vonnis RECHTBANK UTRECHT Sector handels- en familierecht zaaknummer / rolnummer: 255382 / HA ZA 08-1961 Vonnis van 30 september 2009 in de zaak van 1. [eiser sub 1], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. J.M. van Noort, 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. R.W.A. Offermanns, tegen 1. [gedaagde sub 1], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. L.H. Haarsma, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MECOL MANAGEMENT B.V., gevestigd te Bilthoven, gedaagde, niet verschenen. Eiser sub 1 zal hierna [eiser sub 1], eiser sub 2 [eiser sub 2] en eisers gezamenlijk zullen [eisers c.s.]. worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna [gedaagde sub 1], gedaagde sub 2 Mecol en gedaagden gezamenlijk zullen [gedaagden c.s.] worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 januari 2009, - het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2009, - een akte overlegging producties aan de zijde van [eiser sub 1]; - een antwoordakte aan de zijde van [gedaagden c.s.] 1.2. Aanvankelijk lieten [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zich door dezelfde raadsman bijstaan. Na de comparitie heeft [eiser sub 2] zich door een andere raadsman laten bijstaan. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [gedaagde sub 1] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van Mecol. [eiser sub 1] is statutair bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). [eiser sub 2] is statutair bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rohaam B.V. (hierna: Rohaam B.V.). 2.2. [gedaagde sub 1] heeft bij verschillende gelegenheden aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een brochure overhandigd. De brochure draagt als titel "Propositie Investering Euro 390.000,- (100% garantie)!" (hierna: de brochure) . In de brochure is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: "In feite gaat het om een simpele deal, die is opgezet door de Londense Intermediair [A]. Er wordt geleend aan Renta Plus in Würzburg (D) een bedrag van Euro 500.000. Contractueel is Renta Plus verplicht om vijftien dagen nadat het geld door hen is ontvangen, een bedrag van Euro 1,5 miljoen terug te betalen. Wanneer ze daarbij in gebreke blijven, verkrijgen wij een eerste hypotheeek van Euro 1,5 miljoen op een wooncomplex gelegen in het centrum van de Duitse stad Halle (…). Deze hypotheek wordt ingeschreven in het Grundbuch en dan wordt de eerste hypotheek van Euro 100.000 uitgeschreven. Dit wooncomplex heeft een executiewaarde van Euro 5,6 miljoen (recent taxatierapport aanwezig). (…) Ons onderzoek via een uitstekend Nederlands recherchebureau heeft aangetoond dat alle door hen opgegeven feiten kloppen. Ons bezoek aan de heren van Rente Plus in de stad Würzburg (…) heeft aangetoond dat dit een keurige GmbH is die eigendom is van de familie [B], geboren en getogen in Würzburg, mensen met een uitstekende reputatie in die kleine stad (…). Wij ( [gedaagde sub 1], President en oprichter van International Business Consultancy Group (…) [C] van (…) en ondergetekende) hebben vorige week (…) een bezoek gebracht aan het kantoor van Renta Plus en vijf uur doorgebracht bij de notaris Boehmer (…), die een uiterst solide en zeer bekwame indruk maakt. We hebben alle contracten daar afgerond en getekend. Daarmee hebben we de hypothecaire zekerheid gecreëerd en hebben we tevens een tweede zekerheid verkregen. Die tweede zekerheid houdt in dat (… indien er niet is terugbetaald) wij in de laatste week van maart het wooncomplex kunnen kopen voor Euro 2,9 miljoen. Van die 2.9 miljoen is dan al 1,5 miljoen betaald (het niet door Renta Plus terugbetaalde bedrag), zodat er dan nog Euro 1,4 miljoen betaald zou moeten worden. Dit betekent dus, dat wij dit wooncomplex in dit geval zouden verkrijgen voor Euro 500.000 plus Euro 1,4 miljoen, is Euro 1,9 miljoen. Een pand met een executiewaarde van Euro 5,6 miljoen! Wij stelden dan ook, dat het te hopen is dat de Euro 1,5 miljoen niet wordt terugbetaald binnen 15 dagen, want dan worden we spekkoper van een uitstekend gelegen wooncomplex. (…) Na herontwikkeling zal het wooncomplex Euro 12 tot 14 miljoen opbrengen op basis van realistische