RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht parketnummer: 16/441875-08 [P] vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juni 2009 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1974] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], [adres] raadsman mr. B. Tieman, advocaat te Utrecht 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 juni 2009, waarbij de officier van justitie, mr. J.G.M. Grimbergen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: (feit 1) door met zijn auto achteruit op aangever in te rijden, heeft gepoogd hem van het leven te beroven, subsidiair zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meer subsidiair aangever te bedreigen; (feit 2) diezelfde dag de plaats van ongeval heeft verlaten. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft namens verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde onder meer betoogd dat, gelet op de lezing van verdachte, de verklaringen van aangever en de getuigen moeten zijn afgestemd en derhalve ongeloofwaardig en niet betrouwbaar zijn om voor het bewijs te gebruiken. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte zich niet bewust is geweest van de aanrijding. 3.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt omtrent het onder 1 tenlastegelegde het volgende. Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 juni 2009 verklaard dat hij als reactie op het gedrag van aangever [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]), op 8 juni 2007 op de Sweder van Zuylenweg te Utrecht met zijn auto ongeveer 50 meter achteruit is teruggereden naar de plaats waar hij aangever het laatst had zien staan. Volgens verdachte zag hij dat [slachtoffer] naar de achterkant van een geparkeerde auto lopen, toen hij achteruit ging rijden. Na 20 à 30 meter achteruitrijden kon verdachte [slachtoffer] niet meer zien. Verdachte heeft geremd bij de geparkeerde auto, naar de achterkant waarvan hij [slachtoffer] had zien lopen. Verdachte is, aldus zijn verklaring ter zitting, parallel aan voornoemde auto gestopt. De rechtbank acht van belang dat verdachte, zowel bij de politie als ter terechtzitting, heeft verklaard dat hij zich tijdens het achteruitrijden bewust was van het feit dat hij [slachtoffer] niet meer zag terwijl hij wist dat hij [slachtoffer] het laatst naar achter de geparkeerde auto zag gaan, en dat dit het risico met zich bracht dat hij hem kon raken. Zowel [slachtoffer] als getuige [getuige 1] verklaren bij de politie dat [slachtoffer] opzij moest springen om niet geraakt te worden door de auto waarmee verdachte met hoge snelheid op [slachtoffer] afreed. De verklaring van verdachte dat hij tijdig gestopt zou zijn, wordt naar het oordeel van de rechtbank door de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] feitelijk weerlegd. Van enige afstemming van deze verklaringen, zoals door de raadsman is bepleit, is op geen enkele wijze uit het stukken van het dossier en ter terechtzitting gebleken. Getuige [getuige 1] heeft de dag na het incident bij de politie reeds een verklaring afgelegd en van enige relatie tussen hem en [slachtoffer] is niet gebleken. Aangaande de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat verdachte de opzet – al dan niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit het onderzoek ter terechtzitting en de verklaring van verdachte is niet de aanmerkelijke kans aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een mogelijke aanrijding zou komen te overlijden. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de verdachte zijn auto tot stilstand heeft gebracht parallel aan de genoemde geparkeerde auto althans vlak daarna, zodat zijn snelheid op dat moment niet hoog zal zijn geweest. De kans op dodelijk letsel is daarmee niet zonder meer aanmerkelijk te noemen. Derhalve dient verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gelet op voornoemde verklaring ter zitting en voornoemde verklaringen van [slachtoffer] en getuige [getuige 1], wel de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en derhalve acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Ten aanzien van het onder 2 tenlastelegde overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting van 12 juni 2009 heeft verklaard dat, toen hij stopte naast de geparkeerde auto, hij vrij dicht bij deze auto stond. Volgens verdachte heeft hij naar zijn idee niet tegen de auto aangereden en is hem eerst achteraf gebleken dat dit wel het geval is geweest. Ter zitting heeft verdachte aangegeven dat zijn emotionele toestand ertoe geleid kan hebben dat hij niet gevoeld heeft dat hij de auto heeft ‘geschaafd’. Niet weersproken is door de verdediging dat verdachte tegen de geparkeerde auto is aangereden. De politie heeft schade aan de auto van verdachte geconstateerd en aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 2] hebben de aanrijding zien gebeuren. Naar het oordeel van de rechtbank is het onwaarschijnlijk dat verdachte als bestuurder van de auto deze botsing niet heeft opgemerkt, gezien de schade aan beide auto’s . Gelet op zijn verklaring ter zitting had verdachte in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden dat hij een ongeval had veroorzaakt. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.