RECHTBANK UTRECHT Sector bestuursrecht zaaknummers: SBR 09/2688 en 09/3142 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 december 2009 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaken van [eiser], te [woonplaats], eiser, gemachtigde: drs. C. van Oosten, werkzaam bij Bureau Rechtsbescherming en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder, gemachtigde: mr. E. Roijakkers, werkzaam bij de gemeente Utrecht. Inleiding 1.1 Bij besluit van 30 juni 2009, verzonden 1 juli 2009, heeft verweerder aan verzoeker onder oplegging van een dwangsom (€2.500,- ineens) gelast de zonder bouwvergunning gebouwde berging op het perceel [adres] te [woonplaats] (hierna: het perceel) vóór 1 oktober 2009 te verwijderen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Tegen het uitblijven van een besluit op dit bezwaar heeft eiser op 28 september 2009 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij faxbericht van eveneens 28 september 2009 heeft verweerder meegedeeld de begunstigingstermijn te verlengen tot zes weken na de verzending van de beslissing op bezwaar. Bij besluit op bezwaar van 13 oktober 2009, verzonden 15 oktober 2009, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2009 ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na het verzenden van het betreffende besluit. Hiertegen heeft eiser beroep ingediend en het verzoek om voorlopige voorziening gehandhaafd. 1.2 Het beroep en het verzoek zijn behandeld ter zitting van 25 november 2009, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich hier voor. Ten aanzien van het beroep (SBR 09/3142): 2.3 Het besluit tot oplegging van een dwangsom ziet op een berging op de oever aan de voorzijde van de woonboot op het perceel. Het bouwwerk bevindt zich op gronden waarop ingevolge het thans vigerende bestemmingsplan Lombok e.o. (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Groenvoorziening" (G) rust. Voor de berging is geen bouwvergunning verleend. 2.4 Niet in geschil is dat de berging zonder bouwvergunning, en dus in strijd met artikel 40 van de Woningwet, is opgericht, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden. 2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.6 Het betoog van eiser dat verweerder had moeten afzien van handhavend optreden tegen de berging, omdat concreet zicht bestaat op legalisering daarvan, faalt. Verweerder dient in het kader van de heroverweging in bezwaar het besluit ex nunc te toetsen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder ten tijde van het thans bestreden besluit diende te toetsen aan het bestemmingsplan “Lombok e.o.”. Uit artikel 19, onder 2.3, sub e, van de planvoorschriften volgt dat de oppervlakte van de berging behorend bij een woonboot niet meer mag bedragen dan 6 m². De oppervlakte van eisers berging bedraagt echter 7,4 m², hetgeen meer is dan is toegestaan. Derhalve voldoet de berging niet aan de voorwaarden zoals gesteld in het bestemmingsplan. Verweerder is niet voornemens alsnog ontheffing te verlenen voor de met het bestemmingsplan strijdige situatie, zodat geen concreet zicht bestaat op legalisatie. Ook het beroep dat eiser in dit kader heeft gedaan op het overgangsrecht van dit bestemmingsplan, voor bouwwerken neergelegd in artikel 30 van de planvoorschriften, faalt. Toepasselijkheid van een dergelijke overgangsbepaling verschaft geen bouwvergunning vervangende titel en legaliseert de bouw evenmin anderszins. 2.7 Eiser betoogt voorts dat verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien omdat verweerder door tijdsverloop sinds de oprichting van de berging in 1991 het recht daartoe heeft verwerkt en het vertrouwensbeginsel zich daartegen verzet. Daartoe voert hij aan dat de berging is opgericht in overleg en met instemming van de toenmalige inspecteur Stadsontwikkeling, de heer [X]. De heer [X] was destijds volgens eiser het vaste aanspreekpunt voor de woonbootbewoners die namens de Dienst stadsontwikkeling toezicht hield op woonboten en het gebruik van de oever. 2.8 Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) enkel tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien. Ook overigens vindt de voorzieningenrechter in hetgeen daartoe is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het vertrouwensbeginsel zich in dit geval tegen handhavend optreden verzet. Dat de toenmalige inspecteur Stadsontwikkeling destijds bekend was met de aanwezigheid van de berging en regelmatig aanwezig was, biedt daarvoor geen grond. Die omstandigheid hield geen namens verweerder gedane toezegging in dat tegen dit bouwwerk niet handhavend zou worden opgetreden. In het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan toezeggingen, zo daarvan al sprake is geweest, die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het verlenen van een bouwvergunning en tot het handhaven berust bij verweerder. Gesteld noch gebleken is dat de genoemde inspecteur namens verweerder heeft opgetreden. Ook overigens is niet gebleken van ongeclausuleerde niet voor meerdere uitleg vatbare schriftelijke toezeggingen door de inspecteur Stadsontwikkeling die een beroep op het vertrouwensbeginsel zouden kunnen rechtvaardigen. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat handhavend optreden op dit punt niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. 2.9 Onder verwijzing naar het beleid zoals geformuleerd in de (advies)brief van 16 januari 1992 en het overeenkomstige besluit van verweerder, verweerders brief van april 1992 en de Nota Woonbotenbeleid 2007 (pagina 29) waarin is aangegeven dat terughoudend wordt opgetreden bij handhaving in sommige situaties heeft eiser een beroep gedaan op het gedoogbeleid, stellende dat zijn situatie daaronder valt en dat verweerder om die reden van handhaving had moeten afzien. 2.10 In juli/augustus 1985 heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de destijds aanwezige oeverbebouwing met het oog op beleidsvorming en, in voorkomende gevallen, handhaving. Op 16 januari 1992 heeft verweerder beleid geformuleerd voor oeverbebouwing bij woonschepen in de nota oeverbebouwing, dat is vastgesteld op 4 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.