aannames (…). In feite ligt er dus bij de financiers van de Euro 500.000 geen risico (ze krijgen Euro 1,5 miljoen of het pand). Het echte risico ligt bij Renta Plus. (…) Wij hebben zoveel vertrouwen in deze deal dat wij (…) zelf met een bedrag van Euro 110.000 mee doen (reeds gestort naar [gedaagde sub 1]). (…) Om deze deal binnen te halen dient spoedig de overige Euro 390.000 te worden gestort op de rekening van Mecol Management BV (…). Deze rekening is van de heer [gedaagde sub 1], welke optreedt als Trustee. (…). Vriendelijke groet, [D]" 2.3. Op 10 februari 2004 is een overeenkomst, aangeduid met "Loan Agreement" (hierna: Loan Agreement) tot stand gekomen. Contractspartijen zijn [gedaagde sub 1] en Renta Plus. In de aanhef staat achter de naam van [gedaagde sub 1] tussen haakjes "Trustee". [gedaagde sub 1] wordt in de Loan Agreement verder aangeduid met "Lender". Vermeld staat voorts dat [gedaagde sub 1] een bedrag van € 500.000,00 zal lenen aan Renta Plus. Renta Plus is verplicht om na vijftien dagen dit bedrag terug te betalen plus een bedrag van € 1 miljoen aan compensatie. De overeenkomst is ondertekend door [gedaagde sub 1] en de heren [E] en [B]. In welke hoedanigheid laatstgenoemde heren hebben getekend staat niet vermeld. Als "witness" hebben de onder 2.2. genoemde [D] en [C] de Loan Agreement ondertekend. 2.4. Per email van 26 maart 2004 laat [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 2] weten dat het oorspronkelijke bedrag van € 500.000,00 is verlaagd naar € 240.000,00. In de email is voorts, voor zover van belang, vermeld: "De betaalinstructies geef ik je onderstaand. Contractueel is afgesproken dat de Euro 240.000 driemaal terugkomt en zoals je weet houdt dat in dat de leningverstrekkers hun geld dubbel terug krijgen. Naast de derde hypotheek van Euro 1,4 miljoen, heeft de heer [F] zich ook schriftelijk persoonlijk garant gesteld voor het door jou te storten bedrag van Euro 150.000. Tevens hebben [G] en [D] voor die 150.000 zich persoonlijk garant gesteld. (…) Teneinde onze afspraak na te komen dient het geld vandaag door jou rechtstreeks te worden overgemaakt (…)". Op diezelfde datum heeft [gedaagde sub 1] [eiser sub 2] telefonisch medegedeeld dat betaling van € 100.000,00 in plaats van € 150.000,00 ook afdoende was. 2.5. [eiser sub 2] heeft eind maart 2004 een bedrag van € 100.000,00 naar het rekeningnummer bij een Duitse bank overgemaakt, dat door [gedaagde sub 1] in zijn email van 26 maart 2004 was opgegeven, onder vermelding van "R. P. Beratungs-/Beteilungs GMB I.A. Herrn [gedaagde sub 1]". 2.6. [eiser sub 1] heeft op 17 februari 2004 een bedrag van € 50.000,00 overgemaakt naar de rekening van Mecol, nadat hij hierover de betalingsinstructies van [gedaagde sub 1] per email van 13 februari 2004 had ontvangen. 2.7. Op 30 juni 2004 heeft [gedaagde sub 1] van een privé-rekening een bedrag van € 10.000,00 teruggeboekt naar [eiser sub 1], onder vermelding van "retour lening". 2.8. Terugbetaling van de door [eisers c.s.]. overgemaakte bedragen en de in de Loan Agreement genoemde compensatie heeft niet plaatsgevonden. In de periode vanaf begin mei 2004 tot medio september 2004 worden door [gedaagde sub 1] talloze emails gestuurd naar [eiser sub 1] en [eiser sub 2], waarin hij telkens naar redenen verwijst waarom terugbetaling nog niet mogelijk is. In de emails spreekt [gedaagde sub 1] ook telkens zijn vertouwen uit dat terugbetaling, zij het met vertraging, nog wel zal plaatsvinden. Uit doorgestuurde emails blijkt dat [gedaagde sub 1] email contact heeft gehad met [A] en [D] (zie 2.2). 