrecht van SHB was begrepen in het Havenakkoord en in de diverse CAO’s, welk akkoord en welke CAO’s naar hun aard en doel waren uitgezonderd van het kartelverbod in artikel 81 EG-verdrag en daarmee van artikel 6 Mw. De NMa oordeelde voorts, dat een overtreding van artikel 24 Mw. door SHB voorshands niet aannemelijk was. Onder het besluit is vermeld dat op 30 oktober 2001 een besluit op bezwaar is genomen. Het betreft een bezwaar van één van de belanghebbenden in deze procedure, welk bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. 2.8. Eveneens in 1998 heeft Europees MassagoedOverslagbedrijf B.V. (hierna: EMO), aan de NMa verzocht op te treden tegen vermeende overtredingen van het verbod op mededingingsafspraken als bedoeld in art. 6 Mw. en van het verbod op misbruik van een economische machtspositie als bedoeld in artikel 24 Mw. EMO is één van de werkgevers in de haven van Rotterdam. De overtredingen zouden door SHB gepleegd zijn, via interventie door FNV Bondgenoten en Bedrijvenbond CNV. De zaak is bekend onder nummer 1199. De klacht zag met name op artikel A9 in de EMO-CAO en in veel andere bedrijfsCAO’s. Dat artikel A9 hield volgens EMO in, dat via interventie door FNV en CNV een overeenkomst tussen EMO en SHB tot stand kwam en dat vele andere bedrijven gedwongen waren een zelfde overeenkomst met SHB aan te gaan. Bij besluit van 12 juli 2001 heeft de NMa geoordeeld, onder verwijzing naar jurisprudentie van het HvJ-EG, dat de bestreden handelwijze van SHB niet was gebaseerd op overeenkomsten via interventie door FNV en CNV, maar op collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties, welke naar hun aard en doel waren uitgezonderd van het kartelverbod in artikel 81 EG-verdrag en daarmee van artikel 6 Mw. De NMa oordeelde voorts dat een overtreding van artikel 24 Mw. door SHB onvoldoende aannemelijk was. De recente ontwikkelingen 2.9. Op 6 januari 2009 is SHB in staat van faillissement verklaard. De ongeveer 480 werknemers van SHB zijn allen ontslagen. 2.10. De curator en de vakbonden hebben gezocht naar een oplossing om voor zoveel mogelijk ex-werknemers van SHB de werkmogelijkheden in de haven te behouden. Als resultaat hiervan is door een ondernemer een nieuwe vennootschap opgericht, genaamd Rotterdam Port Services B.V., hierna: RPS. Op 25 februari 2009 heeft RPS met FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond een CAO gesloten met een looptijd van twee jaar. 2.11. Bij RPS kunnen alleen ex-werknemers van SHB worden ingeschreven. Voor inschrijving is vereist, dat de werknemer voor twee functies is gekwalificeerd en niet te veel verzuimdagen heeft. De selectie wordt uitgevoerd door een re-integratiebureau dat eerder voor SHB werkzaam was. Werknemers die worden ingeschreven, komen (nog) niet in vaste dienst, maar ontvangen loon, wanneer zij worden uitgezonden. Voor het overige blijven zij hun werkloosheidsuitkering ontvangen. Aan werknemers die niet voor inschrijving in aanmerking komen, wordt de gelegenheid geboden om door middel van om- of bijscholing in een mobiliteitscentrum alsnog voor inschrijving in aanmerking te komen of via die weg naar ander werk begeleid te worden. 2.12. Bij brief van 6 maart 2009 heeft FNV Bondgenoten aan de havenbedrijven onder meer medegedeeld, dat FNV Bondgenoten RPS als havenuitleenbedrijf in de A-categorie had erkend en dat als gevolg daarvan RPS, naast de reeds erkende verhurende bedrijven Matrans en ILS, voortaan als eerste door de havenbedrijven voor inhuur ingeschakeld diende te worden. Tevens was medegedeeld, dat waar in de CAO’s “SHB” stond vermeld, voortaan “RPS” moest worden gelezen, met als uitzondering dat RPS daarbij op gelijke voet stond met Matrans en ILS. 2.13. JPS, de eiseres in deze zaak, heeft haar uitzendbureau ook voor andere dan administratieve werkkrachten opengesteld. Ongeveer 140 ex-werknemers van SHB, die niet bij RPS ingeschreven wilden of konden worden, hebben zich bij JPS ingeschreven. 2.14. JPS en FNV Bondgenoten hebben overleg gevoerd over de mogelijkheid voor JPS om door FNV Bondgenoten als verhurend derde-bedrijf te worden erkend. 2.15. Bij brief van 9 juni 2009 heeft FNV Bondgenoten aan JPS bevestigd welke voorwaarden voor de erkenning waren gesteld en welke informatie JPS daarvoor nog diende te verstrekken. Tevens was medegedeeld dat een eventuele erkenning door de Sectorraad Havens van FNV Bondgenoten moest worden goedgekeurd. JPS heeft op deze brief van FNV Bondgenoten niet geantwoord. 3. Het geschil 3.1. JPS vordert – samengevat – het volgende: Primair moet aan FNV Bondgenoten worden bevolen om op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen een bepaalde termijn al het nodige in werking te stellen om ervoor te zorgen dat JPS hetzij via een versnelde procedure, hetzij op korte termijn, op de in de branche gebruikelijke condities de erkende status verkrijgt als inhuurbedrijf [bedoeld zal zijn: verhuurbedrijf; opm. rechter] voor havenpersoneel in de Rotterdamse haven; Subsidiair moet aan FNV Bondgenoten op straffe van verbeurte van een dwangsom worden verboden om nog langer te interveniëren bij het afsluiten van overeenkomsten tussen JPS en derde bedrijven ten aanzien van de totstandkoming van een rechtsverhouding tussen JPS en de respectieve havenbedrijven ten behoeve van het uitleveren van havenpersoneel. 3.2. FNV Bondgenoten voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. FNV Bondgenoten voert als meest vér strekkend verweer aan dat JPS geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering. 4.2. Dit verweer faalt. Naar JPS stelt, wenst zij te gaan opereren als verhuurbedrijf voor het type gekwalificeerde havenwerknemers waar het bij de havenpool in kwestie om gaat. Nu dat – ook volgens FNV Bondgenoten – niet mogelijk is zonder de erkenning waar de vordering van JPS op ziet, kan een voldoende spoedeisend belang van JPS bij haar vordering aannemelijk worden geacht. 4.3. Inhoudelijk stelt JPS als grond voor haar vordering, ten eerste, dat FNV Bondgenoten in strijd heeft gehandeld met het mededingingsrecht, met name artikel 6 en artikel 24 Mw. Ten tweede stelt JPS dat FNV Bondgenoten onrechtmatig jegens haar, JPS, heeft gehandeld. 4.4. Naar voorlopig oordeel heeft JPS onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze gronden zich hier voordoen. Daarvoor is het volgende van belang. 4.5. Ten aanzien van de eerstgenoemde grondslag, te weten het beweerde handelen van FNV Bondgenoten in strijd met artikel 6 en artikel 24 Mw., moet onderscheid worden gemaakt tussen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.