← Nederland

ECLI:NL:RBUTR:2009:BK7197

RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummer: SBR 08/2638 uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 11 december 2009 in de zaak van Bonte Vlucht B.V., gevestigd te Terwolde, eiseres, tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder. Inleiding 1.1 Bij besluiten van 20 december 2007 heeft verweerder aan eiseres reguliere bouwvergunningen verleend voor het plaatsen van 4 stacaravans type “Berk”, 8 stacaravans type “Eik”, 2 stacaravans type “Rode Beuk” en 10 stacaravans type “Eik Deluxe” (hierna: de objecten) op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juli 2008 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de bezwaren van Recreantenvereniging Bonte Vlucht en [X] (hierna: derdebelanghebbenden) tegen de besluiten van 20 december 2007 gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, die primaire besluiten heeft herroepen en alsnog heeft geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het plaatsen van de objecten. 1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 1 oktober 2009, waar eiseres is vertegenwoordigd door J.N.E. Bergervoet en ir. W.J. Franken, bijgestaan door mr. Tj.P. Grünbauer, advocaat te Ede. Namens verweerder is verschenen mr. R.J. Lievaart, werkzaam bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Namens Recreantenvereniging Bonte Vlucht zijn verschenen [A], [B] en [C]. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld, het bouwen niet voldoet aan de bouwverordening of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerst lid, onderdeel a, van deze wet. 2.2 Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Woongebieden en recreatieterreinen” (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming “Recreatieve doeleinden I”. 2.3 In artikel 1, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de volgende definities vermeld: - onder n: recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig gebouw dat uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor recreatief verblijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; hieronder worden tevens trekkershutten begrepen; - onder o: toeristisch kampeermiddel: een onderkomen zoals een tent, tentwagen, een kampeerauto, een caravan, met uitzondering van een stacaravan of enig ander (gedeelte van een) (voormalig) voertuig dat periodiek dient als woning voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben en waarvoor geen bouwvergunning ingevolge de Woningwet is vereist; - onder p: stacaravan: een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat periodiek dient als woning voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en mede gelet op de afmetingen kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als aanhangsel van een auto te worden voorbewogen; - onder e: bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; - onder i: gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; - onder u: onderkomen: een voor verblijf geschikt - al of niet aan zijn bestemming onttrokken - voer-, vaar- of vliegtuig, ark, caravan of livingvan, voor zover deze niet als bouwwerk is aan te merken alsook een tent. 2.4 Ingevolge de doeleindenomschrijving in artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor Recreatieve doeleinden I aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatie, alsmede bos. Ten dienste van en in verband met deze bestemming zijn toegelaten: recreatiewoningen, stacaravans, toeristische kampeermiddelen, centrale voorzieningen, dienstwoningen, groenvoorzieningen, ontsluitingsverhardingen, parkeerplaatsen, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde. 2.5 Op grond van de beschrijving in hoofdlijnen in artikel 7, tweede lid, van de planvoorschriften kan de wijze waarop met het bestemmingsplan de in het eerste lid genoemde doeleinden worden nagestreefd als volgt worden omschreven: a. bij de recreatieterreinen wordt zoveel mogelijk gestreefd naar instandhouding van het karakter van de terreinen. Dit houdt in dat de terreinen voor verblijfsrecreatief gebruik ingericht moeten zijn en blijven; b. wijzigingen van de recreatieterreinen mogen alleen voortvloeien uit veranderde eisen die uit het oogpunt van verblijfsrecreatie aan de recreatieterreinen worden gesteld; c. het aantal recreatiewoningen mag daarbij niet toenemen. 2.6 Ingevolge de bebouwingsvoorschriften in artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd onder de voorwaarde, voor zover hier van belang, dat per bestemmingsvlak niet meer recreatiewoningen mogen worden gebouwd dan op de plankaart is aangegeven. 2.7 Op de plankaart is aangegeven dat het maximaal aantal recreatiewoningen op het perceel 86 bedraagt. Er zijn op het terrein reeds 86 recreatiewoningen aanwezig. 2.8 Tussen partijen is in geschil of de objecten waarvoor de bouwvergunningen zijn gevraagd, zijn aan te merken als “stacaravan” of als “recreatiewoning” in de zin van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften. Eiseres is van mening dat de objecten zijn aan te merken als “stacaravans” in de zin van het bestemmingsplan. Verweerder stelt zich, anders dan in de herroepen primaire besluiten en in afwijking van het advies van 25 maart 2008 van de commissie bezwaarschriften van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, op het standpunt dat de objecten zijn aan te merken als “recreatiewoningen” in de zin van het bestemmingsplan. 2.9 De rechtbank is, in navolging van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in zijn uitspraak van 31 januari 2008 op het tijdens de bezwaarprocedure gedane verzoek om voorlopige voorziening (tussen partijen bekend onder procedurenummers SBR 08/167, SBR 08/286, SBR 08/288 en SBR 08/289), van oordeel dat het bestemmingsplan aanleiding geeft het begrip “stacaravan” beperkt uit te leggen. Het maximaal aantal recreatiewoningen is, in tegenstelling tot het aantal stacaravans, uitdrukkelijk in het bestemmingsplan vastgesteld en uit de beschrijving in hoofdlijnen blijkt dat het streven erop is gericht het karakter van de recreatieterreinen te behouden. 