2.9. Op 9 augustus 2004 heeft [eiser sub 2], mede namens [eiser sub 1], [C], en [D], [gedaagde sub 1] ingebreke gesteld. [eiser sub 2] deelt met dat de bedragen van de leningen, inclusief de boetebetaling, uiterlijk op 12 augustus 2004 op hun diverse rekeningen moet staan. Op gelijke datum stuurt [gedaagde sub 1] per fax een ingebrekestelling naar Renta Plus ten name van [F]. Hierin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: "As the duly appointed trustee of the "lenders" I have to inform you as follows. During the first quarter of 2004 the "lenders" lent you in several stages a total amount of € 240.000. Contractually you were obliged to re-pay the loan, plus bonus, interest en costs on or before the 21st of April 2004. On the 22nd of April 2004, I mailed you that you were in default. Since that date we have spoken and written many, many times about your contractual obligation to pay back the loan. (…) You are now more then three and a half months in default, I must tell you that the time is over. The lenders have sent me a letter of notice that they hold me responsible for the total repayment. The consequences is that we have to execute our rights on the 16th of august, if at that date the total amount due is not in my bank account." 2.10. [eisers c.s.]. heeft diverse conservatoire beslagen gelegd. 3. Het geschil 3.1. [eisers c.s.]. vordert, na eisvermeerdering, samengevat dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden c.s.] veroordeelt: 1) tot betaling aan [eiser sub 1] van een bedrag van € 40.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 dagen na 26 maart 2004, althans vanaf 4 dagen na 9 augustus 2004, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; 2) tot betaling aan [eiser sub 2] van een bedrag van € 100.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 dagen na 26 maart 2004, althans vanaf 4 dagen na 9 augustus 2004, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; 3) om binnen twee dagen na betekening van het vonnis, juiste, niet misleidende, volledige en verifieerbare informatie te verstrekken betreffende, en rekening en verantwoording af te leggen over de wijze waarop [gedaagde sub 1], samengevat, de opdracht inzake de beoogde transactie met Renta Plus heeft uitgevoerd, onder verbeurte van een dwangsom; 4) in de kosten van deze procedure, inclusief de beslagkosten. 3.2. [gedaagden c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. [gedaagden c.s.] stelt dat [eisers c.s.]. niet ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard, nu er geen rechtsgeldige cessie door [bedrijf 1] en Rohaam B.V. van hun vorderingen op [gedaagden c.s.] heeft plaatsgevonden aan respectievelijk [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. Volgens [gedaagden c.s.] zijn de overgedragen vorderingen onvoldoende bepaalbaar en kan het doen van een mededeling niet rechtsgeldig door middel van dagvaarding plaatsvinden. De rechtbank constateert dat door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] aktes in het geding zijn gebracht waaruit de levering van de vorderingen aan hen van respectievelijk [[bedrijf 1] en Rohaam B.V. op [gedaagden c.s.] blijkt. In beide aktes zijn de overgedragen vorderingen in voldoende mate bepaald, in die zin dat kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Artikel 3:94 lid 1 BW schrijft ten aanzien van de mededeling geen vormvoorschrift voor. Mededeling kan in elke vorm geschieden, dus ook door vermelding in een dagvaarding. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [bedrijf 1] en Rohaam B.V. rechtsgeldig aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn overgedragen. 4.2. Door [gedaagden c.s.] is bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis (onderdeel 3 van 3.1), omdat uit niets blijkt dat er een overeenkomst bestaat tussen [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [gedaagde sub 1]. Op grond van artikel 130 Rv is een eiser bevoegd zijn eis te vermeerderen, zolang geen eindvonnis is gewezen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken in geval de vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Het door [gedaagden c.s.] gemaakte bezwaar is daarop niet gericht. Daarbij komt dat ter comparitie uitvoerig de informatieverstrekking door [gedaagde sub 1] aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] is besproken. Dit heeft ertoe geleid dat [gedaagde sub 1] bereid is gebleken om op het kantoor van de raadsman van (thans) [eiser sub 1] stukken te verstrekken en inzage te geven in de bankafschriften van Mecol. Uit de na de comparitie overgelegde aktes blijkt dat deze bespreking heeft plaatsgevonden. [gedaagden c.s.] heeft zich bij akte vervolgens uitgelaten over de door [eiser sub 1] overgelegde stukken. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de eisvermeerdering niet in strijd is met de goede procesorde nu [gedaagden c.s.] zelf bereid is gebleken [eiser sub 1] van informatie te voorzien en heeft kunnen reageren op de door [eiser sub 1] genomen akte die genomen is na de informatieverstrekking door [gedaagde sub 1]. 4.3. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] leggen primair onrechtmatig handelen van [gedaagden c.s.] aan hun vorderingen ten grondslag en subsidiair een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de tussen hen en [gedaagden c.s.] gesloten overeenkomsten. Door het onrechtmatig handelen dan wel toerekenbaar tekortschieten van [gedaagden c.s.] hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] schade geleden doordat zij hun inleg van respectievelijk € 40.000,00 en € 100.000,00 hebben verloren. Het onrechtmatig handelen ziet erop dat [gedaagden c.s.] in strijd heeft gehandeld met het toenmalige artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer (Wte), omdat hij als effectenbeheerder en/of vermogensbeheerder niet beschikte over een vergunning. Voorts heeft [gedaagden c.s.] in strijd gehandeld met het toenmalige artikel 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992). Daarnaast bestaat het onrechtmatig handelen van [gedaagden c.s.] volgens [eisers c.s.]. uit het hen overtuigen te participeren in een uiterst risicovol investeringsproject door, naar later is gebleken, naar niet bestaande zekerheden te verwijzen. Dit terwijl [gedaagden c.s.] wist of heeft moeten weten dat [eisers c.s.]. alleen bereid waren in een project te investeren voorzover een redelijke mate van zekerheid bestond dat zij hun inleg niet zouden verliezen. 4.4. Het verweer van [gedaagden c.s.] komt er samengevat op neer dat [gedaagde sub 1] stelt niet als effectenbeheerder dan wel vermogensbeheerder te hebben gehandeld, maar uitsluitend als penvoerder en coördinator van het project te hebben opgetreden. Het feit dat hij de Loan Agreement heeft getekend houdt, volgens [gedaagden c.s.], verband met het volgende. Tussen Renta Plus en [D] en [G] was op 28 december 2003 een leningsovereenkomst gesloten, met een vergelijkbare strekking als de Loan Agreement. Aangezien [D] en [G] er niet in slaagden het investeringsbedrag bijeen te krijgen, had [D] [gedaagde sub 1] benaderd om behulpzaam te zijn bij het realiseren van het project. Tijdens het bezoek van [gedaagde sub 1], [D] en [C] aan [F} in Würzburg op 10 februari 2004 (zie 2.4) werd tot het vormen van een "investeringsclubje" besloten en diende een nieuwe overeenkomst gesloten te worden. [F] wenste [D] niet als contractspartij omdat hij de eerdere leningsovereenkomst niet was nagekomen. [C] kon als partner van een Nederlands advocatenkantoor ook geen contractspartij worden. [gedaagde sub 1] was toen de enige aanwezige mogelijke contractspartij. Louter om die reden heeft [gedaagde sub 1], in een rol van penvoeder en coördinator, de Loan Agreement getekend. Een en ander blijkt ook uit de bij conclusie van antwoord overgelegde verklaring van [C]. Voorts wijst [gedaagden c.s.] erop dat de investeringspropositie niet door hem maar door [G] en [D] is geëntameerd. Daarnaast hadden [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zelf onderzoek moeten doen naar de risico's van het Renta Plusproject. Het verwijt ten aanzien van de niet bestaande zekerheden kan [gedaagden c.s.] niet plaatsen nu er een hypotheek op zijn naam staat in relatie tot het project. Van een tekortkoming kan geen sprake zijn nu er geen overeenkomst bestaat tussen [gedaagden c.s.] en [eiser sub 1] en [eiser sub 2]. 4.5. Voor de beoordeling van het geschil dient eerst te worden vastgesteld in welke hoedanigheid [gedaagden c.s.] ten opzichte van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft gehandeld. De gedragingen van [gedaagden c.s.] dienen te worden vastgesteld aan de hand van de ten tijde van de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gedane betalingen vigerende regelgeving. Relevant daarbij is Wtk 1992, welke met ingang van 1 januari 2007 is ingetrokken bij de inwerkingtreding van de Wet op het financieel toezicht (Wft). 4.6. Artikel 82 lid 1 Wtk 1992 verbiedt een ieder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.