Beslissing RECHTBANK UTRECHT Sector strafrecht Parketnummer: 16/710211-09 Iurisnummer: [nummer] Datum uitspraak: 14 december 2009 Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van de officier van justitie in dit arrondissement d.d. 15 september 2009 strekkende tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van de rechterlijke beslissing van het Crown Court te Croydon (Verenigd Koninkrijk) d.d. 28 augustus 2008, waarbij is veroordeeld: [veroordeelde], geboren op [1955] in [geboorteplaats] (Ghana), thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein in Utrecht, hierna te noemen de veroordeelde, ter zake van invoer van verdovende middelen, overtreding van de Opiumwet, tot een gevangenisstraf van 7 jaar onder aftrek van 76 in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen. De stukken De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van de volgende stukken: - een brief d.d. 3 april 2009 van Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken aan het Internationaal Rechtshulp Centrum met het verzoek om akkoord te gaan met de overbrenging van de veroordeelde en waaruit blijkt dat de veroordeelde zich sinds 12 juni 2008 in detentie bevindt, welke op 12 juni 2015 zal zijn uitgezeten en waarvan de te verwachten datum van vervroegde invrijheidstelling in Groot-Brittannië 12 december 2011 is; - een afschrift van een extract van het vonnis van het Crown Court te Croydon (Verenigd Koninkrijk) d.d. 28 augustus 2008 en de tenlastelegging; - een geschrift d.d. 24 juni 2009, inhoudende een instemming van veroordeelde met betrekking tot overbrenging naar Nederland voor het ondergaan van het overblijvende gedeelte van zijn straf; - een geschrift d.d. 16 maart 2009, waaruit blijkt dat het vonnis van Colin Acheampong onherroepelijk is; - de tekst van de toepasselijke artikelen van de Britse wetgeving (de ‘Customs and Excise Management Act 1979’ en de ‘Misuse of Drugs Act 1971') en de bijbehorende lijsten; - de geautoriseerde vertaling in de Nederlandse taal van voornoemde stukken; - de stukken met betrekking tot de voorlopige aanhouding, de inverzekeringstelling en de bewaring van de veroordeelde. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Ook overigens is bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het onderzoek ter terechtzitting Ter openbare terechtzitting van 30 november 2009 heeft de behandeling van de vordering plaats gehad. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman mr. H.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht. De veroordeelde heeft verklaard: dat hij [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] (Ghana) op [1955] is; dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit; dat hij een vaste verblijfplaats in Nederland heeft; dat het onherroepelijke vonnis, waarbij hij in Groot-Brittannië is veroordeeld hem bekend is; dat hij volhardt in zijn verzoek om de nog resterende vrijheidstraf in Nederland te mogen ondergaan. De officier van justitie heeft ter zitting de conclusie als bedoeld in artikel 28, achtste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen voorgelezen en deze vervolgens aan de rechtbank overgelegd. De raadsman van de veroordeelde heeft onder meer bepleit aan de veroordeelde een lagere straf op te leggen dan het Crown Court te Croydon (Verenigd Koninkrijk) heeft gedaan, en wel een gevangenisstraf gelijk aan de tijd gedurende welke de veroordeelde reeds van zijn vrijheid beroofd is geweest. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de veroordeelde geen eerdere veroordelingen voor (soortgelijke) delicten heeft gehad en dat de veroordeelde tot zijn arbeidsongeschiktheid in 2001 vanwege psychische klachten een arbeidzaam leven heeft geleid. Beoordeling van de toelaatbaarheid van de vordering De vordering is gegrond op het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983, Trb. 74 (verder te noemen: “het Verdrag”) en op de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (verder te noemen: “de Wet”). De overgelegde stukken voldoen aan de eisen gesteld in het Verdrag. Blijkens de inhoud van die stukken zou de veroordeelde in het Verenigd Koninkrijk op 12 december 2011 vervroegd in vrijheid worden gesteld. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en uit de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7 van het Verdrag en aan de artikelen 3, 4, 5, 6, 7 en 18 van de Wet. Van beletselen als bedoeld in artikel 30 lid 1, van de Wet is niet gebleken. Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland is derhalve op het Verdrag en de Wet gegrond en toelaatbaar. De strafoplegging De omstandigheid dat de tenuitvoerlegging toelaatbaar wordt geacht brengt ingevolge artikel 31, eerste lid van de Wet juncto artikel 9, eerste lid sub b van het Verdrag mee dat de rechtbank voor de straf die het Crown Court te Croydon (het Verenigd Koninkrijk) aan de veroordeelde heeft opgelegd een sanctie in de plaats dient te stellen, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. Ten laste van veroordeelde is bij meergenoemd vonnis bewezen verklaard dat veroordeelde willens en wetens betrokken is geweest bij het bedrieglijk ontduiken van een verbod op de invoer van cocaïne, een als klasse C geclassificeerd verdovend middel. Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 170
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.