2.10 Uit de bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bouwtekeningen blijkt dat de vergunde bouwwerken een nokhoogte van 3,8 m hebben, schuin aflopend naar een goothoogte van 3 m. Het dak is voorzien van dakgoten en regenpijpen. De bouwwerken worden volgens de bij de aanvragen behorende tekeningen geplaatst op een ingegraven stelconplaat met een dikte van ongeveer 16 cm. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat nieuwe inzichten hebben geleid tot de conclusie dat de stelconplaten niet nodig zijn, omdat de grond stevig genoeg is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit gegeven echter niet relevant, nu ter beoordeling voorligt de aanvragen om bouwvergunning met de bijbehorende tekeningen zoals deze door eiseres zijn ingediend. De rechtbank is niet gebleken van gewijzigde bouwtekeningen die dienen te worden betrokken in de procedure. De bouwwerken zijn voorts aan de onderzijde rondom gesloten zodat het chassis en de wielen aan het oog zijn onttrokken. Zowel het uiterlijk als de constructie duidt erop dat de bouwwerken zijn bedoeld om permanent op de eenmaal ingenomen standplaats te blijven staan. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de bouwwerken, nadat deze zijn geplaatst, eenvoudig en zonder ingrepen in het terrein zijn te verwijderen of te verplaatsen. De relatief kleine wielen zijn zodanig geplaatst ten opzichte van de balken waaraan zij zijn verbonden en de eenvoudig verwijderbare dissel is in relatie tot het bouwwerk zodanig uitgevoerd, dat het aannemelijk is dat deze slechts zijn bedoeld voor het laden en lossen van de bouwwerken op de vrachtwagen die ze ter plaatse aflevert en niet om de bouwwerken naderhand nog over het terrein te verplaatsen. 2.11 Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat sprake is van “bouwwerken” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften. Deze bouwwerken vormen een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimten, zodat voorts moet worden geconcludeerd dat sprake is van gebouwen in de zin van de planvoorschriften. Gelet op de definitie van “stacaravan”, in de zin van de planvoorschriften, gelezen in samenhang met de definitie van “onderkomens” in de zin van de planvoorschriften, kan niet staande worden gehouden dat de bouwwerken voldoen aan het in artikel 1, aanhef en onder p, van de planvoorschriften bepaalde criterium dat sprake is van een “kampeermiddel in de vorm van een caravan of een soortgelijk onderkomen op wielen”. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van gebouwen die zijn aan te merken als recreatiewoningen, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de planvoorschriften. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het totaalbeeld van de gebouwen, en niet de afzonderlijke kenmerken op zichzelf bezien, bepalend is voor de vraag of sprake is van recreatiewoningen. 2.12 Gelet op het voorgaande dienen de objecten aangemerkt te worden als recreatiewoningen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de planvoorschriften. Met het plaatsen hiervan wordt het maximale aantal recreatiewoningen dat ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, overschreden. Voor het bouwplan is dan ook vrijstelling vereist. 2.13 Op 1 juli 2008 is in werking getreden de Wet ruimtelijke ordening. Ingevolge het overgangsrecht opgenomen in artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip. Nu de aanvragen om bouwvergunning in dit geval zijn ingediend op 12 oktober 2007, dient te worden getoetst aan de WRO. 2.14 Ingevolge het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Woningwet wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden. 2.15 Een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15 en 17 van de WRO is niet aan de orde, wel die als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO - voor zover hier van belang - kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. 2.16 Alvorens te beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de WRO, staat ambtshalve ter beoordeling van de rechtbank of verweerder bevoegd was tot het nemen van dit weigeringsbesluit. Nu verweerder in het bestreden besluit, hetgeen door verweerder desgevraagd ter zitting is bevestigd, te kennen heeft gegeven dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid om vrijstelling te verlenen op grond van dit artikellid niet heeft gedelegeerd aan verweerder, en het bestreden besluit niet door de gemeenteraad (mede) is ondertekend, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat het besluit tot weigering van de vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, door verweerder onbevoegd is genomen. Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet was verweerder dan ook gehouden dat verzoek ter besluitvorming voor te leggen aan de gemeenteraad. 2.17 Verweerders stelling dat de gemeenteraad geen medewerking aan het verzoek om vrijstelling zal verlenen, omdat zij op 24 april 2008 het bestemmingsplan “Recreatieterreinen [woonplaats]” heeft vastgesteld waarin het maximale aantal recreatiewoningen van 86 is gehandhaafd, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat een verzoek om vrijstelling vanwege het door de gemeente gevoerde beleid wellicht een geringe kans van slagen maakt, kan niet afdoen aan de door de wetgever gemaakte bevoegdheidsverdeling. 2.18 Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij door verweerder is geweigerd vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO, te verlenen. Het beroep is dan ook gegrond. Verweerder zal, alvorens opnieuw op de bezwaren te beslissen, het verzoek om vrijstelling moeten voorleggen aan de gemeenteraad. 2.19 Er is aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoek, 1 punt voor de zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. Beslissing De rechtbank Utrecht, 3.1 verklaart het beroep gegrond; 3.2 vernietigt het bestreden besluit; 3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren van derdebelanghebbenden neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; 3.4 bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,- aan haar vergoedt; 3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in dit geding ad € 644,- te betalen door verweerder. Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Binsbergen en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2009. De griffier: De rechter: mr. K. de Waard mr. G.J. van Binsbergen Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.